2. De Egyptenaren.

1. Egypte ligt in Afrika, grenst aan de Middellandsche en Roode zee, en

wordt in zijne geheele lengte door den Nijl doorsneden. Deze machtige

stroom is de grootste weldoener van 't land. Hij bevrucht den bodem door

zijne overstroomingen en maakt hem tot de eerste voorraadschuur der

wereld. Naar den loop van den Nijl werd het oude Egypte in drie deelen

verdeeld: in +Opper-Egypte+ met de stad +Thebe+, in +Midden-Egypte+ met

+Memphis+ en in +Beneden-Egypte+, waar later +Alexandria+ ontstond.

Bijna eene mijl van den oever der zee af lag het eiland +Pharos+, dat

door een' dijk met het vaste land verbonden werd. Op dit eiland verhief

zich de beroemde lichttoren, +Pharos+ genoemd, naar welken later alle

andere dien naam gekregen hebben. Hij diende in donkere nachten als

wegwijzer voor de naderende schepen met hooge zee, en werd onder de

wonderen der oude wereld gerekend.

2. Geen volk heeft aan de nakomelingschap zulke reusachtige

gedenkteekenen zijner bouwkunst nagelaten, als de Egyptenaren. Het eerst

van alles moeten de +pyramiden+ vermeld worden, die in Midden-Egypte,

aan de westzijde van den Nijl, staan. Het zijn groote, vierhoekige

gebouwen, die naar boven altijd smaller worden en inwendig uit veel

gangen en kamers bestaan. Gewoonlijk uit kalksteen gebouwd, bereiken zij

eene hoogte van 5 tot 140 meters, en zijn niets dan gedenkteekenen van

Egyptische koningen.

De Egyptenaren besteedden in 't algemeen veel vlijt aan de graven en

lijken. Om het bederf der dooden te verhinderen, overtrokken zij ze met

een verhardende, doorzichtige stof, de aardhars +mum+, waarnaar men de

gebalsemde lijken +mumiën+ noemt. Deze zijn gedeeltelijk tot aan den

huidigen dag in stand gebleven, zien er zwart uit en zijn zoo hard als

steen. De rustplaatsen der ontslapenen werden in de westelijk gelegen

rotsbodems uitgehouwen, waar zij door den buiten zijne oevers tredenden

Nijl niet konden verontrust worden. Onder de graven zijn de +katakomben+

bij Thebe beroemd, die uit eene menigte gangen, vertrekken, zalen en

trappen bestaan en met beelden en schriftteekens versierd zijn.

In Opper-Egypte zijn ook de +obelisken+ opmerkelijk, vierhoekige zuilen

uit een' enkelen steen, van graniet gewerkt, 15-30 meters hoog en tot

2 meters breed, fijn gepolijst en met beelden voorzien. Zij werden

voor tempels, paleizen en tuinen geplaatst en dienden tot sieraad of

tot gedenkteekenen van merkwaardige gebeurtenissen, later ook als

zonnewijzers. De monsterachtige massa's der obelisken werden ten tijde

der overstrooming van den Nijl op vlotten bijeengebracht en dikwijls

door bijzondere kanalen vervoerd. In Midden-Egypte bevinden zich de

overblijfselen van een reusachtig gebouw, dat uit twaalf paleizen

bestond en 3000 kamers bevatte. Ook dit bouwwerk, +labyrinth+ genoemd,

was met kunstige beelden getooid.

