1. Terwijl de Grieken zich door hun binnenlandsche oorlogen altijd
meer verzwakten, kwam er hoog uit het Noorden een zwaar onweder op hen
aanzetten. Daar had zich aan de grens van Griekenland uit een zeer
kleinen oorsprong het koninkrijk Macedonië gevormd, dat onder Philips II
belangrijke macht verkreeg. Deze werkzame en sluwe vorst, die in Thebe
bij Epaminondas opgevoed was, kende de Grieksche omstandigheden zoo
goed, dat hij zich spoedig de opperheerschappij in Griekenland verwierf.
Vergeefs had de beroemde redenaar +Demosthenes+ te Athene op het gevaar
gewezen, dat van Macedonië dreigde; de Grieken streden te laat: Philips
was overwinnaar; hij behandelde echter de overwonnenen met veel
verschooning en liet hun veel vrijheid. Hij bracht het zoover, dat de
Grieken hem in een tocht tegen de Perzen wilden vergezellen en reeds
dacht hij op te trekken, toen hij plotseling bij het bruiloftsfeest
zijner dochter vermoord werd. Voor zijn zoon Alexander was het weggelegd
het aangevangen werk te voltooien. Alexander bezat groote bekwaamheden
en had het geluk door den beroemdsten geleerde van Griekenland, door
+Aristoteles+, opgevoed te worden. Deze wijze behoorde tot de grootste
geesten, die ooit op de aarde woonden. Wat hij nagevorscht en onderwezen
heeft, is voor de menschheid een groote zegen geweest. Of hij veel
van den oorlogzuchtigen zin van zijn kweekeling hield, is zeer te
betwijfelen, maar zeker is het, dat de ijver van Alexander om de
wetenschap te bevorderen door het verkeer met Aristoteles gewekt werd.
Wat echter bij Alexander reeds in zijn vroege jeugd te voorschijn trad,
dat was de zucht tot strijden en tot veroveren. Het liefste hoorde hij
verhalen van de oude krijgshelden. Hoe klopte zijn hart, als hij de
gezangen van Homerus las, waar de slagen van Troja zoo meesterlijk
bezongen waren. Zijn hoogste wensch was een held te zijn als Achilles en
ook eenmaal bezongen te worden.
2. Toen Alexander op zijn twintigste jaar koning werd, had hij dadelijk
gelegenheid zijn strijdlust te bevredigen. Van alle kanten stonden de
door Philips onderworpen volken op en dachten, dat de tijd voor hun
bevrijding gunstig was. Maar Alexander was spoedig er bij en onderdrukte
overal het oproer. De stad Thebe, die weigerde zich te onderwerpen, werd
tot den grond verwoest. Slechts het huis van den dichter +Pindarus+
bleef staan, daar hij zoo schoon de overwinnaars der Grieksche
kampspelen bezongen had. Het lot van Thebe verbreidde schrik over geheel
Griekenland. Allen bogen zich voor den jeugdigen heerscher en beloofden
gehoorzaamheid. Alexander ging daarop naar Korinthe, naar de algemeene
vergadering der Grieken, om zich, zooals vroeger zijn vader, tot
aanvoerder tegen de Perzen te laten benoemen. Bij deze gelegenheid
bezocht hij +Diogenes+, die beroemd was om zijn zonderlingheid. Diogenes
hield zich aan den grondregel van Socrates, dat de mensch, hoe minder
hij noodig heeft, des te gelukkiger is, en leefde daarom zoo streng,
dat hij belachelijk werd. Zijn woning was een ton of vat. Als hij
daaruit met zijn langen baard en gescheurden mantel te voorschijn kwam,
trok hij ieders opmerkzaamheid. Hij bekommerde er zich echter weinig om
en verachtte het volk. Eens liep hij op den helderen dag met eene
brandende lantaarn op de markt van Athene rond. Toen men hem vroeg wat
hij zocht, antwoordde hij: "Ik zoek menschen."
Alexander kwam met zijn gevolg bij Diogenes en onderhield zich langen
tijd met hem. Eindelijk vroeg hij hem: "Kan ik u eene gunst bewijzen?"
Toen antwoordde Diogenes: "Ja, ga mij slechts een weinig uit de zon!"
Daarom lachten de lieden uit Alexanders gevolg; deze echter keerde zich
om en zeide: "Als ik niet Alexander was, zou ik wel Diogenes willen
zijn."
