1. De Grieken hadden geen godsdienstboek zooals de Perzen en Joden;
zij lazen en leerden in de plaats daarvan de groote gedichten, die men
een ouden zanger, +Homerus+ genaamd, toeschrijft en die den tocht der
Grieken naar Troje behandelen. De stad +Troje+ lag in Klein-Azië, aan de
westkust, en was de schouwplaats van een langen oorlog, waarover wij
naar de oude verhalen iets zullen hooren.
De Trojaansche koning +Priamus+ had een zoon, +Paris+ genaamd, die eens
+Menelaus+, koning van +Sparta+, in Griekenland, bezocht en daarbij
diens vrouw, Helena, roofde. Deze vermetele daad deed gansch
Griekenland opstaan en alle vorsten verzamelden zich om naar Troje te
trekken en wraak te nemen. Tot aanvoerder van den krijgstocht werd
+Agamemnon+, de broeder van Menelaus, gekozen. Onder de overige vorsten
van Griekenland zijn vooral de sluwe +Odysseus+ en de dappere +Achilles+
te onderscheiden. Er werden 1200 schepen tot overbrenging van 't leger
gebouwd, dat wel 100000 man sterk was, en de strijd om Troje begon.
Deze stad was echter niet zoo licht te veroveren als de Grieken meenden.
Zij had hooge muren en torens en werd zeer dapper verdedigd. Aan het
hoofd van het trojaansche leger stond +Hector+, een zoon van Priamus,
die in moed en kracht met iederen Griek kon wedijveren. De groote vlakte
tusschen de stad en de ligplaats der schepen was de kampplaats, waar
beide volken de grootste heldendaden uitvoerden. De aanvoerders streden
gewoonlijk op strijdwagens, de gemeene krijgers te voet; ruiterij had
men nog niet. De wapens bestonden in lansen, zwaarden, werpspiesen,
steenen en bogen. Tot dekking dienden hooge kegelvormige helmen,
borstharnassen en beenbekleedsels, alles van metaal en groote schilden,
die gewoonlijk uit runderhuiden bestonden, maar dikwijls met metaal
ingelegd waren. De slagordening was tamelijk ongeregeld. Voor de legers
aanvielen, was er gewoonlijk een tweestrijd tusschen de dappersten.
Het was een groot nadeel voor de Grieken, dat hun grootste held Achilles
een geruimen tijd zich geheel van den strijd terugtrok uit bitteren haat
tegen Agamemnon, met wien hij twist had. Maar toen zijn boezemvriend,
Patroclus, door Hector verslagen was, verhief hij zich als een brullende
leeuw en rustte niet, vóór hij Hector gedood had. Het lijk van Hector
liet hij door paarden sleepen, maar gaf het eindelijk op de beden van
Priamus tot een plechtige begrafenis terug. Toen zich later de strijd
vernieuwde, viel ook Achilles, getroffen door een pijl van Paris.
2. Nadat de Grieken 10 jaar voor Troje gestreden hadden, werden zij de
lange belegering moê en wenschten naar huis te gaan. Toen gaf de sluwe
Odysseus den raad, de stad met list te veroveren. Men bouwde een houten
paard, zoo groot als een toren en verstak daarin dertig helden,
waaronder ook Odysseus was. Dit houtwerk liet men in de legerplaats
staan en deed toen alsof men geheel afreisde. De Grieken zeilden echter
slechts naar een nabijzijnd eiland en stelden den arglistigen +Sinon+
aan om de Trojanen te bedriegen. Deze kwamen spoedig naar de verlaten
legerplaats der Grieken en verwonderden zich niet weinig over het houten
paard. Toen zij Sinon zagen, namen zij hem gevangen en ondervroegen hem.