3. De schriftteekens, die zich op de gedenkteekenen der Egyptische

bouwkunst bevinden, zijn van een geheel eigenaardige soort. Zij bestaan

namelijk uit beelden, die met groote netheid geteekend zijn en, òf het

voorwerp zelf voorstellen, òf, als dit niet mogelijk is, als b.v. bij

eigenschappen, bekende zinnebeelden geven, als de bij voor vlijt en

dergelijke, of ook zekere klanken aanduiden. Deze teekeningen werden

+hieroglyphen+, d. i. heilig schrift, genoemd en lang als geheimenissen

met verwondering beschouwd. Sedert men echter bevond, dat zich onder de

schriftbeelden ook dezulke bevinden, die vaak wederkeeren, vermoedde

men, dat de Egyptenaren dikwijls als wij, bepaalde klanken door bepaalde

teekens uitdrukten. Op het eind der vorige eeuw nu deed men eene

belangrijke ontdekking. Met Bonaparte, toen generaal der Fransche

republiek, vóórdat hij keizer werd, waren een aantal geleerden naar

Egypte gegaan. In den Nijlmond bij Rosette vond men een steen met

opschriften uit de oudheid. Hij vermeldde het besluit tot huldiging van

een vorst omtrent 2 eeuwen vóór onze jaartelling, in hieroglyphen, het

toen nog raadselachtige heilige schrift der oude Egyptenaren, en in het

Grieksch, in de laatste eeuwen vóór Christus de algemeene taal in de

oostelijke landen der Middellandsche zee. Er was bij vermeld, dat de

inhoud der verschillende opschriften gelijkluidend was. Maar hiermeê was

de sleutel tot de hieroglyphen nog niet gevonden; dit is eerst veel

later (± 1821) gelukt aan Champollion, een Fransch geleerde. Na den

dood van het overoude Egyptisch toch had er in het Nijldal eeuwen lang

eene taal geleefd, die nu ook reeds dood, maar toch nog bekend was,

het +Koptisch+. Men kwam op de gedachte der mogelijkheid, dat er

verwantschap kon bestaan tusschen deze taal en de vroegere. Als proef

vertaalde men het Grieksche opschrift van den steen in het Koptisch, en

vond toen eene merkwaardige en verrassende overeenkomst tusschen de

letterfiguren van de stammen dier woorden en de hieroglyphen op den

steen. Op deze bevinding kon men voortbouwen ter ontcijfering van het

schrift, ook van verscheidene andere inscripties, waaraan men eene veel

nauwkeuriger kennis van het oude Egypte te danken heeft. Men nam waar,

dat de Egyptenaren in den loop des tijds een +klankenschrift+ gevormd

hadden, daar zij eerst dezelfde woorden, vervolgens dezelfde

lettergrepen en klanken door bepaalde beelden voorstelden en deze steeds

meer vereenvoudigden.

Als men zeer duidelijk zien wil, hoe nuttig +de uitvinding der

klankteekens of letters+ is, behoeft men slechts aan de +Chineezen+ te

denken. Dit volk, dat naast de Egyptenaren en +Indiërs+ tot de oudste

volken der wereld behoort, heeft nog heden geen volledig stel van

letters, maar voor elk woord eene afzonderlijke figuur. Daar heeft men

nu veel duizenden schriftteekens te leeren, wat veel tijd en groote

inspanning vereischt, terwijl wij slechts twee dozijn letters hebben

te leeren, waarmeê wij alle woorden lezen en schrijven kunnen. Het

letterschrift behoort tot de meest grootsche uitvindingen van den

mensch. Het geeft gemakkelijkheid om het ervarene en gedachte vast

te houden en uit te breiden; het behoedt de gebeurtenissen voor

vergetelheid en bevordert de beschaving in hooge mate.

Terwijl men in oude tijden meestal op steenen of metalen schreef, waren

de Egyptenaren zoo gelukkig eene plant te hebben, waarvan zij een

schrijfmateriaal vervaardigen konden. Zij hadden de +papyrusstruik+, die

aan ons papier den naam gaf. Deze heeft eene vezelachtige huid, die men

in enkele lange deelen uitleggen kan. Had men de vezels naast elkander

gelegd en met warm Nijlwater begoten, dan bracht men eene tweede laag

vezelen dwars over de eerste, perste beide samen, liet ze drogen en

streek ze glad. Zoo was een papier gereed, dat voor den ouden tijd van

de grootste beteekenis was.

4. De Egyptenaren waren in standen verdeeld, die men gewoonlijk +kasten+

noemt. Er waren er vier à zeven. De geëerdste kaste was die der

+priesters+. Zij waren opvoeders en raden der koningen, die men hier

+pharao's+, d. i. verhevenen, noemde; zij richtten het volk naar eigene

wetten; zij namen den loop der sterren waar en regelden den kalender;

zij waren de eenige geleerden in het land. Naast de priesters waren

de krijgslieden de +aanzienlijkste+ kaste. Dezen vormden geen heir

van soldaten, maar waren vrije burgers met grondeigendom en woonden

in afgezonderde rechtsgebieden. De overige kasten bestonden uit

+landbouwers+, +handwerkslieden+, +schippers+ en +herders+, en hadden

minder rechten dan de priesters en krijgslieden. Deze waren veeleer de

alleen heerschende klassen, die ook in 't bezit van alle landerijen

waren.

De godsdienst der Egyptenaren bestond in de vereering van

natuurlichamen. De +zon+ werd als de hoogste kracht beschouwd en als

god +Osiris+ vereerd; +Isis+ was de godin der aarde. Eene bijzondere

vereering genoten ook de dieren. Er was bijna geen dier, dat zij niet

aanbaden, als het zich door nut of schade aan te brengen onderscheidde.

De nuttige dieren vereerden zij uit dankbaarheid, de schadelijke

daarentegen uit vrees. Zoo was de +ibis+, behoorende tot de orde der

moerasvogels of steltloopers, den Egyptenaren heilig, omdat hij de

slangen in het slib van den Nijl opat. De +krokodil+ echter werd uit

vrees vereerd. Dit groote roofdier, bijna twintig voet lang en met eene

zeer harde, schubbige huid gepantserd, behoort tot het geslacht der

hagedissen en is voor de menschen zeer gevaarlijk. Eene bijzondere

vereering viel den +katten+ ten deel. Hare beenderen werden gebalsemd en

plechtig begraven. Wie een kat ombracht, was des doods. Eens had een

Romeinsch soldaat in Egypte een kat gedood. Dadelijk ontstond een oploop

van 't volk, en noch de smeekingen der priesters, noch de vrees voor de

Romeinen konden het tot rust brengen. De ongelukkige moest zijne daad

met het leven boeten.

