1. Terwijl Griekenland aan inwendige twisten zijne beste krachten
verspilde, werd een man beroemd, wiens wijsheid wij evenzeer bewonderen,
als wij zijn einde beklagen moeten. Het was +Socrates+ in Athene. Zijn
vader was een beeldhouwer, en als jongeling wijdde Socrates zich ook aan
deze kunst; maar deze bezigheid voldeed niet aan den drang zijner ziel.
Hij bestudeerde de schriften der wijzen en deed zijn voordeel met het
onderwijs der beste leeraars. Hij wilde echter de waarheid niet alleen
daarom kennen, dat hij, gelijk de meeste Atheners, er over zou kunnen
twisten, maar hij beoefende ze in 't leven en ging overal met een goed
voorbeeld voor.
Het eerste streven van Socrates was, zich van de uitwendige goederen zoo
onafhankelijk mogelijk te maken, opdat hij geheel voor de wetenschap
leven kon. "Niets behoeven", zeide hij, "is goddelijk, en wie het minst
behoeft, komt het naast bij de godheid". Hij nam slechts zooveel spijs
als tot zijne nooddruft vereischt werd, en dronk nooit meer dan tot
lessching van den dorst noodig was. Zijne kleeding was eenvoudig en
onaanzienlijk.
Ofschoon Socrates van nature heftig was, had hij toch door gestrengheid
tegenover zich zelven eene edele gelijkmoedigheid verkregen, die door
niets verstoord kon worden. De meeste oefening van geduld had Socrates
in zijn eigen huis, daar zijne vrouw Xanthippe, zeer luimig en twistziek
was. Desniettegenstaande zag men hem nooit morrende of ontstemd. Als hij
beleedigd werd, bewaarde hij de grootste kalmte en gelatenheid. Zijne
burgerplichten vervulde Socrates met grooten ijver. Hij streed dikwijls
voor zijn vaderland en was steeds onder de dappersten. Door zijne
onverschrokkenheid redde hij in een slag den stouten Alcibiades, die hem
zeer genegen was. Deze wankelmoedige jongeling bekende dikwijls: "Door
de redeneeringen van Socrates word ik zoo aangegrepen, dat mij het hart
klopt en de tranen mij uit de oogen vloeien".
2. Socrates sprak met lieden uit alle standen, en verzamelde
langzamerhand een kring van weetgierige leerlingen om zich, die hem met
groote belangstelling aanhoorden en meerendeels beroemde mannen werden.
Zij verlieten gaarne de vermakelijkheden, om slechts bij hun geliefden
leermeester te zijn. +Euclides+ van Megara kwam vier mijlen ver tot
Socrates. En toen eens de Atheners tegen de Megarensers oorlog voerden
en elk van hen op straffe des doods verboden in de stad te komen, sloop
Euclides dikwijls in vrouwenkleêren door de poort, om naar Socrates te
hooren. +Xenophon+, een ander leerling, dien Socrates op den openbaren
weg voor zijn onderwijs gewonnen had, verzekerde later van zijn meester:
"Niets kon nuttiger zijn dan zijn gezelschap en zijn omgang. Zelfs als
hij afwezig was, strekte nog zijn aandenken hun, die bij hem geweest
waren, tot versterking en kracht in al wat goed is."
Socrates verstond de kunst, op de gemakkelijkste en eenvoudigste manier
te onderwijzen. Hij stelde vragen, waardoor hij tot nadenken dwong, en
leidde het in gesprekken daarheên, dat men de diepste leeringen opdeed.
Zijn onderwijs was gratis en daarom voor allen toegankelijk. Socrates
sprak ook tot de volwassenen op de markt en op de straten, en werd
daardoor zeer bekend. Zijn roemde verbreidde zich zoo ver, dat de
priesters te Delphi hem voor den wijsten der menschen verklaarden.
3. Het was vooruit te zien, dat Socrates zich door zijne uitstekende
wijsheid en deugd de haat en den nijd zijner verdorvene medeburgers
moest op den hals halen. Zij lasterden hem ook en trachtten hem
belachelijk te maken. En toen hun dat niet hielp, klaagden zij hem
openlijk aan. Zij beschuldigden hem, dat hij niet geloofde aan de goden
van het land, en dat hij ook door zijne leer de jeugd bedierf. Socrates,
een grijsaard van 70 jaar geworden, vond het zijner onwaardig, zich
tegen zulke aanklachten wijdloopig te verdedigen. Hij wees terug op zijn
openbaar leven en bezwoer dat sedert 30 jaar niets hem meer aan het
harte gelegen had, dan zijne medeburgers deugdzamer en gelukkiger te
maken, en dat hij hiertoe de goddelijke roeping in zich gevoeld had.
