1. De Perzen stonden in overouden tijd onder de heerschappij der Meden,
en ook dezen waren eens, gelijk ook de Babyloniërs, onderdanen van
+Assyrië+. Deze Semietische staat toch had sedert ± 1300 v. Chr.
verschillende omliggende landen onderworpen en eeuwen lang beheerscht.
De hoofdstad Nineveh was een toonbeeld van pracht en rijkdom. Zij lag
aan den Tigris of Tiger, had 12 mijlen in omvang, en werd omringd door
muren met 1500 torens. Naar den naam dier stad heeft men zich een
stichter gedacht, Ninus, gelijk er ook een Assur als grondlegger van den
staat verdicht is. Maar terwijl de een Ninus 9 à 10 eeuwen later plaatst
dan de ander, is er geen historisch bewijs voor zijn bestaan. De legende
kende hem eene echtgenoote toe, Semiramis, eerst gehuwd met een' zijner
generaals, nog vroeger slavin, later heerscheres door schoonheid
en geest over vorst en staat. Aan haar werden al de bovengenoemde
veroveringen van Armenië, Bactrië, Mesopotamië, enz. enz. toegedicht,
even als de hangende tuinen van Babylon. Van deze is echter de
historische oorsprong anders, zooals wij beneden zullen zien. Maar hoe
mythisch deze tijd ook is, d. w. z. hoezeer waarheid en verdichting
vermengd zijn en ofschoon het onmogelijk is deze van elkander te
onderscheiden, daarmeê is de machtsuitbreiding en eeuwen lange
heerschappij van Assyrië over allerlei aangrenzende en meer verwijderde
volken niet geloochend. Eene reeks van vorsten uit verschillende
dynastieën worden ons genoemd, o. a. +Salmanassar+, die ± 725 v. Chr.
Israël, het rijk der 10 stammen (blz. 21), en Phoenicië onderwierp. Toen
echter zijn opvolger Sanherib een ongelukkigen veldtocht naar Egypte
ondernomen en ook bij de belegering van Jeruzalem een groot leger
verloren had, maakten zich achtereenvolgens verschillende onderworpene
landen vrij. Zoo zien wij in het Arische +Medië+ 712 à 710 v. Chr. een
koning Dejoces aan 't bewind, en in deze schoone bergstreek de sterke
hoofdstad Ecbatana gesticht. Zijn opvolger Phraortes onderwierp 640 v.
Chr. de stamverwante Perzen. En, even als Medië, werd ook +Babylonië+
vrij van Assyrië, volgens de overlevering, doordien de stadhouder
Nabopolassar zich onafhankelijk maakte. Nu was dus het groote
Assyrische rijk opgelost niet alleen, maar zelfs bestemd om op zijn
beurt de buit der vroeger onderworpene landen te worden. Nabopolassars
zoon en mederegent toch, +Nebukadnezar+ van Babylonië, en de derde
koning van Medië, +Cyaxares+, verbonden zich tegen Niniveh, namen en
verwoestten die beroemde hoofdstad, waarvan eerst sedert 35 jaren
overblijfselen zijn gevonden, en verdeelden het Assyrische rijk, zoodat
de Tiger de grens werd. De oostelijke of linkeroever kwam bij Medië, de
andere, dus ook de Israëlieten, bij Babylonië. De laatstgenoemde vorst
hiervan veroverde ook Juda, het rijk der twee stammen. Maar onder zijne
opvolgers ging ook zijn rijk ten gronde, zooals straks blijken zal.
