6. De tocht naar Troje. -- 1200 v. C.

1. De Grieken hadden geen godsdienstboek zooals de Perzen en Joden;

zij lazen en leerden in de plaats daarvan de groote gedichten, die men

een ouden zanger, +Homerus+ genaamd, toeschrijft en die den tocht der

Grieken naar Troje behandelen. De stad +Troje+ lag in Klein-Azië, aan de

westkust, en was de schouwplaats van een langen oorlog, waarover wij

naar de oude verhalen iets zullen hooren.

De Trojaansche koning +Priamus+ had een zoon, +Paris+ genaamd, die eens

+Menelaus+, koning van +Sparta+, in Griekenland, bezocht en daarbij

diens vrouw, Helena, roofde. Deze vermetele daad deed gansch

Griekenland opstaan en alle vorsten verzamelden zich om naar Troje te

trekken en wraak te nemen. Tot aanvoerder van den krijgstocht werd

+Agamemnon+, de broeder van Menelaus, gekozen. Onder de overige vorsten

van Griekenland zijn vooral de sluwe +Odysseus+ en de dappere +Achilles+

te onderscheiden. Er werden 1200 schepen tot overbrenging van 't leger

gebouwd, dat wel 100000 man sterk was, en de strijd om Troje begon.

Deze stad was echter niet zoo licht te veroveren als de Grieken meenden.

Zij had hooge muren en torens en werd zeer dapper verdedigd. Aan het

hoofd van het trojaansche leger stond +Hector+, een zoon van Priamus,

die in moed en kracht met iederen Griek kon wedijveren. De groote vlakte

tusschen de stad en de ligplaats der schepen was de kampplaats, waar

beide volken de grootste heldendaden uitvoerden. De aanvoerders streden

gewoonlijk op strijdwagens, de gemeene krijgers te voet; ruiterij had

men nog niet. De wapens bestonden in lansen, zwaarden, werpspiesen,

steenen en bogen. Tot dekking dienden hooge kegelvormige helmen,

borstharnassen en beenbekleedsels, alles van metaal en groote schilden,

die gewoonlijk uit runderhuiden bestonden, maar dikwijls met metaal

ingelegd waren. De slagordening was tamelijk ongeregeld. Voor de legers

aanvielen, was er gewoonlijk een tweestrijd tusschen de dappersten.

Het was een groot nadeel voor de Grieken, dat hun grootste held Achilles

een geruimen tijd zich geheel van den strijd terugtrok uit bitteren haat

tegen Agamemnon, met wien hij twist had. Maar toen zijn boezemvriend,

Patroclus, door Hector verslagen was, verhief hij zich als een brullende

leeuw en rustte niet, vóór hij Hector gedood had. Het lijk van Hector

liet hij door paarden sleepen, maar gaf het eindelijk op de beden van

Priamus tot een plechtige begrafenis terug. Toen zich later de strijd

vernieuwde, viel ook Achilles, getroffen door een pijl van Paris.

2. Nadat de Grieken 10 jaar voor Troje gestreden hadden, werden zij de

lange belegering moê en wenschten naar huis te gaan. Toen gaf de sluwe

Odysseus den raad, de stad met list te veroveren. Men bouwde een houten

paard, zoo groot als een toren en verstak daarin dertig helden,

waaronder ook Odysseus was. Dit houtwerk liet men in de legerplaats

staan en deed toen alsof men geheel afreisde. De Grieken zeilden echter

slechts naar een nabijzijnd eiland en stelden den arglistigen +Sinon+

aan om de Trojanen te bedriegen. Deze kwamen spoedig naar de verlaten

legerplaats der Grieken en verwonderden zich niet weinig over het houten

paard. Toen zij Sinon zagen, namen zij hem gevangen en ondervroegen hem.

