1. De rijkdom en macht van Karthago (blz. 25 en 26) maakte de ijverzucht
der Romeinen gaande, welke spoedig tot den krijg leidde. Daar de
Romeinen deze hunne vijanden Puniërs, d. i. Phoeniciërs noemden, worden
hunne oorlogen met de Karthagers als de +Punische+ aangeduid. Nog nooit
hadden de Romeinen anders dan te land gestreden, maar naar 't model van
een gestrand Karthaagsch schip worden schepen gebouwd, door middel van
enterbruggen de zeestrijd als in een landoorlog veranderd, 't grootste
gedeelte van 't Karthaagsch gebied op Sicilië veroverd, en de eerste
overwinning ter zee behaald 260. Nu wil de consul +Regulus+ den vijand
in diens eigen gebied bestoken, maar wordt geslagen en gevangen. Sedert
blijft de strijd weêr beperkt tot de zee en Sicilië, waar de Karthagers
nog een paar onneembare vestingen hadden. Maar de vredespartij in
Karthago stond ook deze liever af dan den strijd voort te zetten. In 240
eindigde de eerste Punische oorlog; de Karthagers ontruimden hun gebied
op Sicilië, dat het eerste Romeinsche wingewest (provincie) wordt.
Weldra verkrijgt Rome nu ook Sardinië, Corsica, Illyrië gedeeltelijk
en Cisalpijnsch Gallië. Maar ook Karthago zat niet stil; daar had eene
andere partij dan de bovengenoemde doorgezet schadevergoeding te zoeken
in Spanje, waar dan ook Hamilcar Barcas veel meer dan de helft van het
land veroverde. Zijn zoon +Hannibal+ had hij reeds als knaap meêgenomen
naar Spanje en een eeuwigen haat tegen de Romeinen doen zweren. En zeker
is nooit eenige eed ter wereld trouwer nagekomen dan deze. Toen de
zoon, eenigen tijd na 's vaders dood, het opperbevel kreeg, tastte hij
opzettelijk het met de Romeinen bevriende Saguntum (blz. 32) aan, en
gelijk enkelen waarschuwden, terwijl de senaat beraadslaagde, ging het
verloren.
2. Nu eischte Rome van Karthago de uitlevering van Hannibal, en toen
hieraan niet werd voldaan, wilde men hem in Spanje gaan beoorlogen en
stak daartoe over zee. Hij wachtte hen echter niet af, maar waagde
den stouten tocht over de Pyreneën, door Zuid-oost-Gallië en over de
Alpen. Geen wonder dat men den tweeden Punischen krijg naar hem den
Hannibalsoorlog (218-201) noemt. De Romeinen konden en wilden niet
gelooven, dat een tocht van Hannibal over de Alpen mogelijk geweest
was. Zij zagen het echter spoedig en rustten zich toe zoo goed zij
konden. Hannibal had zich door een bondgenootschap met de Galliërs in
Opper-Italië versterkt en sloeg de Romeinsche legers driemaal achter
elkander, steeds dieper in Italië doordringend. Toen vreesde Rome, dat
Hannibal voor de poorten zou verschijnen en de stad belegeren. Maar
hij trok Rome voorbij naar Apulië, en bracht daar den Romeinen bij
Cannae weêr zulk eene hevige nederlaag toe, als zij nog maar tweemaal,
laatstelijk ruim een eeuw geleden, ondergaan hadden. Een groot deel van
Zuid-Italië, Macedonië en Syracuse werden zijne bondgenooten.
Maar uit Karthago kreeg hij geen troepen en krijgsvoorraad genoeg, dat
was te kostbaar voor de vredespartij, en zijne oude troepen verslapten
door een te weelderig leven. Rome daarentegen spande zijne beste
krachten in en waagde een stouten slag. Terwijl zij Macedonië door
de Grieken lieten bezig houden, vermeden zij beslissende slagen in
Zuid-Italië, en gingen Syracuse zelf belegeren. Zij besteedden daaraan
3 jaren. In die stad leefde de beroemde wiskundige Archimedes, die de
verdediging tegen de Romeinen krachtig ondersteunde, daar hij machines
vervaardigde, waardoor steenen en vuurkogels geslingerd werden en
dergelijke. Maar de dapperste verdediging hielp de stad niet; zij moest
zich eindelijk overgeven. De Romeinsche veldheer had bevolen, bij de
bestorming van Syracuse, den wijzen Archimedes te sparen. Deze zat,
onbekommerd om hetgeen er om hem voorviel, in zijn huis, en teekende
figuren tot nieuwe uitvindingen in het zand. Toen drong een Romeinsch
soldaat binnen, die den grooten man niet kende. "O, veeg mijne cirkels
niet uit!" riep Archimedes den krijgsman toe. Maar deze versloeg hem.