2. De opvolger van Cyaxares was Astyages, onder wiens regeering de Pers
+Cyrus+ of +Kores+ geboren werd, over wiens geboorte en opvoeding zeer
wonderlijke sagen bestaan. Zijne moeder zou eene dochter van den koning
geweest zijn, en deze laatste door een droom verschrikt had hem willen
doen ombrengen. Maar de knaap was door een' herder opgevoed en toen
toevallig bij den koning gekomen, die nu geen haat meer koesterde. Wat
hiervan waar zij, zooveel is zeker, dat Kores zijne landgenooten, de
Perzen, bevrijdde van de Meden en Astyages onttroonde, 558. Het lag niet
in zijn plan alleen den Perzen de vrijheid te hergeven en de Meden
zelfstandig te laten bestaan. Neen, de vroegere heerschers moesten op
hunne beurt gehoorzamen, de Perzen het hoofdvolk, hij machtiger monarch
dan iemand vóór hem worden. Na zich van de heerschappij en van de
Medische onderwerping verzekerd te hebben, besteedde hij eenige jaren
aan de ten onder brenging van een aantal oostwaarts gelegen landen,
Parthië, Bactrië, Sogdiana, enz. enz. zoodat zijn scepter tot aan den
Indus reikte. Daarna onderwierp hij aan de westzijde de Armenische
landen tot aan den Kaukasus en den Halys (midden in Klein-Azië, aan de
noordzijde). Aan de overzijde van deze rivier lag het +Lydische+ rijk,
voortgekomen uit een gedeelte van West-Klein-Azië, Lydië, welks vorsten
de omliggende landen onderworpen hadden, namelijk de geheele westelijke
helft van Klein-Azië, waar zich zeer veel Grieken hadden nedergezet, als
in Ephesus, Smyrna, enz. In dit rijk heerschte nu koning +Croesus+, die
met schrik Kores' macht tot aan zijne grenzen zag naderen. Hij waagde
het hem weerstand te bieden, maar leed eene geduchte nederlaag en
werd gevangen genomen. Daarop wilde Kores den rijken Croesus laten
verbranden. Reeds was de brandstapel opgericht en Croesus geboeid daarop
gebracht. Toen liet hij plotseling den doordringenden kreet hooren: "O
Solon, Solon, Solon!" en Kores was begeerig te weten, wien hij riep. Hij
liet daarom Croesus afstijgen van den mutserd, en verlangde van hem te
weten, wat die roep beteekende. Eerst wilde Croesus niets bekennen, maar
verhaalde daarop het volgende:
"Eens kwam tot mij een wijs man uit Griekenland, met name +Solon+. Ik
liet hem al mijne schatten toonen, en hoopte, dat hij mij gelukkig zou
noemen. Toen hij echter zweeg, zeide ik tot hem: "Solon, gij hebt zoo
ver in de wereld rondgereisd en zooveel menschen gezien; zeg mij, wien
houdt gij wel voor den gelukkigsten?" Daarop noemde Solon mij een'
burger van Athene, met name Tellus, die veel vreugde aan zijne kinderen
beleefde en voor het vaderland stierf, dat hem een eerzuil liet
oprichten. Ik vroeg nog verder naar gelukkigen en hoorde van twee
Grieksche jongelingen, die hunne moeder innig vereerden; van mij echter
zeî Solon niets. Toen kon ik mijn verdriet niet langer verbergen en
sprak: "O vreemdeling, acht gij dan mijn geluk zoo gering, dat gij
mij niet eens met gemeene burgers in vergelijking stelt?" En Solon
antwoordde: "Dikwijls is een arm man veel gelukkiger dan een rijke. En
dan bedenk ik altijd, dat er in een menschelijk leven veel veranderen
kan. Gij zijt nu zeer rijk en koning over een groot volk; ik kan u
echter niet den gelukkigsten mensch noemen, vóór dat ik verneem, dat gij
uw leven ook gelukkig ten einde gebracht hebt. Bij alle dingen moet men
op het einde letten, en vóór den dood mag men niemand gelukkig roemen."
Zoo sprak de wijze Solon; maar ik verachtte hem en liet hem nooit weêr
vóór mij komen. Sedert heb ik reeds veel ongeluk gehad, en heden, in den
grootsten nood, is Solon mij in de gedachte gekomen. Nu weet gij, o
Kores, waarom ik dezen naam riep."
