1. Tiberius, die Augustus opvolgde, was een somber, hardvochtig en wreed
mensch. Hij zond +Germanicus+, Drusus' zoon, tot een krijg der wrake
naar Duitschland, maar kon hier even weinig bereiken als Augustus.
Wantrouwend over het aanzien van den dapperen Germanicus, riep hij dezen
uit Duitschland terug en verplaatste hem naar Syrië, waar hij hem
waarschijnlijk liet vergiftigen. De argwaan en de wreedheid van den
tyran werden door zijne gemalin nog vermeerderd, zoodat hij ontzettend
woedde, tot hij eindelijk door den overste zijner lijfwacht vermoord
werd. Onder zijne regeering zijn de Friezen opgestaan, die eerst bijna
20 jaar later onder die van +Claudius+ weêr onderdrukt zijn.
Onder de slechte vorsten in de eerste eeuw is +Nero+ wel de
vreeselijkste. Hij liet zijn stiefbroeder, zijne vrouw, ja zijne eigene
moeder vermoorden. Zijn vroegere leermeester, de beroemde +Seneca+,
werd gedwongen zich zelven te dooden. Met de schrikkelijkste wreedheid
verbond Nero eene ijdelheid, die aan waanzin grensde. Hij hield
zichzelven voor den eersten kunstenaar der wereld, en trok als
harpspeler en wagenmenner geheel Italië en Griekenland door om zich te
laten huldigen. Een groote brand in Rome zou hem aanleiding hebben
gegeven om van de tinne van zijn paleis af den brand van Troje te
bezingen. Toen zich daarop de haat van het volk ontwikkelde, schoof hij
de schuld van den brand op de christenen, die in Rome slechts weinig in
aanzien stonden, en begon de eerste christenvervolging. Vele aanhangers
van Jezus werden gekruisigd, andere door dieren verscheurd, nog anderen
verbrand. Toen eindelijk de eene stadhouder na den anderen oproerig
werd, vluchtte de laffe tyran op een landgoed, waar hij zich, om zijne
terechtstelling te ontgaan, door een vrijgelaten slaaf liet vermoorden.
Zijne laatste woorden zouden geweest zijn: "Ach, welk een kunstenaar
verliest de wereld in mij!"
2. Na Nero volgden in zeer korten tijd drie keizers, waarvan er geen een
natuurlijken dood stierf. De soldaten, die nu gewoonlijk den keizer
aanwezen, kregen eerst in +Vespasianus+ een geduchten heerscher, onder
wien weêr rust en orde heerschte. Van zijne oorlogen is ons met name die
met de Joden opmerkenswaardig. Dit volk was reeds dikwijls tegen de
Romeinen opgestaan, en was telkens eerst na veel bloedvergieten weêr
onderworpen. In Nero's tijd was andermaal een oproer ontstaan, en
Vespasianus, die toen nog generaal was, trok tegen Jeruzalem op, om de
stad te belegeren. Toen hij intusschen tot keizer werd uitgeroepen,
droeg hij de onderwerping der Joden aan zijn zoon +Titus+ op. Deze
betoonde zich een menschenvriend, en beproefde lang de Joden door
goedheid te winnen. Maar toen dat niets hielp, zette hij de belegering
van Jeruzalem met grooten ijver voort en tastte het eene deel der stad
na het andere aan. Daar zich hier wegens het paaschfeest eene groote
menigte menschen bevond, brak er een ontzettende hongersnood uit,
en daarop volgden verwoestende ziekten. Niettegenstaande dezen
verschrikkelijken nood waagde niemand in de stad van overgave te
spreken. Toen Titus het benedendeel van Jeruzalem stormenderhand genomen
had, deed hij nogmaals eene goedwillige poging, die weêr afgewezen werd.
Daarop veroverde hij den burg en den tempel, waar de Joden zich het
hardnekkigst hadden gehandhaafd. Ofschoon Titus den tempel sparen wilde,
werd dit prachtig gebouw toch in de woede van den strijd eene prooi der
vlammen. Er bleef geen steen op den anderen. De groote stad Jerusalem
zonk in asch. De inwoners werden gedood of tot gevangenen gemaakt. Men
schat het aantal der omgekomen en weggesleepte Joden op meer dan een
millioen. Het Israelietische volk verstrooide zich over den geheelen
aardbodem. Zijne heilige stad bleef onder vreemde heerschers. 70.
3. Titus regeerde maar twee jaren als keizer, en toonde zich gedurende
dien tijd zoo edel en wijs, dat men zijne vroegere gewelddadigheden en
buitensporigheden geheel vergat. Het Romeinsche volk noemde hem "de
vreugd en wellust van het menschelijk geslacht." -- Gedurende de
regeering van Titus, in 't jaar 79, had eene groote aardbeving plaats
met een hevige uitbraak van den vuurspuwenden berg Vesuvius (bij
Napels). Daardoor werden de steden Pompeji, Herculanum en Stabiae
bedolven, zoodat men haar spoor niet meer zag. Eerst voor 100 jaren
ontdekte men Herculanum en Pompeji weêr en begon men langzamerhand de
oude steden weêr op te graven. Toen vond men alles nog zoo als het
eenmaal begraven was, slechts was het door de heete asch verdroogd of
tot stof geworden. In de goed gebleven woningen vond men het huisraad,
de boeken, de spijzen op de tafel. Geraamten van menschen stonden en
zaten in de houding, waarin de dood hen overvallen had.
