18. De Gracchen.

1. In Rome was langzamerhand het onderscheid tusschen patriciërs en

plebejers verdwenen; er had zich echter een nieuwe soort van adel

gevormd, die bestond uit de personen, die tot hooge ambten gekomen

waren. Deze lieden hadden ook het grootste gedeelte der veroverde

landerijen aan zich getrokken, die toch eigenlijk aan het volk

behoorden, daar zij door de legers aan de vreemde volken ontnomen

waren. Terwijl zoo de voornamen in rijkdom zwelgden, leefden de lagere

volksklassen in den grootsten nood. Zulk een treurige toestand maakte

de opmerkzaamheid gaande vooral van twee mannen, die tot de voornaamste

familiën behoorden. Het waren de beide broeders +Tiberius+ en +Cajus

Gracchus+. Hunne moeder +Cornelia+, eene dochter van Scipio, den

overwinnaar van Zama, was eene der beste vrouwen die Rome ooit zag. Zij

liet hare zonen door de voortreffelijkste leeraars onderwijzen en wendde

zorgvuldig alles aan, om ze tot brave mannen op te voeden. Toen eens in

een gezelschap door dames de prachtigste tooisels en sieraden getoond

werden en men Cornelia naar hare schatten vroeg, riep zij hare beide

zonen en zeide: "Hier zijn mijne eenige en grootste schatten!"

De broeders ontwikkelden zich verschillend, maar kwamen eindelijk op

ééne zelfde baan. Tiberius trad het eerst in 't openbaar op. Hij werd

tot volkstribuun, d. i. tot verdediger der volksrechten (blz. 67)

gekozen, en bewerkte, dat het volk zooveel mogelijk aandeel aan de

groote staatsgoederen kreeg. In het jaar 133 bracht hij eene meer dan

twee eeuwen oude, maar in onbruik geraakte akkerwet in werking, volgens

welke geen burger meer dan 500 morgen staatslanderijen bezitten mocht en

al het overige aan de arme familiën verdeeld moest worden. Het dankbare

volk wilde hem herkiezen, maar de edelen (nobiles) of senaatspartij, ook

wel optimaten geheeten, waren zoo verbolgen, dat zij geweld gebruikten

en hem met 300 burgers vermoordden. Daar zij den jongeren broeder,

Cajus, vreesden, zochten zij hem te verwijderen door hem een ambt in

Sardinië te geven. Dit hielp echter niet lang.

2. Cajus was een trotsch man van een heftig gemoed, en besloot het werk

zijns broeders te voltooien, hoewel zijne moeder hem gewaarschuwd had.

De nood des volks, dien hij diep doorzag, liet hem geen rust. Als hij

sprak, waren zijne stem en gebaren zoo machtig, dat hij allen roerde.

Als tribuun was hij werkzamer dan iemand vóór hem. Behalve de akkerwet

bracht hij nog andere wetten tot stand, waardoor het volk macht en

voordeel kreeg. In Italië liet hij groote en prachtige landwegen

aanleggen; in de veroverde landen stichtte hij nieuwe plaatsen, opdat de

arme burgers zich daar konden vestigen en den grond bebouwen. Terwijl

Cajus zich eens op een reis naar Afrika bevond tot stichting eener stad,

zetten de rijken al hunne macht in beweging, dat Cajus niet weêr tot

tribuun gekozen zou worden. Zij deelden geld uit, deden veel ten gevalle

van het volk, en verzekerden daarbij, dat zij het welzijn van het volk

betrachtten, maar Cajus zich tot tyran wilde maken en dat niemand zulks

mocht toestaan. Toen Cajus naar Rome terugkeerde, zag hij spoedig dat

zijne positie zeer moeielijk was. Op den verkiezingsdag kwam het tot een

strijd, waarin Cajus zich verloren zag. Om niet in de handen zijner

vijanden te vallen, liet hij zich door een slaaf doorsteken. Met hem

vielen nog meer dan 3000 burgers -- 121. -- Zoo waren de Gracchen,

de edelste volksvrienden, als offers van hun streven gevallen. Zij

bereikten de hooge doeleinden niet, die zij voor oogen hadden. Het volk

zag echter spoedig in, wat het aan de groote mannen bezeten had. Het

richtte hun standbeelden op en hield de plaatsen heilig, waar zij

gevallen waren. Ook aan hunne edele moeder werd een gedenkteeken gewijd,

waarop het eenvoudige, maar beteekenisvolle opschrift stond: +Cornelia,

moeder der Gracchen+.

Algemeene Geschiedenis in Verhalen: Oudheid · 第 22 / 33 题