3. Na den val der stad hadden de Romeinen geheel Sicilië in handen, en
konden nu hunne volle kracht tegen Karthago zelf richten. Reeds waren
zij het in Spanje gaan bestrijden, en van nu af werd dit door +Scipio+
met zoo goed gevolg voortgezet, dat weldra bijna dat gansche
schiereiland tot Romeinsche provincie (wingewest) werd. Hannibals
jongere broeder, die daar als bevelhebber was gebleven, had op zijn
broeders roepstem diens voetspoor gevolgd om hem in Zuid-Italië te gaan
bijstaan, maar was onderweg door de Romeinen geslagen en met zijn leger
vernield. Toen Hannibal dit vernam en het doodshoofd van zijn broeder
aanschouwde, riep hij weenend uit: "Wee, nu zie ik het lot van Karthago
naderen!"
En het naderde inderdaad, snel en zeker. Want de Romeinsche senaat had
Scipio, wiens taak in Spanje zoo schitterend voltooid was, tot proconsul
van Sicilië benoemd. En deze bestond op nieuw, wat een halve eeuw te
voren aan Regulus mislukt was, den oorlog naar Afrika over te brengen,
en dat, terwijl Hannibal nog in Zuid-Italië gelegerd was. Te laat zagen
de Karthagers hunne tweede groote fout in, die van dezen grooten man
niet naar behooren gesteund te hebben. Men zocht hem aan tot de leiding
der verdediging van het vaderland, voor welks belang hij 36 jaar buiten
af, de laatste 16 in Italië gekampt had, te weinig gesteund. En hij
verloochende de liefde voor Karthago, den haat tegen Rome niet. Bij
Zama, vijf dagreizen van Karthago, stiet hij op het Romeinsche leger. De
groote beteekenis daarvan werd door Hannibal dadelijk begrepen, zoodat
hij besloot, met Scipio te onderhandelen. Op een heuvel tusschen de
beide legerplaatsen ontmoetten elkaâr de beide grootste veldheeren
van hun tijd. Eene wijl stonden zij zwijgend tegenover elkander, Scipio
in den bloei des levens en in den zonneglans van het geluk, Hannibal
reeds verouderend en door tegenspoed ter neêr gedrukt. Toen ried
Hannibal tot den vrede, terwijl hij zijn tegenstander aan de mogelijke
wisseling van het geluk herinnerde, en bood hem als prijs van den vrede
den afstand van Spanje en alle eilanden in de Middellandsche zee. Scipio
echter eischte in het trotsche voorgevoel der zege onvoorwaardelijke
onderwerping. Toen brak Hannibal de onderhandeling af en de strijd
begon, die het lot van Karthago besliste. De Romeinen overwonnen en
stelden harde vredesvoorwaarden: Karthago verloor alle bezittingen
buiten Afrika, het moest alle schepen op tien na uitleveren, beloven
geen oorlog te voeren zonder toestemming der Romeinen, en eene groote
som als vergoeding van oorlogskosten betalen, in 50 termijnen van even
zooveel jaren. Hoeveel gemakkelijker dit nu ook is dan eene groote som
in eens af te doen, het is voor een staat des te meer vernederend, want
door de verplichting dier jaarlijksche bijdrage gedurende een halve eeuw
werd Karthago als 't ware cijnsbaar aan Rome, welks wereldheerschappij
in 't westen reeds nu gevestigd was. 200.