3. Toen Alexander met een klein, maar wel toegerust leger naar Azië
ging, om de Perzen te beoorlogen, zocht hij de plaatsen op, waar hij zoo
dikwijls in den geest vertoefd had, als hij de gedichten van Homerus
las. Op het slagveld van Troje tooide hij het gedenkteeken van Achilles
en wenschte niets meer, dan dat eens een dichter als Homerus ook zijne
daden verheerlijken mocht. Toen voerde hij zijn leger oostwaarts naar de
nabijzijnde rivier +Granikus+. Daar wachtte hem een machtig Perzisch
leger. Zonder toeven leverde Alexander met zijne manschappen een slag,
die hem tot heer van Klein-Azië maakte. Spoedig daarop stiet hij op een
tweede leger der Perzen, dat door hun koning Darius Kodomannus zelf werd
aangevoerd. Deze werd echter zoo geslagen bij Issus 333, dat hij ijlings
vluchtte en zijne familie in handen van den overwinnaar liet, die haar
echter vriendelijk behandelde.
Hierop trok Alexander door Syrië en Phoenicië, waar de eene stad na de
andere zich overgaf. Alleen Nieuw-Tyrus bood tegenstand en werd daarom
aan de verwoesting prijs gegeven. Op zijn verderen tocht kwam Alexander
ook naar Jeruzalem. Hier ontvingen hem de voornaamste Joden met den
hoogepriester aan het hoofd, en leidden hem ook in den tempel. De
Egyptenaren, die de Perzische heerschappij lang gedragen en gehaat
hadden (blz. 13), ontvingen Alexander vriendelijk, en kregen daarvoor
groote gunstbewijzen. Zoo stichtte hij Alexandrië (blz. 6).
Door nieuwe krijgsvolken versterkt, ging Alexander naar Azië terug, om
nogmaals de Perzen te bestrijden. Darius bood eene schikking aan, maar
Alexander wilde alleenheerscher zijn. Toen kwam het bij +Gaugamela+ en
+Arbela+ tot een geduchten slag, waarin de Perzen volkomen geslagen
werden. Darius vluchtte en werd door Alexander vervolgd. Vóór deze hem
echter bereikte, was Darius op last van een Perzischen satraap gedood.
Deze daad werd door Alexander streng gestraft, terwijl hij het lijk van
Darius in de koninklijke groeve te Persepolis plechtig liet bijzetten.
Alexander had zijn doel bereikt: hij was de beheerscher van het groote
rijk der Perzen geworden door de inname der verschillende hoofdsteden
Babylon, Susa, Persepolis en Ecbatana. De eerstvolgende jaren werden
besteed aan het onderwerpen van al de oostelijke deelen van het
Perzische rijk, de uitgestrekte landen tusschen het eigenlijke
Medo-Perzië en den Indus, en daarop drong men tot +Indië+ door.
4. Dit door de natuur zoo rijk begiftigde land had wel reeds veel van
zich doen spreken, maar toch was de kennis er van nog zeer gering. De
Indiërs hadden reeds vroeg eene hooge mate van ontwikkeling bereikt,
zooals blijkt uit hunne heilige taal, het Sanskriet, de oudste zuster
aller Indo-Germaansche talen, tevens de sleutel tot hare studie. Zij
hadden vele instellingen gelijk de Egyptenaren, vooral die der kasten.
Hunne priesters heetten +Braminen+ of +Brahmanen+. Dezen werd zoo groote
eerbied bewezen, dat de koning geen Brahmaan, al had hij de grootste
misdaden bedreven, mocht laten ter dood brengen. Hunne heilige boeken,
Vedas (d. i. Weten) genaamd, zijn in 't Sanskriet geschreven. Hunne
hoofdgodheid was +Brahma+, de schepper, die met +Vishnoe+, den
onderhouder, en +Civa+, den verdelger, eene drieëenheid vormde, waarvan
echter eerst in den lateren tijd gesproken wordt. Een hoofddenkbeeld
hunner leer was de onsterfelijkheid der ziel. De zielsverhuizing was
een toestand, waarin de boozen na hun dood tijdelijk verkeerden. Het
tegenovergestelde van onsterfelijkheid leerde het +Boeddhisme+, een
godsdienst, die omstreeks 600 of 500 v. C. in Vóór-Indië ontstond, en
genoemd is naar den stichter. Deze, een koningszoon, had zich, na
eenigen tijd van weelderig leven, jaren lang aan de eenzaamheid en het
nadenken gewijd en was toen tot de meening gekomen, dat er voor den
mensch niets ongelukkiger kon wezen, dan altijd voort te leven.
Integendeel, eeuwige rust, gevoelloosheid, +Nirvana+, moest het einddoel
van elks wenschen en streven zijn. Die zaligheid kon men verwerven door
de beoefening van een aantal deugden. Zijne aanhangers noemden hem
den wijzen, +Boeddha+. Hij maakte de grenslijnen tusschen de eerste
kaste en de drie andere, die der krijgers, handelaars en werklieden
veel minder scherp dan het brahmaïsme. Hierom reeds, en vooral om de
tegenovergestelde meening ten aanzien van het al of niet sterfelijke der
ziel bestonden de twee godsdiensten volstrekt niet, zooals velen meenen,
eendrachtig naast elkander, maar stonden integendeel hevig vijandig
tegenover elkander. De onderlinge haat voerde tot hevige oorlogen,
van de 3de tot de 7de eeuw onzer jaartelling, ten gevolge waarvan het
boeddhisme uit Indië zoo goed als geheel verdrongen werd. Maar het had
een uitgebreiden aanhang gevonden in China, Japan e. a. l., en breidde
zich voortdurend zoo uit, dat het tegenwoordig 500 millioen belijders
telt.
