1. Toen de Romeinen benevens de buitenlandsche oorlogen ook den
verderfelijken burgerkrijg hadden, ontwikkelde zich een man, die in
geest en kracht alle anderen overtrof. Het was +Julius Caesar+, de
groote veldheer, staatsman en vriend der wetenschappen. Zijn vader was
vroeg gestorven, maar zijne voortreffelijke moeder Aurelia gaf hem
eene zeer goede opvoeding. Zij boezemde hem eene vriendelijkheid en
liefelijke spraakzaamheid in, die later hoog geroemd werd. Caesar had
een doordringend verstand, een zeer sterk geheugen en eene levendige
verbeeldingskracht, waarbij nog eene groote volharding kwam. In zijne
jeugd had hij een zwak lichaam en leed dikwijls aan ziekten; hij hield
zich echter door matigheid in eten en drinken gezond, en versterkte zich
weldra door lichamelijke oefeningen zoozeer, dat hij alle bezwaren van
den oorlog verdragen kon.
Door ongeëvenaarde eer- en heerschzucht gedreven, verstond hij het toch,
de grooten niet tegen zich in 't harnas te jagen, vóór hij geheel de
stem des volks gewonnen had. Hij leefde even verkwistend als Alcibiades,
maar besteedde wijselijk zijn vermogen ook, om de gunst zijner
medeburgers te verwerven. En dit gelukte hem spoedig en zoo, dat hij het
waagde, naar het ambt van opperpriester te dingen, dat anders alleen de
eerwaardigste en verdienstelijkste raadsheeren kregen. Zijne moeder
twijfelde aan den goeden uitslag. Maar Caesar ging naar de stemming en
keerde als hoogepriester terug. Het omkoopbare volk was tot alles te
bewegen.
2. Eenigen tijd daarna zou Caesar als stadhouder naar de provincie
Spanje gaan, maar zijne schuldeischers wilden hem niet uit Rome laten
trekken, want hij was hun 23 millioen schuldig. Toen won hij den rijken
+Crassus+ voor zich, dat deze borg voor hem bleef, en reisde daarop naar
Spanje, waar hij zich in korten tijd een ongehoord vermogen verwierf.
Na zijn terugkomst gedroeg Caesar zich reeds veel meer als heerscher, en
de grooten van Rome zagen met verwondering, met welke macht hij het volk
naar zijnen wil leidde. Het meest ontsteld was +Pompejus+, die tot op
dat oogenblik voor den grootsten en beroemdsten burger van zijn tijd
gold.
Pompejus had in drie werelddeelen te water en te land de belangrijkste
overwinningen behaald. Terwijl Sulla de volkspartij in Rome onderdrukte,
had Pompejus hetzelfde in Afrika gedaan, vervolgens in Spanje (72). Op
de terugkomst van hier bracht hij den strijd tegen de opgestane +slaven+
en +zwaardvechters+ ten einde, wier kracht reeds door Crassus gebroken
was. Daarna bedwong hij de +zeeroovers+, die in Cilicië en Creta
woonden, en maakte laatstgenoemd eiland tot wingewest. Van de andere
krijgstochten van Pompejus is vooral die naar Azië beroemd in den derden
oorlog tegen Mithradates (de tweede had weinig beduid). Nadat Lucullus,
de befaamde lekkerbek, dezen vorst op de vlucht had geslagen naar
Armenië, welks koning ook over Syrië heerschte, overwon Pompejus hem bij
den Eufraat, veroverde Syrië en maakte Palestina afhankelijk van Rome
(64). -- Toen echter de senaat draalde met het goedkeuren van Pompejus'
beschikkingen, sloot deze een verbond met Caesar en huwde diens dochter
Julia. Daar met Caesar reeds de rijke Crassus verbonden was, zoo was er
een driemanschap, triumviraat, ontstaan, waarnaar het Romeinsche volk
zich gemakkelijk voegde. Weldra kreeg Caesar het bestuur in Gallië,
d. w. Noord-Italië en Zuid-Oost-Frankrijk; Pompejus koos Spanje, maar
bleef rustig in Rome zitten; Crassus ging naar Azië.
In Gallië betoonde Caesar zich een groot veldheer. Binnen 10 jaren
heeft hij van uit het Zuid-Oosten van het tegenwoordig Frankrijk alle
Gallische volksstammen onderworpen, de Helvetiërs naar hun land terug,
en de Germanen, onder +Ariovistus+ den Gallen te hulp gekomen,
tengevolge van den slag bij Vesontio (Besançon) 58 over den Rijn
teruggedreven, zelfs het Germaansche land tusschen Gallië en den
beneden-Rijn veroverd en in 52 een algemeenen opstand der Galliërs
gedempt. Maar hij vermeed de duistere wouden van het oude Duitschland.
