1. Nog hadden de Romeinen een geduchten nabuur te bestrijden, de
+Samnieten+, in Samnium, oostelijk van Etrurië. In den tweeden oorlog
tegen hen leden zij eene even geduchte nederlaag als de Galliërs hun
70 jaar vroeger hadden toegebracht; het Romeinsche leger moest de
vernedering lijden van onder 't vijandelijk juk door te gaan. Maar
weldra herstelde zich Rome en 30 jaar later was Samnium geheel
onderworpen, en daarmeê geheel Midden-Italië. Nu richtten zij hunne
blikken begeerig naar Beneden-Italië of Groot-Griekenland, waar zich
spoedig eene gelegenheid tot strijden aanbood. De machtige stad Tarente
had Romeinsche schepen den toegang tot haar haven geweigerd, wat zeer
gegrond was. Toen nu de Romeinen, die strijd zochten, den oorlog
begonnen, riepen de Tarentijnen +Pyrrhus+, koning van +Epirus+, bij
Macedonië, te hulp. Deze vorst had zich Alexander tot voorbeeld gesteld
en was een voortreffelijk veldheer met een wel toegerust leger. Hij
hielp de bevriende Grieken gaarne en verscheen ras met 25000 man,
waarbij nog 20 afgerichte olifanten kwamen, die houten torentjes met
soldaten droegen en zelf geducht streden. De Romeinen wisten geen middel
om deze dieren te bestrijden, waarop zij volstrekt niet voorbereid
waren. Zij werden geslagen 280, maar hadden zoo dapper gestreden, dat
Pyrrhus vol bewondering uitriep: "Met zulke soldaten zou ik de geheele
wereld veroveren".
2. Om de gevangenen te bevrijden, zonden de Romeinen den ouden,
eerwaardigen senator Fabricius naar Pyrrhus. Daar de koning wist, hoe
groot het aanzien van den bescheiden, maar niet rijken, man was, zocht
hij hem te winnen om door hem den vrede te bewerken, dien hij dringend
wenschte. Hij bood hem als teeken zijner hoogachting rijke geschenken
aan, maar te vergeefs. Fabricius verklaarde: "Ik behoef geen geld. Mijn
geluk bestaat in de achting mijner medeburgers." Den volgenden morgen
wilde de koning de onverschrokkenheid van Fabricius op de proef stellen.
Hij liet achter het gordijn zijner tent een olifant plaatsen, en zorgde,
dat Fabricius vlak daarvóór zat. Toen het gesprek afgeloopen was, vloog
het gordijn in de hoogte, en de olifant strekte brullend zijn snuit
over Fabricius uit. Deze bleef echter heel rustig en zeide lachend tot
Pyrrhus: "Even weinig als gisteren uw geld mij bekoorde, even weinig
verschrikt mij heden uw olifant. Wij zullen niet over den vrede
onderhandelen, vóór gij Italië ontruimd hebt."
In het volgende jaar kwam het nogmaals tot een treffen, waarbij de
Romeinen weêr het onderspit dolven, maar Pyrrhus zooveel man verloor,
dat hij zou hebben uitgeroepen: "Nog één zoodanige zegepraal, en ik
ben verloren." Nu kreeg Fabricius het opperbevel bij de Romeinen, en
betoonde zich op nieuw als een man van eer. Hij kreeg een brief van
Pyrrhus' lijfarts, waarin deze aanbood tegen eene belooning zijn koning
te vergiftigen en zoo de Romeinen van hun gevaarlijksten vijand te
bevrijden. Fabricius zond den brief aan Pyrrhus, opdat deze tegen het
verraad van zijn arts op zijne hoede zou kunnen zijn. Toen riep de
koning: "Het is lichter de zon uit hare baan, dan Fabricius van het
pad van deugd en rechtschapenheid af te brengen." Hij liet daarop den
trouweloozen arts straffen en gaf uit dankbaarheid alle gevangene
Romeinen zonder losgeld terug, terwijl hij bij herhaling den vrede
aanbood. Maar de Romeinen zonden voor de uitgeleverde gevangenen even
zoo veel Grieken terug en lieten zich tot geene vredesonderhandeling in.
Daarop trok Pyrrhus naar Sicilië, waar hij met geluk tegen de Karthagers
streed. Naar Beneden-Italië teruggekeerd, raakte hij nogmaals met de
Romeinen slaags, die hem nu overwonnen. Zij hadden namelijk bedacht, de
olifanten van Pyrrhus door pektoortsen en geschreeuw in verwarring te
brengen, en dat was voor het leger der Grieken verderfelijk. Pyrrhus
ijlde naar Epirus terug, en de Romeinen bezetten Tarente en geheel
Groot-Griekenland, dus het gansche schiereiland. Dit feit was voor de
Romeinsche ontwikkeling van zeer veel belang. De kostbare kunstwerken,
die men uit de veroverde steden naar Rome bracht, dienden tot vormende
modellen. De krijgshaftige Romeinen leerden nu Grieksche beschaving en
zeden kennen.