9. De Perzische oorlogen.

1. Hoewel de Grieken ter westkust van Klein-Azië eerst onder Lydische,

vervolgens onder Perzische heerschappij gekomen waren (blz. 17), bleven

zij echter de vrijheid liefhebben en trachtten door een opstand het juk

van Darius af te schudden (blz. 19). Maar te vergeefs, 500. De hulp die

de Grieksche Aziaten van Athene genoten hadden, had den Perzischen

monarch zoo verbitterd, dat hij zich bij elken maaltijd door een slaaf

liet toeroepen: "Heer, gedenk de Atheners." Misschien was het voor hem

maar een voorwendsel om den republikeinschen staatsvorm der Grieken te

bestrijden, die hem, den almachtigen alleenheerscher, een doorn in 't

oog moest zijn. Ook werd hij, zoo verhaalt men althans, in zijn plan

versterkt door den wraaklustigen Hippias. Zeker is het, dat hij eene

expeditie tegen Griekenland ondernam, waarbij het landleger niet verder

dan een eindweegs in Thracië kwam en de vloot bij 't voorgebergte Athos

in Macedonië door storm vernield werd. Maar nu rustte hij een tweede

onderneming uit, veel grooter en sterker dan de vorige en zond

intusschen gezanten naar de verschillende Grieksche staten om als

teeken van onderwerping aarde en water te vragen. Bijna overal gaf men

sidderend aan dien eisch gehoor. Maar in Athene en Sparta werden de

gezanten van Darius in kuilen of putten gesmeten, waar zij aarde en

water vonden. Nu kende Darius' woede geen grenzen meer; zijne groote

legermacht liet hij door een vloot overbrengen en in Attica landen.

Bij de Spartanen heerschte het bijgeloof, dat zij niet vóór de volle

maan strijden mochten en daarom kwamen zij nog niet. Slechts de kleine

stad Plataeae in Boeotië zond 1000, de Atheners stelden 9000 man. Toen

dit hoopje bij Marathon het groote Perzische leger zag, verloor het den

moed. Maar Miltiades, een dapper aanvoerder, bezielde de versaagden en

bevocht een glansrijke zege over de Perzen. -- 490.

Deze gebeurtenis schrikte echter Darius nog volstrekt niet af. Hij liet

drie jaar lang toebereidselen maken voor een nieuwen veldtocht, aan

welks hoofd hijzelf meêtrekken wilde. Hij werd echter door den dood

overvallen. Maar Xerxes, zijn opvolger, zette de toebereidselen met den

zelfden ijver voort en bracht eindelijk een leger tezamen, zooals de

wereld nog geen tweede gezien had. Het bestond uit meer dan een millioen

menschen, en de vloot telde meer dan 1000 oorlogschepen, waarbij nog

3000 andere schepen kwamen.

2. In de lente van 480 zette de onmetelijke trein, door Xerxes zelf

aangevoerd, zich in beweging en overstroomde als een zondvloed het

noordelijke Griekenland. De meeste volksstammen onderwierpen zich;

slechts de Atheners en de Spartanen wilden strijden. In dezen algemeenen

nood trad +Themistocles+ op, een zeer verstandig en praktisch man, die

Griekenland tot redder werd. Reeds als knaap had hij een uitstekend

karakter en streefde naar groote dingen. Toen men in later jaren eens

met hem spotte, omdat hij de lier niet bespelen kon, antwoordde hij

hoogmoedig: "Zingen en spelen kan ik wel niet, maar een kleine stad

beroemd en groot maken, +die+ kunst meen ik te verstaan." Themistocles

had reeds vroeg ingezien, dat de oorlogen met de Perzen niet spoedig

zouden eindigen. Daarom spoorde hij de Atheners aan, voor hunne

verdediging te zorgen en vooral eene sterke vloot uit te rusten. Ook

rustte hij niet, vóór Sparta en Athene zich nauw vereenigd en ook de

overige staten zich daarbij aangesloten hadden. De eer der hoogste

leiding in den krijg (hegemonie) tegen de Perzen viel den Spartanen ten

deel.

3. In het noorden van Griekenland, waar het steile Oeta-gebergte aan de

eene en de zee aan de andere zijde slechts een lang smal pad overlaat,

dat naar het hart van 't land voert, daar, bij den engen pas van

Thermopylae, sloeg de Spartaansche koning Leonidas zich met 8000 Grieken

neêr, om de naderende Perzen te bestrijden. Toen Xerxes dat hoorde,

verwonderde hij zich niet weinig en zond boden af, die van de Grieken de

wapens opeischten. "Kom ze halen", was het laconische antwoord. En toen

den Grieken gezegd werd, dat de vijanden zoo talrijk waren, dat zij met

hunne pijlen de zon verduisterden, antwoordde een Spartaan koelbloedig:

"Des te beter, dan zullen wij in de schaduw vechten."

