1. Naast de Joden, aan de bergachtige kust der Middellandsche zee,
woonden de +Phoeniciërs+, die in den bijbel dikwijls vermeld worden.
Hun geheele landje was nauwelijks dertig mijlen lang en hoogstens vijf
mijlen breed. Van het overige Azië was het door het hooge gebergte van
den Libanon gescheiden, die het in den vorm van een halven cirkel
omringt. Daar het land grootendeels onvruchtbaar, de zee daarentegen
zeer vischrijk was, zoo moesten de Phoeniciërs reeds vroegtijdig ter
zee zich begeven. De prachtvolle cederen van den Libanon gaven hun
het noodige hout tot den bouw der schepen. Hun smalle landje had
voortreffelijke havens. Zoo kon het niet missen, of de Phoeniciërs
moesten spoedig tot scheepvaart geraken. Zij waagden zich stoutweg op de
open voor hen liggende Middellandsche zee en dreven belangrijken handel.
Daar zij echter de magneetnaald, die steeds naar 't noorden wijst en
zoo de hemelstreken aangeeft, nog niet hadden, moesten zij op hunne
vaarten vaak landen en zich rustplaatsen kiezen. Daardoor ontstonden
nederzettingen of +koloniën+, die voor den handel buitengewoon
belangrijk werden.
2. De eerste landingsplaats der Phoeniciërs was wel het nabij liggende
eiland +Cyprus+, waar zij zeer vroeg koperbergwerken ontdekten. Voorts
voeren zij naar +Creta+, het tegenwoordige +Candia+, dat van hooge
krijtrotsen doortrokken is. Van hier zeilden zij naar de eilanden en
kusten van Griekenland en Klein-Azië. Toen echter de Grieken zelf een
machtig volk werden en scheepvaart dreven, wendden de Phoeniciërs zich
naar +Noord-Afrika+. Hier stichtten zij vele steden, onder andere Hippo,
Tunis en vooral +Karthago+. Tegenover deze legden zij ook op de eilanden
+Sicilië+ en +Sardinië+ koloniën aan.
Het gewichtigst was echter de Phoenicische handel op +Spanje+. Hier was
goud, zilver en andere kostbare metalen in groote menigte. De oude
inwoners, die de waarde van hunne bezitting niet kenden, ruilden gaarne
met de Phoeniciërs, en dezen verzuimden niet hun voordeel op het
schoone land te zoeken. De hoofdzetel van hun Spaansche koloniën was in
het Zuiden, waar zij veel steden stichtten, b. v. +Gades+ (+Kadix+),
+Malaka+, enz. De Phoeniciërs zouden ook door de zeeëngte van
+Gibraltar+ naar den Atlantischen Oceaan gevaren zijn en uit de
+Engelsche+ eilanden tin, ja zelfs uit de Oostzee het barnsteen gehaald
hebben.
Behalve hun scheepvaart dreven zij een grooten handel te land, naar
Egypte, Arabië, naar den Euphraat en verder; ook bezaten zij koloniën
aan de Roode en Perzische zee en zelfs in Indië.
3. De werkzaamheid der Phoeniciërs was voor de ontwikkeling van verkeer
en beschaving zeer zegenrijk. Zij verbreidden veel nuttige wetenschappen
en verbeterden de uitvindingen, die zij bij andere volken aantroffen,
zooals het +letterschrift+, dat zij van de Egyptenaren leerden. De
+glasbereiding+, die het eerst door hen uitgevonden zou zijn, was reeds
vroeger bij de Egyptenaren bekend. De Phoeniciërs hebben echter de
verdienste, dat zij deze en andere nijverheidstakken vlijtig dreven
en in grootere kringen bekend maakten. Zij vervaardigden uit glas
verschillende vaatwerken en versierselen, bebouwden de bergen, bewerkten
het erts, maakten afbeeldingen en stikwerken en waren vooral bekwaam in
weven en verven. Zij hadden de +purperkleur+, die, zooals men vertelt,
door een herdershond ontdekt en in den ouden tijd zeer duur betaald
werd. Hoe veel andere uitvindingen en ontdekkingen zouden er wel door
dat werkzame, nijvere volkje uitgevonden of volmaakt en verbreid zijn!