Eene zoo vrijmoedige verdediging verbitterde de rechters. Zij zonden hem
voorloopig weêr naar de gevangenis. Hier bracht een vriend, +Lysias+,
hem eene schoone verdedigingsrede (apologie); die moest hij uitspreken.
Socrates las ze en vond ze schoon. "Maar, zeide hij, als gij mij zachte
en prachtige sokken bracht, zou ik ze niet aantrekken, omdat ik ze voor
onmannelijk houd." Daarmeê gaf hij de rede terug. In de eerstvolgende
vergadering van 't gerecht werd het lot van Socrates beslist. Eene
meerderheid van drie stemmen slechts veroordeelde hem tot den dood.
Socrates bleef rustig, maar zijne leerlingen niet. Zij drongen met
tranen in de oogen tot de rechters door en smeekten om de vrijheid van
hun leeraar; maar zij werden afgewezen. Socrates nam afscheid van de
rechters, die te zijnen gunste gestemd hadden, en vergaf diegenen, die
hem veroordeeld hadden. Met opgewekt gelaat, vasten tred en edele
houding verwijderde hij zich hierop uit het gerechtshuis en ging naar de
gevangenis terug. Zijne vrienden geleidden hem en waren van nu af
dagelijks om hem.
4. Aangezien wegens een openbaar feest geen doodvonnis mocht voltrokken
worden, hadden de leerlingen van Socrates den troost, nog korten tijd,
omtrent dertig dagen, met hun leermeester te kunnen spreken. Dat was
een kostbare tijd, want Socrates, vrij van vrees voor den dood, werd
met elken dag opgewekter en sprak de schoonste woorden van troost en
wijsheid. De leerlingen echter konden zich in 't geheel niet gewennen
aan het denkbeeld, dat hun raadsman en vriend hun zou ontscheurd worden.
Zij spraken met den gevangenbewaarder, die een medelijdend hart had, en
richtten alles zoo in, dat Socrates ontvluchten kon. Maar deze weigerde
beslist, zulks te doen, en zeide, dat men altijd aan de wetten
gehoorzamen moest. Toen snikte een leerling: "Ach, gij sterft toch zoo
onschuldig", en Socrates antwoordde lachend: "Wildet gij dan liever, dat
ik schuldig stierve?"
Toen op den laatsten avond alle vrienden bijeen waren, nam +Krito+ het
woord en zeide: "Zeg ons, welke opdracht laat gij mij en dezen uwen
vrienden na? Waarmeê kunnen wij naar uw welgevallen leven?" De grijsaard
antwoordde: "Als gij zoo leeft, als ik u sedert lang aanbevolen heb. Ik
behoef hier niets meer bij te voegen." Nu kwamen nog zijne vrouw met de
drie kinderen, en weenden luid. Toen nam Socrates afscheid, en verzocht,
zijne vrouw naar huis te geleiden, opdat het laatste uur hem niet
verzwaard zou worden. Hierop sprak hij nog met zijne vrienden over leven
en dood en over zijne hoop, dat 's menschen ziel onsterfelijk is.
Intusschen neigde de zon zich tot den ondergang. De gerechtsdienaar
verscheen met den gifbeker, en Socrates bereidde zich tot den dood. Hij
nam den kelk met opgewekt gelaat, en dronk dien krachtig uit. Terwijl
zijne vrienden jammerden, zeide hij: "Ik genees; offert +Aesculaap+ --
den god der geneeskunde -- een haan!" Daarop verscheidde hij -- 400
v. C.
Eerst na den dood van den grooten wijze, zagen de Atheners hun ongelijk
in. Zij dreven grooten rouw, veroordeelden den voornaamsten beschuldiger
ter dood en joegen de overigen uit het land. Ook richtten zij eene
prachtige zuil op, en vereerden hem bijna als een god. Maar zijne
leerlingen, vooral +Plato+ en +Xenophon+, verbreidden schriftelijk en
mondeling zijne voortreffelijke leeringen, en stichtten zoo hun' grooten
meester een gedenkteeken, dat duurzamer is dan metaal en overal bekend
is, waar vrienden der wijsheid wonen.