Kores was diep geroerd. Hij schonk Croesus het leven en hield hem
als vriend en raadgever bij zich. Maar de landen, waarover Croesus
geheerscht had, kwamen bij Kores' rijk, ± 549. Nu was er van het bekende
land van Azië maar één groote staat over, die nog niet tot de Perzische
heerschappij behoorde, Babylonië. Reeds had het geheimzinnige schrift
aan den wand Belsazar verkondigd, dat zijn rijk _Upharsin_, aan de
Perzen, zou komen. Maar de hoofdstad, Babylon, was sterk en groot.
Prachtig lag zij aan beide zijden van den beneden-Eufraat en had 9
mijlen in omtrek. De haar omringende muur was als een toren zoo hoog en
zoo breed, dat op haar kruin meerdere rijtuigen elkaar passeeren konden.
Tot ingang waren er 100 koperen poorten. Ook de oevers van de rivier
waren aan beide zijden door een hoogen muur besloten, die zooveel
poorten had, als er straten op uitliepen. De brug, die over den Eufraat
leidde, was 9 meters breed en aan elke zijde met een groot paleis
getooid. Deze paleizen droegen op gewelfde terrassen de fraaiste tuinen,
die met hun prachtigen aanleg vrij in de lucht schenen te zweven. Men
noemde ze daarom de zwevende of hangende tuinen en telde ze tot de
wonderwerken der oude wereld. Kende de legende ze toe aan Semiramis
(blz. 14), de geschiedenis leert, dat Nebukadnezar ze had laten
vervaardigen, om door den rijzenden en dalenden grond de glooiingen der
bergen na te bootsen. Zijne vrouw was eene Medische prinses, dochter
van Cyaxares, en verlangde in het vlakke Babylonië terug naar de
berggezichten uit haar geboorteland. -- In een deel der stad, dat eene
geduchte ruimte insloot, verhief zich een groote toren, die met den
tempel aan zijn voet aan den zonnegod +Baal+ of +Bel+ gewijd was. Hij
heette daarom toren van Baal, maar later ook Nimrodsburg, en bestond uit
8 verdiepingen, die naar boven altijd nauwer werden en met een trap
voorzien waren.
Deze reuzenstad, van welke nog slechts puinhoopen voorhanden zijn, kon
Kores niet met geweld veroveren, hij nam ze echter met list. Toen eens
in Babylon een groot feest gevierd werd, liet hij in de duisternis van
den nacht het water van den Eufraat afleiden. Daarop marcheerden de
Perzen in de rivierbedding onder den muur door en overvielen de
inwoners, die slechts aan hunne feestelijkheid gedacht hadden. Zoo werd
Kores meester van Babylon en het geheele Babylonische rijk, 538, en gaf
den Israelieten verlof naar het heilige land terug te gaan, waarmeê
hunne 70 jarige Babylonische ballingschap eindigde.
3. Kores' veroveringstochten werden voortgezet door zijn zoon
+Cambyses+. Deze, als zeer wreed afgeschilderd, was de onderwerper
van Egypte, 525 (blz. 13). Spoedig daarna stierf hij en zou, bij
ontstentenis van een zoon, opgevolgd zijn door een' jonger' broeder,
hadde hij dien niet reeds vroeger in 't geheim laten vermoorden. Nu nam
een Medisch priester de rol van dezen op, en, als hij zich had kunnen
handhaven, dan waren de Meden weêr het hoofdvolk geworden. Maar nadat
Pseudo-Smerdis, zoo noemt het Grieksche verhaal hem, eenige maanden
geregeerd had, werd hij door saamgezworenen van den troon gestooten, en
+Darius+, de naaste bloedverwant van Cambyses, werd heerscher. Hij kwam
in Europa, trok den Donau over tegen de Scythen, onderwierp op zijn
terugtocht Thracie en Macedonië gedeeltelijk (dit werd de 20ste
satrapie[1] van zijn groot rijk), bedwong de opgestane Grieken in
het westen van Klein-Azië, ± 500, en vond in de hulp, die dezen uit
het moederland ontvangen hadden, voorwendsel en aanleiding om ook
Griekenland aan te vallen. Dit stiet het Perzische rijk van het toppunt
zijner macht af, zooals wij later bij de Grieken zullen zien.
