LENTE’S KOMST

De Leeuwerikjes hoorden,

De wond’re zoete woorden,

Toen ’t zonnetje op een voorjaarsdag

Heel de aard nog onder ’t sneeuwkleed zag,

De schoone slaapster nog in stille winterruste

Haar lieve namen gevend, wakker kuste.—

Want hij de forsche Bruidegom,[1]

Lei zijn verwarmende armen om

Zijn witte Bruid zij de Aarde.—

En onder ’t stille mingekoos,

Was het, alsof na eene poos,

Zulks gloed en leven baarde,

[1] Om de Zon als Bruidegom voor te stellen wordt zij hier als

mannelijk gedacht.

J. R. K.

De sneeuwwâ ging onmerkbaar los;

Getooverd lag een zachte blos,

Van vreugde en van verlangen,

Op Bruidjes poez’le wangen,

En op ’t welluidend mingeluid,

Kijkt Madeliefje en Sneeuwklokje uit,

In bruiloftspronk en luister,

Tersluiks door ’s sneeuwboeis kluister,

Wijl ieder zich door ’t witte dak,

Nieuwsgierig baan, naar boven brak,—

Een vinkje bruin bestippeld,

Kwam haastig aangetrippeld,

Om niet te laat, waar ’t tijd geweest,

Te zijn op ’t groote huw’lijksfeest.—

Het was een stille luwe nacht,

Een domm’lig windje ging

Des horizons geheelen kring—

Alsof ze iets zocht, onmerkbaar zacht—

Geheel in ’t rond:

Totdat het vond,

Wat het milde Zuiden,

Hem wilde beduiden.

En kwam hem tegemoet.

Met ’s Golfstrooms groet:

Dat hij zonder dralen,

Lente heeft in te halen.

Onder donkre Palmen weg en Tamarinden;

Haalt de Sirocco op zijn zengende winden,—

Van Afrika’s onbekende binnenlanden

Uit Atlas valleien, van Algerie’s stranden

En Eiber en Zwaluw van de Piramiden;

Komt op de lange reize zijn hulpe aanbieden.—

Langs en door Sahara, die luchtkaravanen,

Naar ’t Noorden heêntrekkend op lijnrechte banen,—

Beneden ’t Pendant, het woestijnschip, zwaar zwoegend

En ’t brandende zand der woestijn, dus beploegend;—

Steeds voorwaarts, nooit zijwaarts, nooit rugwaarts, nooit wijkend,

Met haast op de Oasen, om voedsel neerstrijkend,

In duizende tallen. En haastig en spoedig,

Steeds voorwaarts, steeds voorwaarts en nog altijd moedig,

Van Afrika’s oevers, Europa’s Zuidkusten,

De zee overtrekkend zulks zonder te rusten,

Gerangschikt in breede, in ontelbare vluchten

Gedragen op Föhns warme, vochtige luchten,

Wijl Matterhorn’s gletschers in ’t avondrood gloeien,

Weten van rusten niet meer, noch van vermoeien.—

Zij zien onderweg,—

Aan doornen en heg,

Aan struikjes en boomen,

Reeds loovertjes komen;

Maar vinden nog nergens,

Een plekje, waar elders,

Zij wel zouden blijven;

Want iets doet hen drijven,

Iets hoopvols, steeds smachtend.

En nog maar steeds wachtend.

Wanneer ’t zal verschijnen;—

En vlakten verdwijnen,

Wijl bergen en wouden.

Gezelschap hen houden:

Steeds voorwaarts! de kleenen,

Zien reeds om zich henen:

Zwaluwen, kwikstaarten,

Vertragend hun vaarten,—

Of dan toch er nergens,

Een plek hier, of elders,

Tot rusten hen noodt:

De reis is zoo groot!

En de Eibers ontwaren,

’t En roepen die scharen,

Nu zij ’t laten slippen,

En laten hen wippen,

Straks op hunnen staart.

Met gonzende vaart,

Gaan samen zij ijlen

Naar ’t Noorden. Bij wijlen,

Is ’t kleingoed aan ’t babblen,

Wijl luchtgolfjes kabblen

Zich mengt in ’t gesnetter

Van ’t vleug’len geschetter,

Der vogelen Grooten;

En die hun genooten

Soms vriend’lijk toeknikken,

Als zij oogenblikken

Eens luisteren gaan:

En duid’lijk verstaan,—

Als in vuur zij goed raken,—

„Waar dan ’t nestje te maken?

Zal ’t nestje er nog zijn?

Aan ’t oude kozijn!

Op de uitbouw aan ’t muurtje,

Van de oude Lui’s schuurtje,

Zoo ’t Zwaluwpaar passend,

Weer de Oudjes verrassend!”

„Of de Oudjes nog even,

Gezond zijn? in leven?”

’t Schiet de Eibers te binnen,

Of zij op de tinnen,

Des bouwvals of toren,

Hun nest als te voren,

Of op ’t oude rad

Waar ’t jarenlang in den olmboom reeds zat

Weer zullen aanschouwen?

Of dat zij opnieuw moeten bouwen!

Bij dageraads glimmen,

Rijst ver aan de kimmen

Het oude bekende,

De reis is ten ende.

„Zijt mij gegroet vrienden en vriendinnen

Driemaal welkom! Treed mijn gaarde binnen!

Mijnen hof, mijn veld, mijn bosch!

Huppel door mijn twijgen, trippel op het mos!

Maak Hofzanger nu in mijnen wingerd.

Die zich nog steeds om mijn huis heenslingert,

Weer uw nestje, en Eiber zie! nog het uwe op mijne schuur,

Zooals gij mijn ouden vriend, het zaagt in ’t laatste uur

Toen gij met uw maagschap, ’t nog eens kwaamt omringen.

