1. De oorlogen, die tot bevrijding der Grieken in Klein-Azië tegen de
Perzen gevoerd werden, waren door +Cimon+, den zoon van Miltiades, tot
een gelukkig einde gebracht. Tien jaren na de slagen van Plataeae en
Mykale sloeg hij de Perzische zee- en landmacht bij de Eurymedon in
Klein-Azië en twintig jaar later op nieuw bij de stad Salamis op Cyprus
449. De vier en veertigjarige Perzische oorlog was geeindigd, en
Griekenland stond daar groot en machtig. Omstreeks dezen tijd trad
te Athene een man op, die voor geheel Griekenland van de grootste
beteekenis werd. Het was +Pericles+, de zoon van den beroemden
+Xanthippus+, die bij Mykale de Perzische vloot vernield had. Pericles
had eene innemende gestalte en was zeer beschaafd, even zoo uitstekend
als veldheer als hij was als staatsman, en een redenaar, zooals Athene
er nog geen gehoord had.
Aanvankelijk vond Pericles een geduchten tegenstander in Cimon, die zich
aan het volk op alle wijze vriendelijk toonde. Toen echter Cimon eens
de Atheensche troepen niet genoegzaam in bescherming nam tegen de
plagerijen der Spartanen, verloor hij de gunst der menigte, en werd tot
vreugde van Pericles een tijd lang verbannen. Nu trad de welsprekende
staatsman op en wist zich het vertrouwen zijner medeburgers zoo te
winnen, dat hij als een alleenheerscher regeeren kon, zonder zelfs ooit
archont te zijn. Hij bevorderde den handel en de zeemacht, en sloot
zulke voordeelige verbintenissen, dat Athene het toppunt van rijkdom en
macht bereikte.
2. Pericles was ook een vriend van kunsten en wetenschappen. Van alle
kanten riep hij de grootste kunstenaars en geleerden naar Athene en
maakte zoo deze stad tot het middelpunt van alle streven van den geest.
Men vond daar een glans, gelijk er nergens anders te zien was. De
meesterwerken der bouwkunst, beeldhouw- en schilderkunst tooiden Athene
op zoo grootsche wijze, dat men de overblijfselen daarvan nog heden
bewondert. Geen volk van den ouden tijd heeft voor de schoone kunsten
zooveel gedaan als de Grieken.
Onder de prachtige bouwwerken van Athene prijkte vooral de +burg+. Men
besteeg dien langs trappen breed als straten, die beneden door een poort
van zuilen met vijf bogen van marmer begrensd waren. Op het hoogste punt
van den berg des burgs stond het reusachtige standbeeld van Athenes
beschermgodin +Pallas+. Een goed oog kon het met zijn met struiken
omgeven gouden helm reeds tien uur van Athene zien. Naast de prachtige
hallen van den berg stond een tempel van wit marmer, een uitgelezen
meesterwerk der oude bouwkunst, dat nog heden verbazing en bewondering
opwekt. De voorhoven van dezen tempel waren met kostbare standbeelden
versierd, en in het binnenste er van had +Phidias+, de vriend van
Pericles, een afgodsbeeld gevestigd, dat van verblindend goud en
elpenbeen was en in de hoogste mate beroemd werd.
De +schilderkunst+ had in de tijden van Pericles den hoogsten graad van
volkomenheid bereikt. Eens organiseerden +Zeuxis+ en +Parrhasius+ een
wedstrijd in hunne kunst. Zeuxis schilderde, zoo verhaalt men, druiven
zoo natuurlijk, dat de vogels er op toe vlogen en er aan pikten. Nu
bracht ook Parrhasius zijn stuk; het was met een gordijn bedekt. Toen
zeide Zeuxis: "Neem toch het gordijn weg." Maar Parrhasius lachte: het
gordijn was de schilderij zelf. Zoo had de eene kunstenaar slechts
vogels, maar de andere menschen en wel een grooten kunstenaar bedrogen.