Toch was het niet zeldzaam, dat men in de eene stad zekere dieren

vereerde, welke in eene andere zonder aarzelen geslacht werden. Slechts

de os, +Apis+ genoemd, schijnt algemeen het meest vereerd te zijn

geworden. Hij was voor de Egyptenaren een zinnebeeld van den akkerbouw,

die in het hoogste aanzien stond. De geschiedenis van het gouden kalf,

dat de Joden eenmaal in de woestijn vereerden, herinnert duidelijk aan

den Egyptischen afgodendienst met den stier.

5. Ofschoon Egypte zeer rijk is aan oude gedenkteekenen, kent men toch

de oude geschiedenis van dit land zeer weinig. De Egyptenaren leidden

een zeer afgezonderd leven en hielden hun land voor vreemdelingen

tamelijk gesloten. Onder de vroegste koningen worden +Menes+ en +Chufu+

of +Cheops+ vermeld, de eerste als stichter van Memphis en den

Egyptischen staat, de tweede met zijne opvolgers als grondleggers der

fraaiste en grootste pyramiden bij genoemde stad. Een latere koning, met

name +Amenemha+ III, zou het meer +Moeris+ aangelegd hebben, dat in

Midden-Egypte ligt en met het Jozefskanaal in verband staat. Het zou

gediend hebben om bij de overstroomingen van den Nijl het overtollige

water op te nemen en in drooge tijden dit door kanalen te rechter

plaatse te brengen.

Nadat volgens de opgaven reeds verscheidene dynastieën gedurende een

aantal eeuwen over het land geregeerd hadden, kwam uit het noordoosten

een herdersvolk, Hyksos genaamd, veroverde het grootste gedeelte van

Egypte (noord en midden) en werd eerst na vijf eeuwen weer verdrongen.

Daarop verhief zich het land tot eene groote macht. De vorsten breidden

hunne heerschappij uit over omliggende landen, zoowel in Azië als in

Afrika. Van de toenmalige koningen wordt vooral Ramses II of Sesostris

genoemd; hij deed krijgstochten naar verre landen en bracht grooten buit

huiswaarts. Na hem schijnt Egypte's macht gedaald, en het land tot zijne

natuurlijke grenzen beperkt te zijn. Toen, ongeveer zes eeuwen later, de

+Ethiopiërs+ van uit het zuiden binnengedrongen waren, en het boven- en

middendeel van 't land vermeesterd hadden, verhieven zich de Egyptenaren

op nieuw tot omverwerping der vreemde heerschappij. Deze werd verdreven

en het land daarop door 12 personen geregeerd (dodekarchie), onder

welken Psammetichus op den voorgrond trad. Zoo ontstond er nijd en

twist. Toen echter Psammetichus door gelande Grieken ondersteund werd,

verdreef hij alle medebestuurders en werd alleenbeheerscher van Egypte,

± 650 vóór Christus. Sedert kreeg het land een nieuw leven. Er ontstond

een levendig verkeer met de omliggende volken, vooral met de Grieken.

Ten gevolge daarvan werd zelfs eene nieuwe kaste gevormd, die der

+tolken+. De zoon van Psammetichus, Necho, heerschte eveneens machtig en

wijs. Om den handel te bevorderen, deed hij eene poging, tusschen de

Middellandsche en de Roode zee een kanaal aan te leggen. Ook wekte hij

zeevaarders op, het werelddeel Afrika om te zeilen. Toen hij echter op

veroveringen uitging, geraakte hij in ongeluk en geheel Egypte met hem.

Hij werd door +Nebukadnezar+, den krijgshaftigen koning van Babylon,

overwonnen bij Circesium, 605 v. Chr., en reeds ¾ eeuw later verloor

Egypte zijne onafhankelijkheid. De voorlaatste koning +Amasis+ kwam in

oorlog met Cambyses van Perzië (zie blz. 19), en was nauwelijks

opgevolgd door zijn zoon, of deze werd in 525 v. Chr. bij Pelusium

geslagen, waarop het geheele Egyptische land eene Perzische provincie

werd. Herhaaldelijk deed het pogingen om zich te bevrijden, eenmaal met

tijdelijk goed gevolg, en verwisselde in 332 v. Chr. de Perzische

opperheerschappij met die van Alexander den Grooten van Macedonië

(Hoofdstuk 14). Had zoo het land der pyramiden veel te lijden, het

behield een onvermengd volk en handhaafde de aloude instellingen.

Algemeene Geschiedenis in Verhalen: Oudheid · 第 6 / 33 题