Hij verklaarde met veel sluwheid, dat de Grieken het paard op goddelijk

bevel gebouwd en daarom zoo groot gemaakt hadden, omdat zij niet wilden

dat het in de stad zou komen; als dat gebeurde, zou Troje naar de

uitspraak der priesters nooit ondergaan. De Trojanen geloofden deze

woorden en gingen dadelijk pogingen doen om het houten paard in de stad

te halen. Zij wierpen een deel der muren om en voerden het met een

grooten optocht door de lange straten naar den burg en den tempel. Toen

alles sliep, opende Sinon het houten paard en liet er de geharnaste

mannen uit. Deze liepen naar de poorten, waar de Grieken reeds wachtten

en lieten ze binnen. Daar vlogen van alle kanten de vlammen in de hoogte

en er begon een verwoesting, die vreeselijk was. De Trojanen streden

als razenden, maar het was te vergeefs. De geheele stad werd verwoest en

al het volk met Priamus en zijn zoons gedood. Slechts een klein hoopje

redde zich, waarbij de vrome +Aeneas+, die eindelijk naar Italië kwam en

hier zeer machtig werd. Menelaus bekwam zijn Helena weder, maar het

schoone Troje lag in puinhoopen.

De Grieken hadden op hun terugkeer veel ongeluk te verdragen. Geweldige

stormen verbrijzelden een deel der schepen, zoodat bijna de helft der

manschap verdronk en jaren lang dwaalden de overgeblevenen in verwarring

rond. De meeste en wonderbaarste lotgevallen had Odysseus. Hij moest

tien jaar in de wereld omdwalen eer hij eindelijk het vaderland bereikte

en kort daarvoor zijn zoon Telemachus aantrof, die lang naar hem gezocht

had. In de schoone gedichten van Homerus zijn ook Odysseus' omzwervingen

bezongen. De legende spreekt verder van de terugkomst der Heracliden,

afstammelingen van Heracles, de helden van Troje; de geschiedenis van

een vrij algemeene verhuizing der Grieken, waartoe de bewoners van

Doris in Midden-Griekenland[2] den stoot gaven. Daarnaar noemt men ze

de +Dorische volksverhuizing+, maar, zooals we zoo even zeiden, het

was eene algemeene verplaatsing, ten gevolge waarvan de Peloponnesus

de hoofdzetel der Doriërs werd, Attica die der Joniërs; dit waren

de twee hoofdstammen. Maar men ging ook verder. Vele Grieken van

verschillende stammen gingen zich elders vestigen, gelijk wij ook de

Phoeniciërs hebben zien doen, en zoo ontstonden een menigte Grieksche

volkplantingen, +nederzettingen+, zelfstandige republiekeinsche steden

(blz. 26). Links en rechts vond men ze, als:

op Sicilië: +Syracuse+, Agrigentum, Selinus, enz.

in Zuid-Italië zoo vele, dat dit naar de nieuwe bewoners den naam van

Groot-Griekenland kreeg, o. a. Neapolis (nu Napels), Maloënton (later

Beneventum), Tarente, Sybaris, Croton;

in Spanje Saguntum; in Gallië (Frankrijk) Marseille;

in Macedonië: Olynthus, Thessalonica, e. a.;

in Thracië Byzantium (nu Konstantinopel);

rondom de Propontis en de Zwarte Zee, zelfs eene aan de monding van den

Don, even als deze Tanaïs geheeten;

langs en in de Aegaeïsche zee. Vooral de laatste, aan de westzijde van

Klein-Azië, waren talrijk en bloeiend. Zoo waren o. a. Smyrna, Ephesus

en Miletus Ionisch, gelijk de eilanden Samos, Chios en Euboea; Aeolisch

waren de eilanden Lemnos en Lesbos; Dorisch de zuidelijke Cycladen en

Sporaden, Rhodus en Creta.

[2] Noord-Griekenland bestond uit Thessalië (oost) en Epirus,

(west);

Midden-Griekenland of Hellas van 't oosten naar 't westen uit:

Attica (met Athene), Megaris, Boeotië (met Thebe), Phocis,

Locris, Doris, Aetolië en Acarnanië;

Zuid-Griekenland of de Peloponesus uit: Corinthe, Argolis,

Arcadië, Achaja, Elis, Messenië, Laconica (met Sparta).

Algemeene Geschiedenis in Verhalen: Oudheid · 第 10 / 33 题