20. Julius Caesar. -- 100-44.

1. Toen de Romeinen benevens de buitenlandsche oorlogen ook den

verderfelijken burgerkrijg hadden, ontwikkelde zich een man, die in

geest en kracht alle anderen overtrof. Het was +Julius Caesar+, de

groote veldheer, staatsman en vriend der wetenschappen. Zijn vader was

vroeg gestorven, maar zijne voortreffelijke moeder Aurelia gaf hem

eene zeer goede opvoeding. Zij boezemde hem eene vriendelijkheid en

liefelijke spraakzaamheid in, die later hoog geroemd werd. Caesar had

een doordringend verstand, een zeer sterk geheugen en eene levendige

verbeeldingskracht, waarbij nog eene groote volharding kwam. In zijne

jeugd had hij een zwak lichaam en leed dikwijls aan ziekten; hij hield

zich echter door matigheid in eten en drinken gezond, en versterkte zich

weldra door lichamelijke oefeningen zoozeer, dat hij alle bezwaren van

den oorlog verdragen kon.

Door ongeëvenaarde eer- en heerschzucht gedreven, verstond hij het toch,

de grooten niet tegen zich in 't harnas te jagen, vóór hij geheel de

stem des volks gewonnen had. Hij leefde even verkwistend als Alcibiades,

maar besteedde wijselijk zijn vermogen ook, om de gunst zijner

medeburgers te verwerven. En dit gelukte hem spoedig en zoo, dat hij het

waagde, naar het ambt van opperpriester te dingen, dat anders alleen de

eerwaardigste en verdienstelijkste raadsheeren kregen. Zijne moeder

twijfelde aan den goeden uitslag. Maar Caesar ging naar de stemming en

keerde als hoogepriester terug. Het omkoopbare volk was tot alles te

bewegen.

2. Eenigen tijd daarna zou Caesar als stadhouder naar de provincie

Spanje gaan, maar zijne schuldeischers wilden hem niet uit Rome laten

trekken, want hij was hun 23 millioen schuldig. Toen won hij den rijken

+Crassus+ voor zich, dat deze borg voor hem bleef, en reisde daarop naar

Spanje, waar hij zich in korten tijd een ongehoord vermogen verwierf.

Na zijn terugkomst gedroeg Caesar zich reeds veel meer als heerscher, en

de grooten van Rome zagen met verwondering, met welke macht hij het volk

naar zijnen wil leidde. Het meest ontsteld was +Pompejus+, die tot op

dat oogenblik voor den grootsten en beroemdsten burger van zijn tijd

gold.

Pompejus had in drie werelddeelen te water en te land de belangrijkste

overwinningen behaald. Terwijl Sulla de volkspartij in Rome onderdrukte,

had Pompejus hetzelfde in Afrika gedaan, vervolgens in Spanje (72). Op

de terugkomst van hier bracht hij den strijd tegen de opgestane +slaven+

en +zwaardvechters+ ten einde, wier kracht reeds door Crassus gebroken

was. Daarna bedwong hij de +zeeroovers+, die in Cilicië en Creta

woonden, en maakte laatstgenoemd eiland tot wingewest. Van de andere

krijgstochten van Pompejus is vooral die naar Azië beroemd in den derden

oorlog tegen Mithradates (de tweede had weinig beduid). Nadat Lucullus,

de befaamde lekkerbek, dezen vorst op de vlucht had geslagen naar

Armenië, welks koning ook over Syrië heerschte, overwon Pompejus hem bij

den Eufraat, veroverde Syrië en maakte Palestina afhankelijk van Rome

(64). -- Toen echter de senaat draalde met het goedkeuren van Pompejus'

beschikkingen, sloot deze een verbond met Caesar en huwde diens dochter

Julia. Daar met Caesar reeds de rijke Crassus verbonden was, zoo was er

een driemanschap, triumviraat, ontstaan, waarnaar het Romeinsche volk

zich gemakkelijk voegde. Weldra kreeg Caesar het bestuur in Gallië,

d. w. Noord-Italië en Zuid-Oost-Frankrijk; Pompejus koos Spanje, maar

bleef rustig in Rome zitten; Crassus ging naar Azië.

In Gallië betoonde Caesar zich een groot veldheer. Binnen 10 jaren

heeft hij van uit het Zuid-Oosten van het tegenwoordig Frankrijk alle

Gallische volksstammen onderworpen, de Helvetiërs naar hun land terug,

en de Germanen, onder +Ariovistus+ den Gallen te hulp gekomen,

tengevolge van den slag bij Vesontio (Besançon) 58 over den Rijn

teruggedreven, zelfs het Germaansche land tusschen Gallië en den

beneden-Rijn veroverd en in 52 een algemeenen opstand der Galliërs

gedempt. Maar hij vermeed de duistere wouden van het oude Duitschland.