Zwevende door ’t luchtruim in maatlooze kringen!

Duifje, bouw straks in de groene pennen.

Mijner hooge donkre dennen,

Gij Houtekster, wier nest ik nu kwam,

Tusschen jonge twijgjes eerst te zien, op den afgeknotten wilgenstam,

Zie, mijn schuwen vogel, zijt gij ook gezind

Eens te zoeken of gij zoo iets ook niet weder vindt!

Prachtige Lijster in het zwart!

O, ik heb voor u zoo hart,

Die zoo dikwijls mij bij lenteavondstond,

Van al de eerstelingen Zangers, mij uw liedren zond.

Schelvink, maak weêr in mijn pereboom,—

Met uw wijfje, zonder schroom.

Bij het overblijvend restje,

Van verleden jaar, opnieuw van mos, uw nestje;—

Hang uw wollig huis, o gouden weduwaal,

Op, in ’t elzenhout en gij mijn Dierbre Nachtegaal!

U naar eigen welgevallen,

’t Schoonste, ’t stilste, ’t groenste, ’t dichtste plekje, nog van

allen,—

Maar evenwel, toch allen, gij vogeltjes, klein en groot,

Worden zonder uitzondering ten mijnent genood!

Treed allen met blijden zin,

Mijn dreven, mijn velden, mijn bosschen vrij in!

Huppel en bouw van ’s morgens vroeg,

Voor allen is nooddruft en ruimte genoeg.—

Stem thans gij Bruidskoor der Lente,

Onder knoppen en bloesem der loovertente—

Waar ge eerlang zult wonen,—”

In die feestzaal uw toonen!—”

Op een zoelen morgen druppelt,

Vruchtbaar ’t van de wolken af,

Ied’re knop als aangeraakt door eenen tooverstaf.

Wordt tot bruidskleed; en gekoppeld,—

Met festoen,

Van groen,—

Staan daar beuk en berk en eiken,—

Hun elkander de armen reiken:

’t Al trekt thans het feestkleed aan,

Is gereed ten feest te gaan.

Men verwacht thans nog den Bruigom-Koning,

Uit zijn hooge wolkenwoning,

Ziet hij toeft nog slechts,

Of naar links en rechts,

Alle verre bruiloftsgasten,

Klaar zijn voor het Lentefeest,

Want zoolang de droppels plaschten,

Waar’ het jammer om al ’t schoon geweest.

Ziet een blik van boven.

Om weêr uit te dooven,

Vliegt eensklaps in ’t rond;

Die een rustplaats vond,

Waar sneeuwklokjes bloeien,

Maar daar komt hij weder,

Als van boven neder;

’t Al begint te gloeien,

In den eigen stond;

Toovert licht en gloed.

En het zangkoor doet,

Als in ’t groen verloren,

’t Eerste welkom hooren;

Totdat straks het koor,

Duizendstemmig, door,

Al de groene zalen,

’t Jublend doet herhalen.

Voor U, Zon! hooge Bruidegom!

Zingt alles in ’t rondom!

Voor U, Bruidje! bloeiende Aarde,

Is ’t dat zich klank met liedren paarde;

En juicht het luide, „Wellekom”,

Alom.

Maar voor den eersten bruiloftsnacht,

Heeft Nachtegaal U ’t schoonst nog toegedacht.—

Wil Kers thans en Peer uwen luister ontplooien.

Kom Ribus en Pyhrus met bloesem u tooien;

Prijk reuzenbloemtuil, Kastanje!

Zaai bont en geel, blauw en oranje,

Lente door ’t groenende veld:

Zephiers vertelt,

Aan slapende Vlinderkens, dat ons ’t vogelenlied de Lente vermeldt;

Waai uit hooge halmen van zegenend graan!

Wanneer ik de Linde ook in bloei straks zie staan,

Wanneer zij zal geuren,—

Dan open uw deuren,

Van voorraad alom,

Van zegen, reeds dan Moeder Aarde in ’t rondom!

Vervul lief’lijke Lente!

Met dubbele rente,

Meer dan werd verwacht,

Worde uit uw volheidshoren

Meer nog dan ooit te voren,

Ons weer op nieuw gebracht.

En stemme zoo ’t gemoed,

Dat den mensch danken doet!

’T MADELIEFJE

O Madeliefje, teer en klein,

Zoo nederig, als smet’loos rein,

Gij liefje van de Made![2]

Als Beeld der Onschuld daar geplant,

Gestikt door ’s Hoogen Scheppers hand,

Op ’s weidlands groene wade.

Wat is ’t, daar ’t oog graag op u rust?

Is ’t, dat ge u zelven ’t onbewust,

Zoo ned’rig, zoo bescheiden

Ons treft? zeg! is het dan niet dit:

Dat sterrenreine rood bij wit.

Lief kind der groene weiden?

Er prijken duizenden in kleur,

Er aad’men duizenden hun geur,

Vervolgens om u henen,

Al prijken, geuren zij om ’t zeerst!

Gij lieve kleine, waart het eerst,

Als lenteboô verschenen.

Zoo stort gij hoop in menig hart,

Dat diep bezwaard door leed en smart,

U groenen ziet ten leven,

Ten trots van ’t gure jaargetij;

Gij heft uw kelkjes vrij en blij,

Van smart en zorg ontheven.

En daarom zijt ge ons lief en waard;

Ons wordt, als ’t oog zoo op u staart,

In ’t hart ons wel te moede.

De Schepper kleedde u met die pracht,

Waarin gij zoo onschuldig lacht,

En houdt u in Zijn hoede.

[2] Maadland (grasland)

Natuur en leven · 第 10 / 45 题