1. Alcibiades, een neef van Pericles, trad door rijkdom, schoonheid
en groote geestesgaven zoo op den voorgrond, dat hij gedurende den
Peloponnesischen oorlog een belangrijken invloed kreeg. Hij had een
ijdel, eergierig karakter, was moedwillig en stout, maar had ook eene,
zelfs in Athene, zeldzame welsprekendheid. Bij zijne geweldige zucht
tot onderscheiding en roem was niets hem gewenschter dan oorlog. Toen
zich nu eene gelegenheid aanbood op Sicilië eene Ionische stad tegen
een Dorische bij te staan, wendde Alcibiades dadelijk al zijne
welsprekendheid aan om de Atheners tot een tocht daarheên te bewegen. De
veldheer Nicias, die kort te voren een vrede met de Spartanen bewerkt
had, ried even als andere mannen den oorlog af. Het volk liet zich
echter door Alcibiades medesleepen; het besloot tot den tocht, en koos
Alcibiades tot aanvoerder daarvan. Nauwelijks echter had deze het
eerste succes op Sicilië behaald, of hij werd weêr teruggeroepen. Hij
was namelijk aangeklaagd, in den nacht vóór zijn vertrek de vele
standbeelden van den god Hermes of Mercurius verminkt te hebben. Toen
verliet hij het eiland Sicilië, ging evenwel niet naar Athene, maar naar
Sparta, in de legerplaats der oude vijanden. Toen de Atheners hem daarop
ter dood veroordeelden, zeide hij: "Ik zal hun toonen dat ik nog leef,"
en hij hield schrikkelijk woord.
Te Sparta leefde de vroeger zoo zwelgende jongeling geheel naar de
strenge wetten van dat volk en verwierf zich spoedig het vertrouwen
daarvan. Uit wraak tegen de Atheners spoorde hij de Spartanen aan, den
gesloten vrede te verbreken en de Atheensche onderneming op Sicilië
te gaan bestrijden. Toen was het geluk der Atheners uit. Zij werden
geslagen en hunne vloot vernield. Het hoog gestegen Athene lag in het
stof.
2. Intusschen haalde Alcibiades zich door zijn opbruisenden zin in
Sparta veel vijanden op den hals en zag zich genoodzaakt de vlucht te
nemen. Hij ging naar Klein-Azië, waar Atheners en Spartanen elkaâr den
voorrang betwistten in de van Perzië bevrijde deelen, en dat het tooneel
van het derde tijdvak des Peloponesischen oorlogs werd. Toen werd hij
door de bemanning der Atheensche vloot zelve met het opperbevel over
deze bekleed. Met Alcibiades keerde ook Athenes geluk terug. Zij sloegen
de Spartanen te water en te land, en vierden der herwonnen held op alle
wijzen.
Maar deze jubeltoon was niet duurzaam. Alcibiades had eenmaal de leiding
der vloot aan een onderbevelhebber toevertrouwd, terwijl hij iets met
de Perzen te verhandelen had. Dadelijk overviel toen de Spartaansche
veldheer Lysander de Atheners en versloeg ze. Ten gevolge dezer
nederlaag zetten de Atheners, veranderlijk als het weêr, Alcibiades af,
die zich naar Klein-Azië terugtrok. Hier moest hij zien hoe de Atheners,
die zijne waarschuwing verachtten, geheel verslagen werden en hoe
Athene, die trotsche stad, veroverd en mishandeld werd, 404. -- De
overwinnende Spartanen hadden den gevaarlijken Alcibiades niet uit het
oog verloren. Zij verlangden van de Perzen, dat hij hun zou uitgeleverd
worden. Wijl dezen hem zeer vreesden, zoo waagden zij niet tegen hem op
te treden. Zij staken daarom 's nachts zijne woning aan, om hem levend
te verbranden. En toen Alcibiades zich met het zwaard in de vuist door
de vlammen heên een weg baande, vloden zij verschrikt, tot het hun
eindelijk uit de verte gelukte, den geduchten strijder zoo met pijlen te
overstelpen, dat hij doorboord ter aarde zonk. Alcibiades bood een trouw
beeld van zijne vaderstad. Gelijk hij vallen moest, zoo was ook de
ondergang van het vrije Athene niet te stuiten.