Zelf heeft hij ons zijne veldtochten zeer omstandig en fraai beschreven,

gelijk ook den volgenden burgeroorlog.

3. De overwinningen van Caesar maakten Pompejus ongerust, die sedert den

dood van Crassus in den strijd tegen de Parthen nog angstiger was. Met

den senaat in Rome beducht, dat de dappere Caesar met zijn volksaanhang

voor hunne heerschappij gevaarlijk kon worden, zonden zij dezen het

bevel, zijn leger af te danken en zijn proconsulaat neêr te leggen. Deed

hij zulks niet, dan zou hij voor een vijand van 't vaderland verklaard

worden. Toen Caesar dit bevel ontvangen had, besloot hij, zich te

verdedigen. Hij sprak met zijne soldaten en brak toen op naar Italië.

Aan de grensrivier van Cisalpijnsch Gallië en eigenlijk Italië gekomen,

zeide hij: "De teerling zij geworpen", en marcheerde naar Rome. Pompejus

had zich gevleid, dat hij legioenen uit de aarde stampen zou. Hij

vluchtte echter met een aantal senaatsleden voor Caesar naar

Griekenland. In korten tijd beheerschte Caesar geheel Italië. Hierop

sloeg hij het leger van Pompejus in Spanje en ging toen naar

Griekenland, waar hij zijn tegenstander bij +Pharsalus+ in Thessalië

overwon (48). De geslagene Pompejus vluchtte naar Egypte, maar werd

hier, alvorens te landen, door lieden van den Egyptischen koning

vermoord. Toen Caesar drie dagen later landde, vernam hij met smart

wat er gebeurd was, en strafte de moordenaars van zijn ongelukkigen

tegenstander. De heerschappij over Egypte viel aan 's konings zuster

+Cleopatra+ ten deel.

4. Na Pompejus' dood had Caesar nog menigen zwaren strijd te bestaan,

daar de aanhangers der republiek zich bij die van Pompejus aansloten

en zich ook de hulp van buitenlandsche vijanden ten nutte maakten.

Hij zegepraalde echter allerwege (in Afrika en Spanje) en kreeg de

heerschappij in Rome met steeds hoogere titels. Daar hij het volk groote

feesten gaf en zich voor elk vriendelijk betoonde, werd hem op allerlei

wijze hulde bewezen. Zijn geboortedag was een volksfeest; zijn beeld

stond op munten; zijn naam ter eer werd ook een maand +Julius+ genoemd;

ook noemde men den nieuwen kalender, dien Caesar liet vervaardigen, den

+Juliaanschen+. De senaat had den machtigen heerscher met een gouden

zetel en het purper vereerd. Nu scheen niets meer te ontbreken dan de

koninklijke kroon. En ook deze wilde men bewilligen. Maar het geschiedde

anders. Een aantal mannen, verbitterd over de verplaatsing der

heerschappij van den senaat op één persoon, zwoeren heimelijk samen om

Caesar te dooden. Aan het hoofd stonden +Brutus+ en +Cassius+. De 15de

Maart 44 werd tot Caesars doodsdag bestemd. Er was eene zitting beraamd,

die Caesar niettegenstaande alle waarschuwing bijwoonde. Toen werd hij

door de saamgezworenen omringd en neêrgestooten. Door 23 dolksteken

getroffen, viel Caesar aan den voet van een standbeeld van Pompejus dood

ter aarde.

Caesar was gevallen, maar zijne aanhangers bleven onversaagd. De consul

+Antonius+ bewerkte, dat den vermoorden ambtgenoot eene plechtige

begrafenis bereid werd. Met de grootste pracht werd de baar getooid, die

de raadsheeren droegen. Voorts hield Antonius de lijkrede en stelde de

verdiensten van Caesar met zoo groote welsprekendheid in het licht, dat

allen tot tranen geroerd werden. Hij toonde den mantel, met dolksteken

doorboord, en las een testament van Caesar voor, waarin geschreven

stond, dat elk Romeinsch burger een geschenk in geld bekomen zou, en dat

alle tuinen van Caesar aan het volk behoorden. Toen werden de smart en

de toorn algemeen. Men liep woedend door de straten en stak de huizen

der saamgezworenen in brand, die intusschen gevlucht waren. Een nieuwe

burgeroorlog was nabij.

Algemeene Geschiedenis in Verhalen: Oudheid · 第 24 / 33 题