15. De oude Romeinen.

1. De stad +Rome+ ontstond in Latium, midden in het schoone schiereiland

Italië, als noordelijkste stad in dat landschap en misschien ook wel

als vesting tegen de naburige Etruriërs. Het tijdstip van de stichting

der stad is hoogst onzeker, maar was volgens de legende 753 v. C., met

welk jaar hunne tijdrekening aanvangt. Als stichter en eersten koning

wordt eveneens door de legende +Romulus+ genoemd, van wien vele sagen

in omloop waren. Hij zou evenals Kores door een herder van den dood

gered zijn en met zijn broeder Remus een koning verdreven hebben

en dergelijke. Van zijne opvolgers wordt +Numa Pompilius+ geroemd,

die evenals de Spartaansche Lycurgus wijze wetten gegeven had. De

koningen werden gekozen door eene volksvergadering van aanzienlijken,

+patriciërs+. Behalve dezen spreekt de overlevering nog van vijf

koningen, waarvan de beide laatsten waren +Servius Tullius+ en

+Tarquinius Superbus+ d. i. de overmoedige of trotsche. Eerstgenoemde

verdeelde het volk in centuriën, waaruit later eene nieuwe

volksvergadering ontstond, laatstgenoemde maakte zich wreed en

willekeurig van den troon meester, en verbitterde de patriciërs tegen

zich. Het gevolg was, dat dezen hem verdreven 509. Daarop werd het

koningschap afgeschaft, en een republiek ingesteld. De vergadering der

centuriën werd de zetel van 't hoogste gezag; daar werd over oorlog en

vrede, evenals over hooge aangelegenheden, beslist; daar werden uit de

patriciërs de +consuls+ benoemd. Dit waren de hoogste staatsambtenaren,

ten getale van twee, voor één jaar gekozen. Zij werden bijgestaan door

eene raadgevende vergadering, de +senaat+, van 300 patricische leden,

die ook aandeel aan 't uitvoerend bewind had. Was b. v. door de

vergadering der centuriën tot oorlog besloten, dan regelde de senaat

het plan voor den veldtocht, benoemde de officieren van hoogeren en

lageren rang, en dergelijke. In den eersten tijd had de lagere

volksklasse, de +plebejers+, geen aandeel aan 't bewind. Eerst

langzamerhand hebben zij zich gelijke rechten als de patriciërs

verworven. Het eerste daarvan was verdedigers, volkstribunen, te

hebben -- 494, een der belangrijkste, dat een der beide consuls uit

hunne klasse moest zijn -- 367, en het meest omvattende, dat de

besluiten hunner vergadering kracht van wet hadden, zonder nadere

bekrachtiging te behoeven, 287.

De Romeinen waren zeer krijgshaftig gezind en streden van 't begin af

met de omwonende volken. In vredestijden dreven zij den veldbouw, die

hoog geschat werd. Hun voedsel en kleeding waren zeer eenvoudig. Hunne

taal heet de +Latijnsche+, naar het landschap Latium, waar de Latijnen

woonden. De Romeinsche opvoeding was zeer streng. De vader had macht

over leven en dood zijner kinderen, en kon ze als slaven verkoopen.

De slavernij was bij de Romeinen zeer hard en zeer algemeen. Het

beroepswezen was veracht. De +Romeinen+ stonden derhalve bij de

+Grieken+ zeer ten achter. Ook duurde het lang, eer zich bij hen de

dichtkunst en de godsdienst ontwikkelde. Bij de openbare schouwspelen

werden dikwijls dierenjachten opgevoerd, die afschuwelijk waren.

2. Van de overige volken van midden-Italië traden vooral de Etruriërs

of +Etruscen+ op den voorgrond. Zij onderscheidden zich door

kunstvaardigheid, daar zij eigenaardige bouw- en beeldwerken

vervaardigden, vooral in leem, die nog heden de bewondering opwekken.

De zuidelijkste stad in hun uitgestrekt landschap was Veji, dat aan den

rechteroever van den Tiber lag. Daar de Romeinen sedert oude tijden met

deze stad in vijandschap leefden, belegerden zij haar omstreeks 400, en

rustten niet vóór zij ze veroverden. In dezen strijd, die 10 jaar zou

geduurd hebben, onderscheidde zich de veldheer Camillus, die een grooten

triomftocht in Rome hield. Maar toen hij belasterd werd en de volksgunst

verloor, ging hij vrijwillig in ballingschap, waaruit hij echter

spoedig teruggeroepen werd.

De +Galliërs+, uit het tegenwoordige Frankrijk stammend, hadden zich in

opper-Italië gevestigd, van waar zij later naar het zuiden voortdrongen

en algemeenen schrik verwekten. De Romeinen zonden daarop een

gezantschap aan den Gallischen aanvoerder +Brennus+, en lieten hem

vragen, met welk recht hij in 't gebied van vrije mannen viel. Toen

antwoordde de trotsche man: "Het recht rust op de spits van onze

zwaarden; aan de dapperen behoort de wereld." Over zoodanig antwoord

verontrust, verhieven de Romeinen zich tot den strijd. Zij werden echter

geslagen, 390, en de Galliërs togen naar Rome. Hier vonden zij eene

ledige stad, want de Romeinen waren deels in naburige plaatsen, deels

op den burg der stad, het kapitool, gevloden. Slechts tachtig oude

senatoren waren achtergebleven. Dezen werden door de Galliërs verslagen

en de geheele stad verwoest.

Na eene vergeefsche bestorming van het kapitool liet Brennus het

insluiten om het uit te hongeren. Gedurende dezen tijd zouden de

Galliërs eens bijna den burg bestegen hebben. Maar toen hieven, zoo

verhaalt men, de ganzen, die op het kapitool gehouden werden ter eere

der godin Juno, zulk een gesnater aan, dat de Romeinen ontwaakten en de

vijanden verdreven. Nadat de belegering reeds zeven maanden geduurd had,

begon men te onderhandelen. De Galliërs waren daartoe genegen, omdat zij

van buiten aangevallen werden, vooral door Camillus, die zijne vaderstad

weêr in den nood bijstond. Brennus beloofde, het land te ontruimen, als

hij 1000 pond goud kreeg. Het werd bewilligd. Bij het afwegen gebruikten

de Galliërs echter valsche gewichten, en toen de Romeinen zich daarover

beklaagden, wierp Brennus nog zijn geducht zwaard in de schaal en riep

honend: "Wee den overwonnelingen!" In dit oogenblik verscheen echter

Camillus met zijn leger, verklaarde echter het verdrag met Brennus voor

ongeldig, en begon een strijd, waarbij de Galliërs geslagen werden.

Toen de Romeinen hunne oude stad niet weêr wilden opbouwen, drong

Camillus er op aan, dat niemand zou uitwijken, en zoo verrees spoedig

een nieuw Rome uit het puin, als een phoenix uit zijn asch. De dankbare

Romeinen noemden Camillus den tweeden Romulus, den redder en vader des

vaderlands.

Algemeene Geschiedenis in Verhalen: Oudheid · 第 19 / 33 题