1. Caesar had den kleinzoon zijner zuster[5], +Octavianus+, tot zijn
hoofderfgenaam benoemd. Deze jongeling was juist in Klein-Azië, maar
liet zich spoedig in Rome vinden en gedroeg zich hier zoo sluw, dat hij
in korten tijd de gunsteling van senaat en volk werd. Intusschen gedroeg
Antonius zich steeds aanmatigender en overmoediger. Toen trad +Cicero+
op, een man van buitengewone redenaarsgaven, en donderde tegen Antonius,
als den gevaarlijksten vijand des vaderlands. Reeds 20 jaar vroeger had
hij den senaat de grootste diensten bewezen door 't verijdelen der
samenzwering van +Catilina+, die de heerschappij der optimaten wilde
breken. Nu rustte hij niet, vóór Antonius beoorloogd werd. Dit
geschiedde, en Antonius vluchtte naar Gallië, waar zijn trouwe aanhanger
+Lepidus+ hem nieuwe troepen toevoerde. Beiden rukten daarop
gemeenschappelijk tegen Octavianus op, die aan de spits van 't
Romeinsche leger stond. Bij Bologna zou de strijd beginnen. Maar
Octavianus had het anders besloten. Hij verzoende zich met Antonius en
Lepidus en vereenigde zich met hen, om de oude vrijheid te vernietigen
en het Romeinsche rijk te deelen. Dit verbond wordt het tweede
driemanschap genoemd. De drie verbondenen trokken naar Rome en begonnen
al hunne vijanden te verdelgen. Zoo keerden de schrikdagen van Marius
en Sulla terug. De aanzienlijkste en rijkste mannen werden vermoord,
op de hoofden der gevluchten hooge prijzen gesteld, de soldaten,
als voltrekkers der moordbevelen, rijk beloond. Onder de tallooze
ongelukkigen, die als offers van de heerschzucht der drie mannen vielen,
was ook Cicero, die eenmaal de burgerkroon verkregen en den eernaam
"Vader des Vaderlands" gedragen had. De wraakzuchtige Antonius liet hem
dooden, ofschoon Octavianus het verhinderen wilde.
[5] Genealogische tabellen no. 2.
Terwijl zulke gruwelen in en om Rome voorvielen, stonden Brutus en
Cassius, de stadhouders van Macedonië en Syrië, met hunne legers
gereed voor de republiek te strijden, d. w. z. voor het behoud der
senaatsmacht. Bij Philippi, in Macedonië, kwam het tot beslissing. De
aanhangers der oude vrijheid streden zoo dapper, dat hun zeker de
overwinning zou ten deel gevallen zijn. Maar toen Cassius, door een
valsch bericht misleid, zich in zijn zwaard stortte, bezweek eindelijk
ook Brutus en gaf zich, gelijk vele anderen, den dood. Zoo waren de
laatste steunen van den vrijstaat gebroken, en Rome had drie heeren, van
welken ieder naar de alleenheerschappij streefde. Toen de onbeduidende
Lepidus door zijn leger in Afrika verlaten werd, verdeelden Octavianus
en Antonius het Romeinsche rijk; de eerste nam de westelijke, de laatste
de oostelijke landen.
2. Terwijl Octavianus, in Rome zetelend, er op bedacht was, Antonius
spoedig van de heerschappij te verdringen, leefde deze zorgeloos aan het
schitterende hof der Egyptische koningin Cleopatra, schonk aan haar en
hare familie een groot gedeelte der Romeinsche provincie in Azië weg, en
verstiet eindelijk zijne deugdzame echtgenoote Octavia, de zuster van
Octavianus. Den slechten indruk, dien zulk eene vermetele handelwijze
bij de Romeinen teweeg bracht, maakte Octavianus zich ten nutte. Hij
bewerkte een senaatsbesluit, waarbij Antonius van zijne waardigheid
ontzet, en aan de Egyptische koningin Cleopatra de oorlog verklaard
werd. Toen verbond Antonius zich met Cleopatra, en beiden trokken
vereenigd tot den beslissenden strijd naar Griekenland. Toen echter in
den zeeslag bij kaap +Actium+ (west. van Hellas) de koningin Cleopatra
vluchtte 31, ging Antonius met haar naar Egypte terug en verliet zoo
zijn leger, dat na lang dralen tot den verwonderden Octavianus overliep.
Deze trok door Syrië naar Egypte en sloeg hier Antonius, die ook door
Cleopatra verlaten werd. Zij liet hem zeggen, dat zij gestorven was,
en bracht hem daardoor zoo in vertwijfeling, dat hij zich zelven
vermoordde. De arglistige koningin had gehoopt, Octavianus voor zich te
winnen. Toen dit echter vergeefsch was en zij nog vreesde in triomf
naar Rome gevoerd te worden, gaf zij zich zelf den dood, door -- zoo
verhaalt men -- eene vergiftige slang aan hare borst te zetten. Egypte
werd nu eene Romeinsche provincie.