Hij verklaarde met veel sluwheid, dat de Grieken het paard op goddelijk
bevel gebouwd en daarom zoo groot gemaakt hadden, omdat zij niet wilden
dat het in de stad zou komen; als dat gebeurde, zou Troje naar de
uitspraak der priesters nooit ondergaan. De Trojanen geloofden deze
woorden en gingen dadelijk pogingen doen om het houten paard in de stad
te halen. Zij wierpen een deel der muren om en voerden het met een
grooten optocht door de lange straten naar den burg en den tempel. Toen
alles sliep, opende Sinon het houten paard en liet er de geharnaste
mannen uit. Deze liepen naar de poorten, waar de Grieken reeds wachtten
en lieten ze binnen. Daar vlogen van alle kanten de vlammen in de hoogte
en er begon een verwoesting, die vreeselijk was. De Trojanen streden
als razenden, maar het was te vergeefs. De geheele stad werd verwoest en
al het volk met Priamus en zijn zoons gedood. Slechts een klein hoopje
redde zich, waarbij de vrome +Aeneas+, die eindelijk naar Italië kwam en
hier zeer machtig werd. Menelaus bekwam zijn Helena weder, maar het
schoone Troje lag in puinhoopen.
De Grieken hadden op hun terugkeer veel ongeluk te verdragen. Geweldige
stormen verbrijzelden een deel der schepen, zoodat bijna de helft der
manschap verdronk en jaren lang dwaalden de overgeblevenen in verwarring
rond. De meeste en wonderbaarste lotgevallen had Odysseus. Hij moest
tien jaar in de wereld omdwalen eer hij eindelijk het vaderland bereikte
en kort daarvoor zijn zoon Telemachus aantrof, die lang naar hem gezocht
had. In de schoone gedichten van Homerus zijn ook Odysseus' omzwervingen
bezongen. De legende spreekt verder van de terugkomst der Heracliden,
afstammelingen van Heracles, de helden van Troje; de geschiedenis van
een vrij algemeene verhuizing der Grieken, waartoe de bewoners van
Doris in Midden-Griekenland[2] den stoot gaven. Daarnaar noemt men ze
de +Dorische volksverhuizing+, maar, zooals we zoo even zeiden, het
was eene algemeene verplaatsing, ten gevolge waarvan de Peloponnesus
de hoofdzetel der Doriërs werd, Attica die der Joniërs; dit waren
de twee hoofdstammen. Maar men ging ook verder. Vele Grieken van
verschillende stammen gingen zich elders vestigen, gelijk wij ook de
Phoeniciërs hebben zien doen, en zoo ontstonden een menigte Grieksche
volkplantingen, +nederzettingen+, zelfstandige republiekeinsche steden
(blz. 26). Links en rechts vond men ze, als:
op Sicilië: +Syracuse+, Agrigentum, Selinus, enz.
in Zuid-Italië zoo vele, dat dit naar de nieuwe bewoners den naam van
Groot-Griekenland kreeg, o. a. Neapolis (nu Napels), Maloënton (later
Beneventum), Tarente, Sybaris, Croton;
in Spanje Saguntum; in Gallië (Frankrijk) Marseille;
in Macedonië: Olynthus, Thessalonica, e. a.;
in Thracië Byzantium (nu Konstantinopel);
rondom de Propontis en de Zwarte Zee, zelfs eene aan de monding van den
Don, even als deze Tanaïs geheeten;
langs en in de Aegaeïsche zee. Vooral de laatste, aan de westzijde van
Klein-Azië, waren talrijk en bloeiend. Zoo waren o. a. Smyrna, Ephesus
en Miletus Ionisch, gelijk de eilanden Samos, Chios en Euboea; Aeolisch
waren de eilanden Lemnos en Lesbos; Dorisch de zuidelijke Cycladen en
Sporaden, Rhodus en Creta.
[2] Noord-Griekenland bestond uit Thessalië (oost) en Epirus,
(west);
Midden-Griekenland of Hellas van 't oosten naar 't westen uit:
Attica (met Athene), Megaris, Boeotië (met Thebe), Phocis,
Locris, Doris, Aetolië en Acarnanië;
Zuid-Griekenland of de Peloponesus uit: Corinthe, Argolis,
Arcadië, Achaja, Elis, Messenië, Laconica (met Sparta).