Daar Xerxes niet gelooven kon, dat de weinige Grieken zijn monsterachtig

leger tegenstand zouden bieden, liet hij hun vier dagen tijd om weg te

trekken. Toen dit niets uitwerkte, begon de moorddadige strijd. De

Grieken stonden als muren en sloegen elken aanval af. De Perzen waren

eindelijk zoo ontmoedigd, dat zij met geesels in de bergengte moesten

gedreven worden. Toen kwam er eindelijk eene wending in den strijd --

door verraad. Een Griek, Ephialtes, ontdekte den Perzen een geheim

voetpad over het gebergte. Toen rukten 's nachts bijna 20000 Perzen

aan en vielen de Grieken in den rug aan. Nu was alle redding voorbij.

Leonidas liet het grootste gedeelte der troepen huiswaarts trekken,

en sprak met zijne 300 Spartanen af, tot op den laatsten man toe te

strijden. De heldenmoedige schaar bracht den Perzen een ontzettend

verlies toe; maar eindelijk moest ze voor de overmacht bezwijken.

Op geene zegepraal is zooveel roem gevolgd als op deze nederlaag. Een

steenen leeuw toonde later den eenzamen reiziger in de bergkloof de

plaats, waar Leonidas, de leeuw van den grooten dag, met zijne dapperen

gevallen was, en het gewijde opschrift luidde: "Wandelaar, bericht te

Sparta, dat wij, gehoorzaam aan zijne wetten, hier verslagen liggen."

4. Nadat de dappere Leonidas bezweken was, trad de wijze +Themistocles+

weêr op. Toen de Perzen door genoemden pas in Hellas doorgedrongen

waren, begreep hij, dat Athene ook den geduchten aanval van dat volk

geen weêrstand kon bieden, en overreedde daarom zijne medeburgers, de

stad te verlaten en zich op schepen te redden. Toen verhuisden de

vrouwen en kinderen naar de naburige kusten en eilanden; maar de

geheele manschap, in staat de wapenen te dragen, ging met Themistocles

de vijanden op de zee te gemoet. Bij het eiland +Salamis+ moest het

tot een zeeslag komen. Toen echter de Grieken de groote vloot der

Perzen zagen, verloren zij den moed en wilden ontvluchten. Daarover

was Themistocles te leur gesteld, en nu waagde hij eene wanhopige

onderneming. Hij zond heimelijk een slaaf tot Xerxes en liet hem zeggen:

"Groote koning, ik ben uw vriend en wensch in uwen dienst te treden. In

den volgenden nacht willen de Grieken uit deze zeebocht ontvluchten.

Sluit ze in, dan is de geheele vloot in uwe handen." Xerxes zeilde

daarna zoo snel mogelijk op de Grieken aan en sloot ze in. Toen

Themistocles dat zag, juichte hij en sprak tot de andere bevelhebbers:

"Nu zult gij toch strijden?"

En de Grieken streden, gelijk Themistocles vooruit gedacht had. Het was

een strijd op leven en dood. Ofschoon de Perzische vloot oneindig veel

grooter en sterker was dan de Grieksche, zoo had zij toch wegens de

grootte harer schepen veel nadeel in de enge bocht. De duisternis van

den nacht bracht ook de Perzische schepen onder elkander in de war. De

Grieken drongen met hunne lichte vaartuigen overal door en bevochten

eene groote overwinning.

Xerxes was aan den oever op een gouden troon gezeten en had zoo den

uitslag van den zeestrijd afgewacht. Nu bleef hij niet langer hier. Om

hem echter snel uit het land te drijven, gebruikte Themistocles eene

nieuwe list. Hij liet aan Xerxes zeggen: "De Grieken zijn van plan,

de brug over den Hellespont af te breken." -- Deze brug was voor den

overtocht van het Perzische leger over eene smalle zeeëngte (de straat

der Dardanellen) geslagen. -- Xerxes verschrikte en vlood in aller ijl.

Hij verloor daarbij een belangrijk gedeelte van zijn landleger, dat

vooral door gebrek aan levensmiddelen en door ziekte zeer verminderde.

Toch bleef altijd nog een leger van 300,000 man onder den veldheer

+Mardonius+ in Noord-Griekenland achter, om in het volgende jaar op

nieuw te strijden.

Geheel Griekenland erkende, dat het zijne redding aan de Atheners te

danken had en onder hen vooral aan Themistocles. De Spartanen voerden

hem in triomf naar hunne hoofdstad, gaven hem een olijvenkrans als prijs

der wijsheid, schonken hem den schoonsten wagen, die in Sparta te vinden

was en lieten hem door 300 jongelingen feestelijk tot aan de grenzen

begeleiden. Toen spoedig daarop de Olympische spelen gevierd werden en

ook Themistocles daarbij verscheen, verhieven zich bij zijn intrede

alle toeschouwers van hun zitplaatsen. Niemand dacht meer aan

kampspelen; alle aanwezenden zagen en wezen met blijde bewondering

naar Themistocles. Hij werd diep geroerd en sprak: "Nu oogst ik het

loon van alle inspanning voor Griekenland."

