teleurstelling te lezen; sommigen zeggen zelfs, dat er een traan in
haar oog parelt. Peter moet overwinnaar zijn. Annie's oog glinstert
van genoegen. Griete klapt van vreugde in de handen.
Zoo rijden zij ten tweeden male naar den eindpaal, Hans altijd vooruit,
dan Karel Schimmel, dan Ben, daarna Peter en eindelijk de anderen. Daar
rijden zij den paal om en Peter is weer de voorste. Hilda juicht. Maar
op hetzelfde oogenblik schiet Karel ze allebei vooruit--'t scheelt
maar één seconde--maar de uitroeper schreeuwt:
"Karel Schimmel eenmaal gewonnen!"
De muziek valt weder in, terwijl de meisjes zich opnieuw tot den
wedren scharen. Mevrouw De Bruyn staat weder op, wenkt de muziek,
wuift met haar zakdoek en 't is of er twintig pijlen uit twintig
bogen losschieten--zoo snellen zij over de spiegelgladde baan.
Maar niet lang blijven zij gelijk; al heel spoedig zijn ze
verdeeld. Toch schelen zij al heel weinig. Maar daar rijden zij den
paal om. Dat is altijd het gevaarlijkste punt. Eenige andere gloeiende
gezichtjes, met oogen schitterend van vreugd, komen vooruit. Kato
is de eerste, op haar volgt Hilda, maar Griete en Truida zijn meer
in de achterhoede. 't Is of Griete verslapt. Zou ze straks al haar
krachten verspild hebben? Daar schiet Truida haar vooruit en zij
neemt een nieuwen, geweldigen zet, vliegt Truida en Hilda voorbij
en is reeds vlak bij Kato. Zoo rijden zij de tent voorbij en weder
naar den paal. Een oogenblik blijft Hilda achter; ze verzamelt nieuwe
krachten. Maar bij het omzwaaien van den paal schiet zij eensklaps
vooruit. Honderden stemmen moedigen haar aan door een luid "hoezee!" 't
Is of haar dit nog meer vaart geeft. Truida, Kato en Griete zijn haar
vlak op de hielen: maar Hilda vliegt steeds voort--reeds ziet zij
de tent--Peter van den Helm staat met ingehouden adem te staren--nog
een enkele seconde:
"Hilda de Bruyn eenmaal gewonnen!" krijscht de stem van den omroeper.
Een luid "hoezee!" klinkt uit duizenden monden en overschreeuwt de
muziek, die zich daverend doet hooren.
Allen wenschen Hilda geluk en onder die allen ook Griete, die 't
niemand liever gunt dan de lieve juffrouw De Bruyn of--Annie Bouman.
Nu is 't weer de beurt aan de jongens. Lang blijven deze niet gelijk;
want reeds bij het eerste omrijden van den paal zijn er drie vooruit:
Hans, Peter en Frits. Dat kan Karel Schimmel niet verdragen. Hij neemt
een geweldigen zet, vliegt over het ijs en komt Frits vooruit. Maar
Hans en Peter laten zich zoo spoedig niet verslaan. 't Is of zij
vliegen--'t is geen rijden meer. Met ingehouden adem volgt de menigte
hen met de oogen. Hans en Peter blijven vooruit. Hilda, Annie en
Griete springen op van de met rood katoen bekleede bank, op welke zij
gedurende de rustpoos gezeten hebben. Met vlammende oogen kijken zij
naar de rijders. Hans en Peter blijven aldoor gelijk. Reeds zijn ze
vlak bij de tent. Daar schiet Peter eensklaps vooruit en de stem van
den uitroeper klinkt:
"Peter van den Helm eenmaal gewonnen!"
Weer dezelfde toejuichingen, weer dezelfde daverende muziek: de menigte
en de muzikanten vragen niet wie er wint; ieder, die overwint, heeft
hun sympathie. Aan het einde der renbaan, dicht bij den grenspaal,
echter heeft een oploopje plaats. Mevrouw De Bruyn kijkt angstig wat
het moge wezen. Peter en Hans snellen derwaarts; de eerste komt met
de tijding terug, dat Karel Schimmel bij het omrijden van den paal
gevallen is, doch zich niet bezeerd heeft. Hij was maar eenigszins
bedwelmd door den val, doch kwam daar al aan, gesteund door Hans, die
veel te veel Hollandsche jongen is, om niet terstond alle vijandschap
te vergeten en zijn vijand, die hem altijd zoo diep verachtte, te
helpen. Met een glas seltzerwater, dat mevrouw De Bruyn hem laat
drinken, is hij spoedig weder beter. Gelukkig echter, dat de muziek
zich aldoor heeft doen hooren; anders had dit ongeval de vreugde wel
eenigszins kunnen verstoord hebben. Onder de schaatsenrijders echter
veroorzaakt het geval weinig deelneming; er is niemand, die van Karel
Schimmel houdt.