Zelf heeft hij ons zijne veldtochten zeer omstandig en fraai beschreven,
gelijk ook den volgenden burgeroorlog.
3. De overwinningen van Caesar maakten Pompejus ongerust, die sedert den
dood van Crassus in den strijd tegen de Parthen nog angstiger was. Met
den senaat in Rome beducht, dat de dappere Caesar met zijn volksaanhang
voor hunne heerschappij gevaarlijk kon worden, zonden zij dezen het
bevel, zijn leger af te danken en zijn proconsulaat neêr te leggen. Deed
hij zulks niet, dan zou hij voor een vijand van 't vaderland verklaard
worden. Toen Caesar dit bevel ontvangen had, besloot hij, zich te
verdedigen. Hij sprak met zijne soldaten en brak toen op naar Italië.
Aan de grensrivier van Cisalpijnsch Gallië en eigenlijk Italië gekomen,
zeide hij: "De teerling zij geworpen", en marcheerde naar Rome. Pompejus
had zich gevleid, dat hij legioenen uit de aarde stampen zou. Hij
vluchtte echter met een aantal senaatsleden voor Caesar naar
Griekenland. In korten tijd beheerschte Caesar geheel Italië. Hierop
sloeg hij het leger van Pompejus in Spanje en ging toen naar
Griekenland, waar hij zijn tegenstander bij +Pharsalus+ in Thessalië
overwon (48). De geslagene Pompejus vluchtte naar Egypte, maar werd
hier, alvorens te landen, door lieden van den Egyptischen koning
vermoord. Toen Caesar drie dagen later landde, vernam hij met smart
wat er gebeurd was, en strafte de moordenaars van zijn ongelukkigen
tegenstander. De heerschappij over Egypte viel aan 's konings zuster
+Cleopatra+ ten deel.
4. Na Pompejus' dood had Caesar nog menigen zwaren strijd te bestaan,
daar de aanhangers der republiek zich bij die van Pompejus aansloten
en zich ook de hulp van buitenlandsche vijanden ten nutte maakten.
Hij zegepraalde echter allerwege (in Afrika en Spanje) en kreeg de
heerschappij in Rome met steeds hoogere titels. Daar hij het volk groote
feesten gaf en zich voor elk vriendelijk betoonde, werd hem op allerlei
wijze hulde bewezen. Zijn geboortedag was een volksfeest; zijn beeld
stond op munten; zijn naam ter eer werd ook een maand +Julius+ genoemd;
ook noemde men den nieuwen kalender, dien Caesar liet vervaardigen, den
+Juliaanschen+. De senaat had den machtigen heerscher met een gouden
zetel en het purper vereerd. Nu scheen niets meer te ontbreken dan de
koninklijke kroon. En ook deze wilde men bewilligen. Maar het geschiedde
anders. Een aantal mannen, verbitterd over de verplaatsing der
heerschappij van den senaat op één persoon, zwoeren heimelijk samen om
Caesar te dooden. Aan het hoofd stonden +Brutus+ en +Cassius+. De 15de
Maart 44 werd tot Caesars doodsdag bestemd. Er was eene zitting beraamd,
die Caesar niettegenstaande alle waarschuwing bijwoonde. Toen werd hij
door de saamgezworenen omringd en neêrgestooten. Door 23 dolksteken
getroffen, viel Caesar aan den voet van een standbeeld van Pompejus dood
ter aarde.
Caesar was gevallen, maar zijne aanhangers bleven onversaagd. De consul
+Antonius+ bewerkte, dat den vermoorden ambtgenoot eene plechtige
begrafenis bereid werd. Met de grootste pracht werd de baar getooid, die
de raadsheeren droegen. Voorts hield Antonius de lijkrede en stelde de
verdiensten van Caesar met zoo groote welsprekendheid in het licht, dat
allen tot tranen geroerd werden. Hij toonde den mantel, met dolksteken
doorboord, en las een testament van Caesar voor, waarin geschreven
stond, dat elk Romeinsch burger een geschenk in geld bekomen zou, en dat
alle tuinen van Caesar aan het volk behoorden. Toen werden de smart en
de toorn algemeen. Men liep woedend door de straten en stak de huizen
der saamgezworenen in brand, die intusschen gevlucht waren. Een nieuwe
burgeroorlog was nabij.