1. De stad +Rome+ ontstond in Latium, midden in het schoone schiereiland
Italië, als noordelijkste stad in dat landschap en misschien ook wel
als vesting tegen de naburige Etruriërs. Het tijdstip van de stichting
der stad is hoogst onzeker, maar was volgens de legende 753 v. C., met
welk jaar hunne tijdrekening aanvangt. Als stichter en eersten koning
wordt eveneens door de legende +Romulus+ genoemd, van wien vele sagen
in omloop waren. Hij zou evenals Kores door een herder van den dood
gered zijn en met zijn broeder Remus een koning verdreven hebben
en dergelijke. Van zijne opvolgers wordt +Numa Pompilius+ geroemd,
die evenals de Spartaansche Lycurgus wijze wetten gegeven had. De
koningen werden gekozen door eene volksvergadering van aanzienlijken,
+patriciërs+. Behalve dezen spreekt de overlevering nog van vijf
koningen, waarvan de beide laatsten waren +Servius Tullius+ en
+Tarquinius Superbus+ d. i. de overmoedige of trotsche. Eerstgenoemde
verdeelde het volk in centuriën, waaruit later eene nieuwe
volksvergadering ontstond, laatstgenoemde maakte zich wreed en
willekeurig van den troon meester, en verbitterde de patriciërs tegen
zich. Het gevolg was, dat dezen hem verdreven 509. Daarop werd het
koningschap afgeschaft, en een republiek ingesteld. De vergadering der
centuriën werd de zetel van 't hoogste gezag; daar werd over oorlog en
vrede, evenals over hooge aangelegenheden, beslist; daar werden uit de
patriciërs de +consuls+ benoemd. Dit waren de hoogste staatsambtenaren,
ten getale van twee, voor één jaar gekozen. Zij werden bijgestaan door
eene raadgevende vergadering, de +senaat+, van 300 patricische leden,
die ook aandeel aan 't uitvoerend bewind had. Was b. v. door de
vergadering der centuriën tot oorlog besloten, dan regelde de senaat
het plan voor den veldtocht, benoemde de officieren van hoogeren en
lageren rang, en dergelijke. In den eersten tijd had de lagere
volksklasse, de +plebejers+, geen aandeel aan 't bewind. Eerst
langzamerhand hebben zij zich gelijke rechten als de patriciërs
verworven. Het eerste daarvan was verdedigers, volkstribunen, te
hebben -- 494, een der belangrijkste, dat een der beide consuls uit
hunne klasse moest zijn -- 367, en het meest omvattende, dat de
besluiten hunner vergadering kracht van wet hadden, zonder nadere
bekrachtiging te behoeven, 287.
De Romeinen waren zeer krijgshaftig gezind en streden van 't begin af
met de omwonende volken. In vredestijden dreven zij den veldbouw, die
hoog geschat werd. Hun voedsel en kleeding waren zeer eenvoudig. Hunne
taal heet de +Latijnsche+, naar het landschap Latium, waar de Latijnen
woonden. De Romeinsche opvoeding was zeer streng. De vader had macht
over leven en dood zijner kinderen, en kon ze als slaven verkoopen.
De slavernij was bij de Romeinen zeer hard en zeer algemeen. Het
beroepswezen was veracht. De +Romeinen+ stonden derhalve bij de
+Grieken+ zeer ten achter. Ook duurde het lang, eer zich bij hen de
dichtkunst en de godsdienst ontwikkelde. Bij de openbare schouwspelen
werden dikwijls dierenjachten opgevoerd, die afschuwelijk waren.
2. Van de overige volken van midden-Italië traden vooral de Etruriërs
of +Etruscen+ op den voorgrond. Zij onderscheidden zich door
kunstvaardigheid, daar zij eigenaardige bouw- en beeldwerken
vervaardigden, vooral in leem, die nog heden de bewondering opwekken.
De zuidelijkste stad in hun uitgestrekt landschap was Veji, dat aan den
rechteroever van den Tiber lag. Daar de Romeinen sedert oude tijden met
deze stad in vijandschap leefden, belegerden zij haar omstreeks 400, en
rustten niet vóór zij ze veroverden. In dezen strijd, die 10 jaar zou
geduurd hebben, onderscheidde zich de veldheer Camillus, die een grooten
triomftocht in Rome hield. Maar toen hij belasterd werd en de volksgunst
verloor, ging hij vrijwillig in ballingschap, waaruit hij echter
spoedig teruggeroepen werd.
De +Galliërs+, uit het tegenwoordige Frankrijk stammend, hadden zich in
opper-Italië gevestigd, van waar zij later naar het zuiden voortdrongen
en algemeenen schrik verwekten. De Romeinen zonden daarop een
gezantschap aan den Gallischen aanvoerder +Brennus+, en lieten hem
vragen, met welk recht hij in 't gebied van vrije mannen viel. Toen
antwoordde de trotsche man: "Het recht rust op de spits van onze
zwaarden; aan de dapperen behoort de wereld." Over zoodanig antwoord
verontrust, verhieven de Romeinen zich tot den strijd. Zij werden echter
geslagen, 390, en de Galliërs togen naar Rome. Hier vonden zij eene
ledige stad, want de Romeinen waren deels in naburige plaatsen, deels
op den burg der stad, het kapitool, gevloden. Slechts tachtig oude
senatoren waren achtergebleven. Dezen werden door de Galliërs verslagen
en de geheele stad verwoest.
Na eene vergeefsche bestorming van het kapitool liet Brennus het
insluiten om het uit te hongeren. Gedurende dezen tijd zouden de
Galliërs eens bijna den burg bestegen hebben. Maar toen hieven, zoo
verhaalt men, de ganzen, die op het kapitool gehouden werden ter eere
der godin Juno, zulk een gesnater aan, dat de Romeinen ontwaakten en de
vijanden verdreven. Nadat de belegering reeds zeven maanden geduurd had,
begon men te onderhandelen. De Galliërs waren daartoe genegen, omdat zij
van buiten aangevallen werden, vooral door Camillus, die zijne vaderstad
weêr in den nood bijstond. Brennus beloofde, het land te ontruimen, als
hij 1000 pond goud kreeg. Het werd bewilligd. Bij het afwegen gebruikten
de Galliërs echter valsche gewichten, en toen de Romeinen zich daarover
beklaagden, wierp Brennus nog zijn geducht zwaard in de schaal en riep
honend: "Wee den overwonnelingen!" In dit oogenblik verscheen echter
Camillus met zijn leger, verklaarde echter het verdrag met Brennus voor
ongeldig, en begon een strijd, waarbij de Galliërs geslagen werden.
Toen de Romeinen hunne oude stad niet weêr wilden opbouwen, drong
Camillus er op aan, dat niemand zou uitwijken, en zoo verrees spoedig
een nieuw Rome uit het puin, als een phoenix uit zijn asch. De dankbare
Romeinen noemden Camillus den tweeden Romulus, den redder en vader des
vaderlands.