Octavianus was na den val van Antonius alleenheerscher van het
monsterachtige Romeinsche rijk, en werd door den senaat met de hoogste
titels beschonken. Men gaf hem den bijnaam +Augustus+, d. i. de
verhevene of heilige, en droeg hem alle macht onbeperkt op. Octavianus
liet echter in schijn de oude waardigheden voortbestaan en toonde zich,
door het lot van Caesar gewaarschuwd, zeer ingetogen. Toch bezat hij
koninklijk aanzien, en werd naar zijn oudoom ook Caesar genoemd, in 't
Grieksch Kaisar, van waar ons woord keizer komt. Augustus was inderdaad
de eerste keizer; de republiek, hoewel hare vormen bleven, was in een
keizerrijk veranderd.
3. Onder de regeering van Augustus had Rome het hoogste toppunt zijner
macht bereikt. Het hoofdland, Italië, was maar een klein deel van het
Romeinsche rijk, dat zich over de drie toen bekende werelddeelen
uitstrekte, van de Atlantische zee tot aan den Eufraat, van den Rijn,
den Donau en de Zwarte zee tot aan de Afrikaansche en Arabische
woestijnen. In dezen wijden omvang lagen de schoonste landen der aarde,
o. a. Portugal en Spanje, Gallië (Frankrijk), Italië, Griekenland en
Macedonië, Klein-Azië, Syrië, Egypte en het Karthaagsche gebied. Op deze
groote vlakteruimte leefden ongeveer 120 millioen menschen, waarvan de
helft slaven waren. De grootste steden der toenmalige wereld waren
behalve Rome nog Alexandrië en Antiochië. Haar pracht en rijkdom waren
grootsch. In Rome waren 400 kostbare tempels, groote marktplaatsen,
prachtige schouwburgen en paleizen, zuilenhallen, triomfbogen en
dergelijke.
De Romeinen, door de vele burgeroorlogen verschrikt, herademden onder
de verstandige regeering van Augustus. Zeer ontwikkelden zich de
wetenschappen en kunsten, die vooral door Maecenas, den vriend en
raadsman van Augustus, bevorderd werden. De groote rijkdom, die in Rome
samenvloeide, veroorloofde een prachtig leven. De weelde van sommige
burgers ging boven alle beschrijving. Men richtte de duurste gastmalen
aan en tooide de woningen op de schitterendste wijze. Het aantal der
slaven was ongehoord. Benevens de groote pracht maakte zich echter ook
eene groote zedeloosheid baan. Het ontbrak aan ware beschaving, aan
echte menschelijkheid.
4. Te dier tijde werd echter in het Joodsche land, waar Romeinsche
stadhouders regeerden, +Jezus, de stichter van 't christendom+, geboren.
Met deze gebeurtenis, waarnaar wij den tijd berekenen, opent zich onder
de volken een nieuw leven, dat wij nog nauwkeuriger beschouwen zullen.
Met den opkomenden bloei van 't christendom valt het optreden der
+Duitschers+ of +Germanen+ samen, die van nu af met de Romeinen om de
wereldheerschappij strijden. Augustus had zijn stiefzoon +Drusus+ met
een groot leger naar Duitschland gezonden en hier tot menige verovering
den weg laten banen. Toen de dappere Drusus plotseling gestorven was,
volgde zijn broeder +Tiberius+ hem op, die meer door list dan door macht
slaagde. Het verst bracht het de Romeinsche stadhouder +Varus+, die
zonder schroom de Duitsche instellingen veranderde en geheel naar
willekeur te werk ging. Toen dit echter eenige jaren geduurd had,
verhief zich de vrijheidlievende geest der Duitschers, en een vorst van
hen, +Armin+ of +Herman+, verbrak het Romeinsche juk. Hij overwon Varus
in het +Teutoburgerwoud+ -- 9 na Chr. -- en werd zoo de bevrijder van
Duitschland. De tijding daarvan bracht in Rome de grootste verwarring te
weeg. Augustus riep in vertwijfeling uit: "Varus, Varus, geef mij mijne
legioenen terug!" en liep als razend rond. Alle Duitschers moesten Rome
verlaten, zelfs de Duitsche lijfwacht des keizers werd over de zee
gebracht. De schrik, dien eens de Cimbren en Teutonen verwekt hadden,
was weêr gekomen. Maar weldra bleek het, dat de Duitschers in de
grootste rust t'huis bleven.
5. Augustus had in zijn huiselijk leven veel ongeluk. Zijne dochter
Julia, zijn eenig kind, bezorgde hem door haar teugelloos leven veel
kommer. Toen hare beide zonen gestorven waren, leidde Augustus' derde
gemalin, de listige Livia, het daarheên, dat haar zoon Tiberius, de
bovengenoemde, een slecht mensch, tot keizer bestemd werd. Augustus
stierf in 't jaar 14 onzer jaartelling. Kort voor zijn dood zou hij tot
de omstaande vrienden gezegd hebben: "Applaudisseert, want ik heb mijne
rol goed gespeeld." Deze woorden geven juist het karakter van den koelen
man te kennen, die uit berekening eerst wreed, daarna zachtmoedig, maar
steeds valsch en huichelachtig was. Desniettemin werd hij onder de goden
opgenomen, en zelfs de laatste nakomelingen riepen elken nieuwen keizer
bij den aanvang zijner regeering toe: "Regeer gelukkig als Augustus!"