VERLANGEN

Wanneer in groene dreven,

De koeltjes zachtkens zweven,

De takjes wieg’lend beven,—

En als de zangerskoren,

Dan hunnen zang doen hooren,

En hart en zin bekoren:

Dan zal ik naderen,

In luwte van de bladeren,

En toon bij toon vergaderen.

De bloesem, half ontloken,

In blad’rengroen gedoken,

Heeft wierookgeur ontstoken:

En door dien geur bevangen,

Is ’t of der zangren zangen.

Een schoon’re toon erlangen:

Met U wil ik dan fluisteren,

Me aan uwe stilte kluisteren,

Natuur en met u luisteren.

Zing dan o nachtegalen,

Bij ’s maanlichts zachte stralen,

Als lentekleuren malen;

Ik zal bij u vertoeven,

In smart en bij bedroeven,

En uw gezang behoeven.—

Naar U is het verlangen;

Tot dat aan uwe zangen,

Geheel het hart blijft hangen.

Natuur en leven · 第 8 / 45 题