1. Griekenland is aan drie kanten door de zee omringd, en in 't noorden,
waar het met het vaste land samenhangt, wordt het door hooge gebergten
begrensd. De zee vormt tallooze en groote bochten, waardoor de
scheepvaart zeer gemakkelijk wordt gemaakt. De bodem is bergachtig en
bevat eene menigte kleine landschappen die meest alle vruchtbaar en
bekoorlijk zijn. Het oude Griekenland, een beetje grooter als het
nieuwe, was om zijn schoonheid zeer beroemd. Men onderscheidt van het
noordelijke deel des lands het schiereiland +Morea+, vroeger
+Peloponnesus+ genoemd, waarbij nog vele eilanden behooren. De Grieken
hadden ook talrijke nederzettingen aan de kusten van de Middellandsche
zee, voornamelijk in klein-Azië en Italië (bladz. 32.) Griekenland werd
door veel kleine volksstammen bewoond, die uit Azië afkomstig waren.
Onder dezen traden langzamerhand de Hellenen op den voorgrond, wier naam
nog heden bestaat en met dien van Grieken één is. Verscheidene sagen
wijzen er op, dat ook vreemde volksstammen naar Griekenland kwamen, die
reeds een hoogeren graad van beschaving bezaten, namelijk uit Egypte en
Phoenicië. Naast deze sagen zijn vooral beroemd die, welke van groote
helden vertellen, b.v. van +Hercules+.
2. De Grieken vereerden veel goden en godinnen, die zij zich geheel
menschelijk voorstelden, terwijl zij hun een hoogere macht toeschreven.
De koning der goden was +Zeus+ of +Jupiter+, die naar de schikkingen van
het noodlot alles bestuurde, en met de hemellingen op den +Olympus+, een
berg in +Thessalië+, in het noorden van Griekenland, woonde. De bode en
middelaar tusschen goden en menschen was +Hermes+ of +Merkurius+, die
met een staf en vleugels aan de hielen afgebeeld werd. De +Muzen+ waren
de beschermsters der muziek en andere kunsten. Behalve dat dachten de
Grieken zich de geheele natuur als bezield en met hoogere wezens
vervuld. Elke beweging in de natuur scheen hun een werk van de een of
andere godheid te zijn. Ook in het innerlijke der menschen werkten de
godheden als rechters van gezindheden en handelingen.
De Grieken geloofden ook, dat de goden soms uit hun hemelsche woningen
op de aarde nederdaalden en hier op geheimzinnige wijze van de
toekomstige dingen spraken. Als uitverkoren woonsteden der goden en
hunner openbaringen golden vooral zulke plaatsen, waar schrik der natuur
of heilige herinneringen tot geloovige aandacht stemden. Daarheen deden
de Grieken bedevaarten, om bij de priesters raad te halen, als er
gewichtige aangelegenheden te beslissen waren. Zulke door de priesters
medegedeelde uitspraken werden +orakels+ genoemd en onvoorwaardelijk
geloofd. Ook machtige personen eerden de orakels, daar zij zich gunstige
antwoorden wisten te verschaffen en zoo hun plannen gemakkelijk
uitvoeren konden. Het beroemdste orakel van Griekenland was te +Delphi+,
aan den voet van den berg +Parnassus+, in het midden van het land.
3. De Grieken waren een vriendelijk, levenslustig volk en beminden spel
en dans, ook bij de heilige feesten. Er waren verscheidene plaatsen,
waar regelmatig alle 4 jaren geheel Griekenland tezamenkwam om groote
spelen te vieren. Deze bestonden uit wedloopen, wagenrennen, worstelen,
vuistgevechten, springen en dergelijke. Naast den lichamelijken
wedstrijd was er ook een geestelijke, daar dichters, redenaars en
kunstenaars hun werken voordroegen. Dan waren er vroolijke feesten, die
meestal 5 dagen duurden. De namen der overwinnaars werden uitgeroepen en
met gejuich door de aanwezenden herhaald. De prijs der overwinnaars was
slechts een olijventak die het echter aan roem van een koningskroon
won en niet slechts hem, die hem behaalde, maar ook zijn familie en
vaderstad verheerlijkte. Onder de nationale spelen der Grieken waren
de +Olympische+ -- naar Olympia, een vlek op Morea, genoemd -- de
beroemdste. Naar deze werd de tijdrekening bepaald en men noemde een
tijdruimte van 4 jaren, met 776 v. Chr. beginnend, een +olympiade+.