De +rekenkunst+ wordt nog uitdrukkelijk als hun uitvinding aangewezen;
de handel moest ook noodwendig tot deze leiden. Zoo is het ook met de
vervaardiging van +geldstukken+ of +munten+.
4. De +Phoeniciërs+ waren door hun uitgebreiden handel langzamerhand het
rijkste en aanzienlijkste volk geworden. Hun vroeger zoo arm landje
scheen een schoone lusthof. Alle 4 uren was een schoone hoofdstad met
voortloopende plantsoenen tot aan de volgende. Iedere stad met haar
gebied maakte een afzonderlijken staat uit. Zij hielden echter ook
gemeenschappelijke beraadslagingen en verbonden zich tot grootere
ondernemingen. De hoofden der afzonderlijke staten werden dikwijls
koningen genoemd; zij waren echter waarschijnlijk slechts hooge
beambten. De oudste stad van het land was +Sidon+. Beroemder dan zij, ja
de beroemdste handelstad der oude wereld was +Tyrus+, een kolonie der
Sidoniërs, daarom ook dochter van Sidon geheeten. In den tijd van den
Joodschen koning +David+ stond Tyrus onder zijn koning +Hiram+ op het
toppunt zijner macht. Het verdrag, dat +Hiram+ met +Salomo+ wegens den
tempelbouw te Jeruzalem sloot, is om zijne hooge oudheid zeer
merkwaardig.
Phoenicië was toen de markt van de geheele bekende wereld. Alles wat men
om te leven of tot vermaak noodig had, kwam uit de hand der Phoeniciërs.
Welk leven was er in de steden en aan de kusten! Daar waaiden de zeilen,
daar snorden de raderen, daar gingen de hamers; alles leefde, bewoog
zich en handelde. Steden en oevers wemelden van bezige menschen. Het
land was een gelukkig land te noemen. Maar rondom woonden volken, die
oorlogzuchtig waren en dikwijls den vrede der Phoeniciërs stoorden.
+Salmanassar+, de strijdlustige koning van Assyrië, die het rijk Israël
vernietigde, onderwierp de Phoenicische steden en verdrukte ze hard.
Later kwam +Nebukadnezar+ van Babylon en bestreed Tyrus zooals
Jeruzalem. De inwoners van Tyrus verdedigden zich dapper, zoodat de
belegering, zooals men verhaalt, bijna 13 jaren duurde, en toen
Nebukadnezar eindelijk de stad veroverd had, vond hij ze zonder
menschen. De inwoners hadden ze met al hun have verlaten en waren naar
een naburig eiland gevlucht, waar zij spoedig weder een nieuw Tyrus
oprichtten met al de pracht van 't oude. Dit werd de hoofdzetel van den
wereldhandel en bleef het, tot dat, 300 jaar later, de koning +Alexander
van Macedonië+ kwam en de stad na eene belegering van zeven maanden
veroverde. Hij liet haar wegens haar wanhopigen tegenstand in puinhoopen
verkeeren. De inwoners werden neergesabeld, aan het kruis geslagen of
als slaven verkocht. Alexander liet Tyrus wel weder opbouwen, maar de
oude heerlijkheid was voorbij, want hij grondde nog in 't zelfde jaar
een stad aan den mond van den Nijl, naar hem Alexandrië geheeten, die
den handel van Tyrus wegtrok. Sedert dien tijd is het Phoenicische
kustenland door voortdurende verzandingen tot een ware zandwoestijn
geworden en armelijke visschershutten staan heden daar, waar vroeger de
volkrijkste steden bloeiden.
Verreweg de belangrijkste van alle Phoenicische koloniën was Karthago,
op de noordkust van Afrika, oorspronkelijk eene Sidonische nederzetting,
maar die van Tyrus nieuw bloed en leven kreeg, en na de rampen dezer
stad op hare beurt eeuwen lang bloeide. Haar gebied strekte zich rechts
en links uit en reikte diep landwaarts in. Naar 't voorbeeld van 't
moederland coloniseerende, kwamen Sardinië, Corsica en de grootste
westelijke helft van Sicilië in haar bezit. Later zullen we het in den
kamp tegen Rome zien ondergaan.