1. In Rome was langzamerhand het onderscheid tusschen patriciërs en
plebejers verdwenen; er had zich echter een nieuwe soort van adel
gevormd, die bestond uit de personen, die tot hooge ambten gekomen
waren. Deze lieden hadden ook het grootste gedeelte der veroverde
landerijen aan zich getrokken, die toch eigenlijk aan het volk
behoorden, daar zij door de legers aan de vreemde volken ontnomen
waren. Terwijl zoo de voornamen in rijkdom zwelgden, leefden de lagere
volksklassen in den grootsten nood. Zulk een treurige toestand maakte
de opmerkzaamheid gaande vooral van twee mannen, die tot de voornaamste
familiën behoorden. Het waren de beide broeders +Tiberius+ en +Cajus
Gracchus+. Hunne moeder +Cornelia+, eene dochter van Scipio, den
overwinnaar van Zama, was eene der beste vrouwen die Rome ooit zag. Zij
liet hare zonen door de voortreffelijkste leeraars onderwijzen en wendde
zorgvuldig alles aan, om ze tot brave mannen op te voeden. Toen eens in
een gezelschap door dames de prachtigste tooisels en sieraden getoond
werden en men Cornelia naar hare schatten vroeg, riep zij hare beide
zonen en zeide: "Hier zijn mijne eenige en grootste schatten!"
De broeders ontwikkelden zich verschillend, maar kwamen eindelijk op
ééne zelfde baan. Tiberius trad het eerst in 't openbaar op. Hij werd
tot volkstribuun, d. i. tot verdediger der volksrechten (blz. 67)
gekozen, en bewerkte, dat het volk zooveel mogelijk aandeel aan de
groote staatsgoederen kreeg. In het jaar 133 bracht hij eene meer dan
twee eeuwen oude, maar in onbruik geraakte akkerwet in werking, volgens
welke geen burger meer dan 500 morgen staatslanderijen bezitten mocht en
al het overige aan de arme familiën verdeeld moest worden. Het dankbare
volk wilde hem herkiezen, maar de edelen (nobiles) of senaatspartij, ook
wel optimaten geheeten, waren zoo verbolgen, dat zij geweld gebruikten
en hem met 300 burgers vermoordden. Daar zij den jongeren broeder,
Cajus, vreesden, zochten zij hem te verwijderen door hem een ambt in
Sardinië te geven. Dit hielp echter niet lang.
2. Cajus was een trotsch man van een heftig gemoed, en besloot het werk
zijns broeders te voltooien, hoewel zijne moeder hem gewaarschuwd had.
De nood des volks, dien hij diep doorzag, liet hem geen rust. Als hij
sprak, waren zijne stem en gebaren zoo machtig, dat hij allen roerde.
Als tribuun was hij werkzamer dan iemand vóór hem. Behalve de akkerwet
bracht hij nog andere wetten tot stand, waardoor het volk macht en
voordeel kreeg. In Italië liet hij groote en prachtige landwegen
aanleggen; in de veroverde landen stichtte hij nieuwe plaatsen, opdat de
arme burgers zich daar konden vestigen en den grond bebouwen. Terwijl
Cajus zich eens op een reis naar Afrika bevond tot stichting eener stad,
zetten de rijken al hunne macht in beweging, dat Cajus niet weêr tot
tribuun gekozen zou worden. Zij deelden geld uit, deden veel ten gevalle
van het volk, en verzekerden daarbij, dat zij het welzijn van het volk
betrachtten, maar Cajus zich tot tyran wilde maken en dat niemand zulks
mocht toestaan. Toen Cajus naar Rome terugkeerde, zag hij spoedig dat
zijne positie zeer moeielijk was. Op den verkiezingsdag kwam het tot een
strijd, waarin Cajus zich verloren zag. Om niet in de handen zijner
vijanden te vallen, liet hij zich door een slaaf doorsteken. Met hem
vielen nog meer dan 3000 burgers -- 121. -- Zoo waren de Gracchen,
de edelste volksvrienden, als offers van hun streven gevallen. Zij
bereikten de hooge doeleinden niet, die zij voor oogen hadden. Het volk
zag echter spoedig in, wat het aan de groote mannen bezeten had. Het
richtte hun standbeelden op en hield de plaatsen heilig, waar zij
gevallen waren. Ook aan hunne edele moeder werd een gedenkteeken gewijd,
waarop het eenvoudige, maar beteekenisvolle opschrift stond: +Cornelia,
moeder der Gracchen+.