5. De perzische veldheer Mardonius beproefde de Atheners te bewegen tot

een verbond met zijn volk. Toen dit echter vergeefsch bleek, stormde hij

weder op Athene los en verwoestte, wat er nog overgebleven was. De

inwoners waren ten tweede male gevlucht. Toen vereenigden zich de

Atheners onder hun veldheer +Aristides+, met de Spartanen onder

+Pausanias+ en sloegen het Perzische leger bij Plataeae, waar Mardonius

viel en waar een groote buit behaald werd. -- Op denzelfden dag, zoo

verhaalt men, gelukte het den Grieken, de Perzische vloot bij het

voorgebergte +Mykale+ aan de kust van klein-Azië geheel te vernietigen.

Sedert dien tijd was Griekenland weder vrij. -- 479.

Door het welslagen hunner pogingen aangemoedigd, waagden de Grieken nu,

naar Klein-Azië te gaan om hun broeders daar van het Perzische juk te

bevrijden. Aan het hoofd van de vloot der bondgenooten stond Pausanias,

de Spartaansche koning en veldheer, die spoedig overwinningen behaalde.

Men bemerkte echter, dat hij tot Perzische gewoonten overhelde en de

Perzen begunstigde. Toen hij ook nog trotsch en uit de hoogte tegen

zijne Grieksche bondgenooten zich gedroeg, ontstond er een groote onwil.

Hij werd aangeklaagd van verraad en men ontnam hem het opperbevel.

Daarentegen werd +Aristides+, die wegens zijne rechtschapenheid in

groote achting stond, tot aanvoerder benoemd. Zoo verloor Sparta door

den overmoed van Pausanias het steeds gehandhaafde voorrecht der

opperste krijgsleiding, en dit ging nu op de Atheners over, die steeds

machtiger werden. Pausanias werd voor 't gerecht gesteld. Hij wist zich

echter tweemaal te redden. Toen eindelijk zijn verraad wereldkundig was

en men hem straffen wilde, vluchtte hij snel in een tempel, waar naar

oud gebruik niemand mocht worden lastig gevallen, ook de misdadiger

niet. Toen versperden de Spartanen alle uitgangen van het gebouw en

leverden hem zoo aan den hongerdood over.

6. Aristides vervulde zijn ambt als opperaanvoerder der Grieken

met rechtvaardigheid en wijsheid. Hij leidde het daarheen, dat de

gezamenlijke bondgenooten den Atheners jaarlijks eene bepaalde som tot

de oorlogskosten betaalden; en zoo groot was het vertrouwen van allen,

dat zij aan hem alleen het toezicht op het geld en de verdeeling der

bijdragen overlieten. Aristides beantwoordde aan 't vertrouwen, dat

men hem schonk, en met recht werd hij de +rechtvaardige+ genoemd.

Themistocles had reeds vroeg met nijdigen blik op het aanzien gestaard,

dat Aristides bij het volk genoot, en getracht hem van de staatszaken te

verwijderen. Nu was in Athene de merkwaardige instelling, dat elk burger

den naam van een man, dien hij wilde verbannen hebben, op de scherf of

schaal van een zeemossel schreef en zoo tegen hem stemde. Dat was het

schervengericht, waardoor ieder, als hij 6000 stemmen tegen zich had,

zonder verdere omstandigheden in ballingschap gedreven werd. Het was

vooral tegen +die+ mannen gericht, die te machtig werden en voor de

vrijheid gevaarlijk schenen. De verbannene verloor echter noch zijne

eer noch zijn vermogen. Ook was de verbanning slechts tijdelijk en kon

herroepen worden. Themistocles had het werkelijk zoo ver gebracht, dat

Aristides voor tien jaren verbannen was. Maar nauwelijks waren eenige

jaren verloopen, of de Atheners hadden hun onrecht ingezien en Aristides

teruggeroepen. Hij bestuurde de hem toevertrouwde bondkas met de

grootste eerlijkheid, en stierf zoo arm, dat hij niet uit eigene

middelen kon begraven worden. Toen betoonden zijne medeburgers zich

dankbaar en zorgden ook voor de opvoeding van zijne kinderen.

7. Themistocles was er onvermoeid op uit, zijne vaderstad groot en

machtig te maken. Hij bracht het ook den Spartanen ten trots daartoe,

dat Athene met een muur omringd werd, en dat het door zijne zeemacht

de opperheerschappij in Griekenland kreeg. Maar niettegenstaande alle

verdiensten moest hij eindelijk als offer van 't schervengerecht vallen.

De verbitterde Spartanen klaagden hem aan van verstandhouding met de

Perzen, en rustten niet, vóór hij verbannen werd. En toen Themistocles

op geene plaats van Griekenland meer veilig was, vluchtte hij naar

Perzië. De opvolger van Xerxes nam hem vriendelijk op en hoopte van hem

voordelen te erlangen. Toen Themistocles echter zag, dat hij tegen zijn

vaderland werken moest, besloot hij liever te sterven en nam vergif. Te

Magnesia in Klein-Azië werd hem een kostbaar gedenkteeken opgericht;

zijn gebeente zou echter, op zijn eigen verlangen, heimelijk naar

Griekenland gebracht zijn.

Algemeene Geschiedenis in Verhalen: Oudheid · 第 13 / 33 题