Nooit was in Athene zoo veel leven als in den tijd van Pericles. Op de
markt en in de straten, in den schouwburg en in de scholen, aan de haven
en in de hallen: overal zag men eene frissche en grootsche werkzaamheid,
en Pericles was de ziel van 't geheel. Het anders zoo heerschzuchtige
volk liet zich gaarne door hem leiden. Wat hij aanried, geschiedde; wat
hij sprak, dat gold. "Hij draagt den donder en bliksem op zijne tong,"
zeiden de Atheners, en noemden hem niet anders, dan den +Olympiër+,
d. i. den hemelschen.
3. De groote macht, die Athene onder Pericles bereikte, deed bij de
andere staten van Griekenland nijd en haat ontstaan. Ook behandelden
de Atheners hunne bondgenooten niet altijd zoo, als recht en billijk
zou geweest zijn. Bovenal echter waren de Spartanen verbitterd, die
niet vergeten konden, dat zij eens de opperheerschappij in Griekenland
bezeten hadden. Zij stelden zich daarom aan de spits der ontevredene
staten en begonnen een oorlog met Athene. Toen gelukte het Pericles,
die den vrede liefhad, den Spartaanschen aanvoerder om te koopen en
een wapenstilstand te sluiten, die 30 jaar gelden zou. Hij duurde
echter slechts 14 jaar. De oude haat der Spartanen vond een geschikte
gelegenheid, zich weer te openbaren, en de vreeselijke oorlog begon,
die de +Peloponnesische+ heet, omdat de geheele Peloponnesus zich met
de Spartanen vereenigde tegen de Atheners en hun bondgenooten.
Pericles vertrouwde op Athenes zeemacht; toen echter een landleger van
60.000 man naderde, werd Athene door zooveel vluchtelingen bezocht, dat
er spoedig ziekten ontstonden, die hoe langer hoe gevaarlijker werden,
tot eindelijk de pest uitbrak en algemeenen schrik veroorzaakte. Alle
banden van tucht en orde raakten los. De straten boden een ontzettend
schouwspel. De vroeger zoo vroolijke stad was een zetel van smart en
dood. En al de schuld van dit ongeluk werd op Pericles geworpen; hij was
het, die alle verdediging te land afgeraden, en alle rondom-wonende
genooten in de stad opgenomen had. Vergeefs beproefde Pericles de
openbare orde te herstellen, zijn beste vrienden waren door de ziekte
weggenomen. En toen hij zelf met een vloot ten strijde toog, moest hij
onverrichter zake terugkeeren, want ook op de schepen woedde de pest.
Toen nam het wankelmoedige volk hem het opperbevel af, en veroordeelde
hem tot eene geldboete van 15 talenten (ongeveer 37.500 gld., daar een
talent ± 2500 gld. was).
Dit ongeval verdroeg Pericles met gelatenheid. Maar de pest naderde ook
zijn familiekring. Eerst bezweken daaraan zijne beide oudste zonen en
zijne zuster. Pericles bleef gelaten. Toen hij echter ook zijn jongsten
zoon, die eveneens door de vreeselijke ziekte werd aangegrepen, naar
Atheensch gebruik den doodenkrans opzette, toen overweldigde hem de
bitterste smart, en hij brak in tranen uit, gelijk hij nooit in zijn
leven gedaan had.
4. Eindelijk erkende het volk, dat het aan Pericles een onrecht begaan
had. Het overtuigde zich van het gewicht van den diep gekrenkten man, en
herstelde hem in zijne vorige waardigheid. Toch was het Pericles niet
vergund, nog lang aan het hoofd van zijn vaderland te staan; ook hij
werd door de vernielende pest aangetast. Toen hij den dood nabij was,
roemden de rondom hem zittende burgers de grootheid zijner deugd en de
veelvuldigheid zijner zegepralen, zonder dat zij dachten, nog door
Pericles gehoord te worden. Toen verhief hij zijn hoofd en zeide: "Het
verwondert mij, dat gij slechts dat vermeldt, waaraan het geluk gelijk
aandeel met mij heeft, en wat ook anderen gelukt is; het schoonste en
beste hebt gij vergeten: geen Athener heeft om mijnentwille een
rouwkleed aangetrokken."
Zoo stierf de groote staatsman, die bijna 40 jaar lang in Athene
geheerscht had! Er was niemand in staat hem te vervangen. Met hem werden
het aanzien, de macht en de glans van Athene ten grave gedragen.