LENTE’S ONTWAKEN

De wilgenkatjes gelen,

Nu weer de windjes spelen,

Van waar de zonnestralen,

Op ’t groen der weiden pralen;

Waarin de lamm’ren dart’len.—

In ’t kreekje wat een spart’len,

Van baarsje en zilv’ren voren!

Terwijl uit jeugdig koren,

De leeuwerikjes stijgen.

En madeliefjes rijgen,

Als blanke parelsnoeren,

Door s’ weid’lands groene vloeren,

Aan gouden boterbloemen,

(Te veel om op te noemen,)

Zich, bont de velden kleurend,

Hun kopjes opwaarts beurend!

Dit is ’t verjongde leven;

Dit is het stille streven,

Naar ’t zich ontwikk’len, groeien,

En naar het hoogste: bloeien!

Opdat in volle schoonheid,

Het al zich straks ten toon spreidt.

Natuur en leven · 第 9 / 45 题