Na de aardbeving ontstond een hongersnood, die van ziekten vergezeld
was. Een groot gedeelte van Rome werd door een brand verwoest. Bij
deze ongelukken toonde Titus zich van de welwillendste zijde. Den dag,
waarop hij niets goeds gedaan had, hield hij voor verloren. Hij wilde
ook, dat niemand treurig van zijn troon wegging. Hoe jammer toch, dat
zulk eene goede regeering slechts twee jaar duurde! +Domitianus+, de
broeder van Titus, heerschte als een monster in alle ondeugden omtrent
15 jaar. Maar op hem volgden gelukkig verscheidene goede keizers.
4. +Trajanus+, een Spanjaard van geboorte, verwierf zich de liefde der
Romeinen in zoo groote mate, dat men hem den "besten" noemde, en dat men
nog 250 jaar na zijn' dood den nieuwgekozen keizer toeriep: "Heersch
gelukkig als Augustus, mild als Trajanus!" Overigens mag niet
onopgemerkt blijven, dat ook Trajanus de Christenen vervolgde. Zijn
opvolger +Hadrianus+ beminde den vrede, en bevorderde kunsten en
wetenschappen, maar toonde bij groote ijdelheid ook wreeden zin. Hij
bouwde de stad Hadrianopel (in het tegenwoordige Turkijë) en liet ook
Jerusalem weêr verrijzen. Toen hij echter hier aan den Romeinschen god
Jupiter liet offeren, werden de Joden oproerig, en er ontstond een
driejarige strijd, waarin ongeveer 500,000 man gedood werden. Daarbij
werd Jerusalem nogmaals de vernieling ten prooi, werd toen opnieuw
opgebouwd en voor elk Israëliet gesloten.
+Antoninus+, genaamd Pius d. i. de vrome, toonde zich gedurende zijne
lange regeering (138-161) een der beste keizers. Hij vermeed den oorlog,
terwijl hij den schoonen grondregel volgde: "Ik wil liever één burger
het leven behouden, dan duizend vijanden dooden." Hij verbreidde overal
geluk en zegen, en was zoo geacht, dat de verwijderdste volken hem als
hun scheidsrechter kozen. Eeuwen lang bleef zijn aandenken bij het volk
in gedachtenis. Verscheidene latere keizers voegden zich zijn naam toe,
om zich bemind te maken. Zijn pleegzoon +Marcus Aurelius+, ook Antoninus
genaamd, regeerde in denzelfden geest (161-180). Hij kreeg den bijnaam
"philosoof" d. i. wijsgeer[6], daar hij door eigene beschouwingen het
rechte inzicht over het leven in zijne menigvuldige betrekkingen zocht
te verkrijgen en te verbreiden. Ook onder dezen edelen keizer ontstond
echter helaas eene christenvervolging. Daarenboven werd de regeering van
Marcus Aurelius door den grooten krijg tegen de +Markomannen+, een
Duitschen volkenbond in het tegenwoordige Bohemen, zeer verontrust.
Veertien jaar lang streden de Romeinen tegen de geduchte vijanden, en
aan het einde daarvan zag men den vrede nog niet verzekerd. Marcus
Aurelius stierf te Vindobona, het tegenwoordige Weenen.
[6] Na de zeven wijzen van Griekenland (blz. 36), die allen
gelijktijdig leefden, 600 v. C., was dit woord ontstaan,
beteekenende vriend van, zoeker of strever naar wijsheid.
Pythagoras te Croton had het woord _philosophos_ in plaats van
_sophos_ (wijze) gesteld.
Op de glorierijke regeering der beide edele Antonijnen, volgde een tijd
van verval. +Commodus+, de dwaze zoon van den wijzen Marcus Aurelius,
regeerde zoo slecht, dat hij vermoord werd. De meeste Romeinsche keizers
van 't jaar 180 af waren boosaardige lieden, die oneindig veel jammer
over de menschheid brachten. Van hen heerschten er tot het jaar 300 niet
minder dan 36, van welken er 27 vermoord werden en drie in den krijg
vielen. Het leger stelde naar welgevallen keizers aan en af en doodde
de weinige beteren, die de poging waagden, de vervallen discipline te
herstellen. Bij deze soldatenheerschappij ging het rijk met snelle
schreden zijn ondergang te gemoet, te meer daar behalve bovengenoemden
zich nog verschillende andere bonden onder de Germaansche stammen
gevormd hadden ter verdediging tegen en ter bestoking van het Romeinsche
rijk. Zoo moest keizer +Aurelianus+ het door Trajanus veroverde Dacië
(275) aan de West-Gothen afstaan, een der weinige onder de Germaansche
stammen, die toen reeds het christendom aangenomen hadden. Hunne
voorouders hadden reeds eeuwen vóór onze jaartelling benoorden de Zwarte
zee gewoond en hadden daar een belangrijken stoot van de Grieksche (blz.
32) beschaving ondervonden. Zoo waren zij andere verwante stammen in
ontwikkeling ver vooruit, blijkbaar o. a. uit hunne taal, die ons bekend
is uit eene bijbeloverzetting van hun bisschop Ulfilas.