Verder dan den noordwestelijken hoek van Vóór-Indië is Alexander met
zijne troepen niet geweest. In dien hoek ontstaat de Indus uit de
samenvloeiing van vijf rivieren, waarnaar de landstreek Pendsjab, het
vijfstroomenland, heet. Bij een van de oostelijkste dier rivieren, de
Hyphasis, sloegen zijne Macedoniërs aan het morren en verklaarden,
niettegenstaande alle verzoeken en bedreigingen, niet verder te willen
trekken. Zoo was Alexander genoodzaakt, zijne plannen ten aanzien van
Indië op te geven en terug te keeren. Een groot deel van het leger
zeilde onder den bekwamen Nearchus den Indus af en over de kustenzee
naar den mond van Tiger en Eufraat, terwijl Alexander met het andere
deel langs den Indus naar het zuiden trok, en vervolgens over Gedrosië
enz. terugkeerde naar Babylon.
5. Hier rustend, wilde de beheerscher van het grootste rijk, dat de
wereld ooit aanschouwd had, alle onderworpene volken tot één groot
geheel samensmelten en uit de oude hoofdstad aan den Eufraat den
ganschen staat besturen, waartoe hij de Perzische indeeling in
satrapieën had overgenomen. Om de harten zijner nieuwe onderdanen te
winnen, leefde hij geheel naar Perzisch gebruik. Daarbij werd hij, als
een Perzisch grootmachtig koning, dikwijls overmoedig en wreed. Zijne
vleiers verhieven hem ten hemel, zonder dat iemand daartegen iets durfde
inbrengen. Toen dit toch eens door den veldheer Clitus, die bij de
Granicus Alexanders leven gered had, geschiedde, werd Alexander zoo
door toorn overweldigd, dat hij eene lans greep en zijn ouden vriend
doorboorde. Hierop ontnuchterd, want het feit was gepleegd op eene
partij, waar men te veel aan god Bacchus had geofferd, betreurde de
koning zijne daad ten zeerste. Vóórdat hij de beoogde eenheid in het
groote wereldrijk had kunnen tot stand brengen, nam een hevige koorts,
die hij zich door inspanningen en zwelgerijen op den hals gehaald had,
hem weg, 10 jaar na 't feit bij Issus, nauwelijks 33 jaar oud. Nu was
het onder de grootwaardigheidsbekleeders een algemeen streven van
den een om in Alexanders plaats te treden, van den ander om zich
onafhankelijk te maken. Het meest traden de satrapen in 't westen op den
voorgrond, als die van Macedonië, Lysimachus van Thracië, Ptolemaeus van
Egypte, Seleucus van Syrië, vooral Antigonus van Phrygië, die over de
anderen wilde heerschen. Daarom verbonden dezen zich tegen hem en in 301
werd hij bij Ipsus[3] in zijn eigen land geslagen. Hij stierf en zijne
landen werden verdeeld tusschen Thracië en Syrië. Twintig jaar later
werd Lysimachus eveneens verslagen door Seleucus, die de Aziatische
landen van zijn overwonneling annexeerde, terwijl Thracië zelf bij
Macedonië kwam. Zoo waren er dus nu van Alexanders wereldrijk in elk der
drie werelddeelen hoofdzakelijk even zooveel groote staten overgebleven,
want de Grieksche landen stonden in betrekking tot Macedonië, al vormden
de deelen van Hellas het Aetolisch, die van den Peloponnesus het
Achaeïsch verbond.
[3] Vooral niet te verwarren met Issus blz. 61.
Van het Syrische rijk, dat zich uitstrekte van de Aegaeische zee tot aan
den Indus, scheidden zich achtereenvolgens verschillende deelen af, als
Pergamus, Parthië en Bactrië. Het laatste werd anderhalve eeuw vóór onze
jaartelling met het voorlaatste vereenigd, en machtig werd het rijk der
Parthen, tusschen Tiger en Indus. Daar het eerst in 't midden der 7de
eeuw onzer jaartelling bezweek voor de Arabische macht, weêrstond het
zelfs de machtige heerschappij der Romeinen, in welke overigens alle
bovengenoemde staten opgingen, als: het Aetolisch verbond 189, het
Achaeisch 146, twee jaar na Macedonië, Pergamus 133, Syrië 64, Egypte
31 v. C.