[1] Om opstanden te voorkomen, had hij overal satrapen.
4. De Perzen waren een dapper en vrijheidlievend volk en hadden veel
overeenkomst met de oude Duitschers. Zij zorgden voor eene krachtige
opvoeding van hunne kinderen, en haatten den leugen als de grootste
ondeugd. Het krijgswezen was bij hen ver ontwikkeld. De sterkte van het
leger lag in de ruiterij. Met het 20ste jaar werd elk man, in staat de
wapenen te dragen, aan eene bepaalde legerafdeeling toegevoegd, en bleef
dan tot zijn 50ste jaar in krijgsdienst. De Perzische koningen regeerden
geheel onbeperkt; maar toch wisten de priesters, +magi+ genoemd, hun
invloed te doen gelden.
De godsdienst der oude Perzen was eene vereering der natuur. Zij hielden
hun' godsdienst op de wijs der oude Germanen, zonder tempels of beelden,
in de vrije natuur, en aanbaden vooral het +vuur+. Toen zich later veel
afgoderij ontwikkeld had, trad een wijs man op, +Zoroaster+, en werd
de eigenlijke stichter van het geloof, dat in de heilige boeken
+Zendavesta+, d. w. z. tekstverklaring, is ontwikkeld. Volgens deze
is er naast den goeden wereldschepper +Ormuzd+ nog een booze geest
+Ahriman+, en vele aan hen ondergeschikte wezens, goede en kwade
engelen. Ook Ahriman was aanvankelijk goed en werd eerst door nijd
omgekeerd. Zijn element is de duisternis, gelijk dat van Ormuzd het
licht is. Na langen tijd en zware boete zal hij weêr heilig en goed
worden. Als eenmaal de beheerscher van het booze geheel overwonnen is,
volgt de opstanding der dooden en de verjonging der wereld.
De belijder van deze leer moet deugdzaam, weldadig en gastvrij zijn;
nooit mag hij het streven der boozen onverschillig en zorgeloos aanzien;
hij zal zich rein houden ook in zijne gedachten. Dit schoone voorschrift
betrekkelijk de innerlijke reinheid werd later geheel uiterlijk opgevat.
Er ontstonden zonderlinge manieren van reiniging; eindelijk gold zelfs
al het menschelijke voor onrein, terwijl het vuur voor zoo heilig
verklaard werd, dat men het niet aanblazen mocht, en dat men het tot
geene bezigheid aanwenden moest. Daarbij kwamen nog andere bevreemdende
stellingen, die de godsdienstleer van Zoroaster zeer verbijsterden.
Desniettemin handhaafde zij zich langen tijd, en de vuurdienst duurt bij
een klein gedeelte der Perzen, bij de +Parsen+ of +Gebers+, nog thans
voort.
* * * * *
De geschiedenis der +Joden+ mag als bekend verondersteld worden; daarom
volgen hier slechts de voornaamste jaartallen: Abraham ± 2000 v. Chr.;
Jozef 1800; Mozes 1500; Salomo 1000; verdeeling van het rijk in 10 en 2
stammen 986; verwoesting van het rijk Israël door Salmanasser, koning
van Assyrië aan den Tigris, ± 725, (blz. 14); verwoesting van 't rijk
van Juda 586 door Nebukadnezar, koning van Babylonië, aan den Eufraat
(blz. 15); terugkeering uit de gevangenschap 536, door Kores, koning van
Perzië (blz. 19).