4. De diepe vernedering van Karthago deed Hannibal niet inslapen. Hij
bevorderde door uitmuntende verordeningen de welvaart zijner vaderstad
en werkte ook naar buiten, daar hij den Romeinen in den Syrischen
(blz. 65 en 66) koning Antiochus III den Grooten een machtigen vijand
verwekte. Toen dit den Romeinen bekend werd, eischten zij van de
Karthagers de uitlevering van Hannibal, en dezen bleef niets over, dan
zijn vaderland te verlaten. Hij begaf zich naar Antiochus, die echter
ook door de Romeinen overwonnen werd (190), en Hannibal moest naar
Klein-Azië vluchten. Maar ook daar vonden hem zijne onverzoenlijke
vijanden. Toen Hannibal zag, dat hij niet meer ontvluchten kon, nam
hij vergif, dat hij reeds lang bij zich gedragen had, en stierf in
den leeftijd van 64 jaren. Zoo was het uiteinde van een der grootste
veldheeren der oudheid. Gelijk de Romeinen op Syrië overwonnen, zoo
straften zij ook Macedonië voor zijn verbond met Hannibal na den slag
bij Cannae (blz. 74). Herhaaldelijk geslagen, kwam het land eerst onder
Romeinschen invloed, en werd vervolgens, evenals Illyrië en Epirus, als
wingewest ingelijfd.
5. Even vóórdat dit voltooid was, had men den derden Punischen oorlog
aangevangen (149). Want de Romeinen vreesden Karthago, ook na zijn
diepen val. Een oud raadsheer, Cato, sloot elke rede die hij in den
senaat hield, met de woorden: "Overigens ben ik van meening, dat
Karthago moet verwoest worden." Daar de wensch van Cato ook het
verlangen der Romeinen was, liet zich een voorwendsel tot den oorlog
licht vinden. Men handelde met afschuwelijke arglist. De Karthagers
moesten eerst wegens een teruggeslagen aanval van roofzieke naburen 300
voorname jongelingen uitleveren. Daarop verlangde men alle schepen,
wapens en krijgsgereedschap. Toen ook dit met weemoed was toegestaan,
gaf men den Karthagers bevel, hunne stad te verlaten, deze te verwoesten
en zich eenige mijlen van de kust nieuwe hutten te bouwen. Ontzettende
eisch! De Karthagers geraakten in woede en vertwijfeling en zwoeren zich
liever met hunne stad te laten begraven, dan zelf haar te vernietigen.
Zij ontwikkelden een ijver, als nauwelijks ooit gezien was. -- Een klein
deel daarvan zou eens Hannibal de overwinning verschaft hebben. -- Maar
het was te laat! Nadat de Romeinen Karthago twee jaar lang belegerd
hadden, verscheen de kleinzoon[4] van Scipio, die ruim een halve eeuw
geleden den tweeden Punischen oorlog ten einde gebracht had, en drong
met eene vreeselijke bestorming in de stad. Wat hier het zwaard en het
vuur gewoed hebben, dat laat zich niet beschrijven. 17 dagen duurde de
brand, en toen er geen ontkomen meer mogelijk was, wierp de bevolking
zich liever in de vlammen dan in de handen der vijanden te vallen. En
ook tegen de puinhoopen nog woedde de Romeinsche haat. Eene diepe voor
werd gegraven en hierin zout gestrooid, als teeken van onvruchtbaarheid,
waartoe men de plek doemde, terwijl het geheele gebied onder den naam
Afrika Romeinsch wingewest werd 146. In hetzelfde jaar verwoestten de
Romeinen ook de fraaie stad Korinthe, en maakten daarmeê Griekenland,
waarvan zij het deel Hellas of het Aetolisch verbond (de Peloponnesus
vormde het Achaeïsch verbond) reeds ingelijfd hadden, geheel tot
Romeinsche provincie. Vele Grieken kwamen toen gedwongen of vrijwillig
naar Rome en brachten hun barbaarschen overwinnaars de fijne helleensche
beschaving mede, die thans nog meer bewonderd wordt dan alle krijgsdaden
der Romeinen.
[4] Eigenlijk in de familie opgenomen, want hij was door een
zoon van Scipio, bij ontstentenis van mannelijk oir, volgens
Romeinsch gebruik, als zoon aangenomen, waarbij dan ook de naam
overging. Zie Bewerkers geslachtstabellen no. 1.