De meisjes zijn voor de derde maal geschaard. Wat staan ze daar
moedig, die jonge deernen! Op dit oogenblik ligt er diepe ernst op al
die lieve gezichtjes: want deze rit is die, welke beslist. Ofschoon,
als Griete noch Hilda 't winnen, is er ook voor de overigen nog kans
op het winnen der zilveren schaatsen. En dat maakt, dat ieder meisje
nog moed heeft, dat ieder van haar hoop voedt, om ditmaal beter te
slagen. Sommigen stampen met de voetjes, als paarden die gereedstaan
tot den wedloop. Daar wuift de zakdoek van mevrouw De Bruyn, en
de rijdsters steken af. Wie is daar reeds zoo spoedig vooraan? 't
Is Hilda--of Kato--of Truida--of Annie-- --neen, 't is de kleine
Griete. Bij den vorigen ren heeft zij 't bedaard aangelegd; maar nu is
't haar ernst: zij heeft besloten, dat zij winnen zal. En toch, wanneer
men haar ziet rijden, is 't alsof 't haar niet de minste inspanning
kost--zij glijdt maar voort, altijd vooruit en--hoe de anderen zich
inspannen--zij kunnen Griete niet inhalen. Reeds is de paal ten tweeden
male omgereden--nog altijd is zij vooruit--daar is zij aan het doel....
Of de uitroeper al schreeuwt, 't helpt hem niet: het donderend gejuich
der toeschouwers belet zijn stem te hooren. 't Behoeft dan ook niet;
want duizenden stemmen roepen:
"Griete Brinker heeft de zilveren schaatsen gewonnen!"
Als een vogel is zij over het ijs heengevlogen, als een vogel staat zij
om zich heen te kijken, zoo schuchter en zoo verschrikt; zij wenscht
zoo hartelijk eens naar de plaats heen te vliegen, waar haar moeder
staat. Maar Hans is naast haar en al de meisjes omringen haar. En
wie haar onder allen 't hartelijkst gelukwenscht, is de lieve Hilda,
die geen de minste jaloezie in haar hart voedt, maar zoo gelukkig is
met den triomf van haar beschermeling, alsof zij zelf dien behaald
had. Nu zal niemand het kind meer minachten. De voddenraapster uit
de hut is ze nu niet meer, 't is Griete Brinker, koningin van alle
schaatsenrijdsters.
Hans is trotsch op de zegepraal zijner zuster. Hij kijkt met zijn
heldere oogen rond, om te zien of Peter van den Helm er deel in
neemt. Maar Peter kijkt noch naar den een, noch naar den ander. Peter
ligt op zijn ééne knie, de onrust staat op zijn voorovergebogen
gelaat te lezen. Hij is met haastige gejaagdheid aan zijn schaatsriem
bezig. Hetzelfde oogenblik is Hans bij hem.
"Ach Hans, ben jij daar? Al mijn genoegen is gedaan. Ik wou mijn riem
vaster snoeren en er met mijn mes een nieuw gat in maken en door de
haast snijd ik hem genoegzaam in tweeën."
"Jongeheer," zeide Hans, terwijl hij zijn eene schaats afdoet. "U
moet mijn riem gebruiken."
"Neen, beste Hans, neen, voor geen geld!" roept Peter opspringend
uit. "Doe gauw je schaats weer aan, mijn vriend, en maak, dat je er
bij komt. Ze scharen zich reeds. In een minuut wuift het sein."
"Jongeheer!" smeekt Hans. "U heeft mij uw vriend genoemd. Neem als u
blieft dezen riem. Gauw! Er is geen oogenblik te verliezen. Ik rijd
ditmaal niet mee. Gij hebt reeds ééns gewonnen, gij moet nu winnen. Ik
ben er immers toch niet bij. Jongeheer, gij moet den riem aannemen,"
en doof voor elke tegenwerping, steekt Hans den riem door Peters
schaats heen en smeekt hem die aan te binden.
"Kom, Peter!" roept Frits uit de lijn, "de wacht is op jou."
"Kom, jongeheer! om den wil van mevrouw De Bruyn en juffrouw
Hilda!" smeekt Hans. "Spoed u toch! Daar, de schaats is al haast aan;
maak haar nu maar gauw vast! Ik kan het toch niet winnen. De strijd
is tusschen den jongeheer Schimmel en u."
"Gij zijt een edelmoedige jongen!" zegt Peter, die eindelijk
toegeeft. Hij heeft dan ook spoedig de schaats vast en is op zijn post,
als de muziek en het sein wordt gegeven.
Voort gaan de jongens. 't Is of de stilte nu nog grooter is; men hoort
niets dan het krassen der ijzers. Peter van den Helm is vooruit. 't
Is of hij Mercurius is en of de anderen allen goden van den Olympus
zijn, die hem in volle vaart volgen. Karel komt vooruit--daar schiet
Ben voort en is aan 't hoofd. Reeds is de paal voor de tweede maal
omgereden. Karel en Ben wedijveren om de eerste te zijn. Maar daar
neemt Peter zijn vaart--hij snelt beiden ver vooruit. De tent is
bereikt en onder het donderend hoezee! hoort men duizenden stemmen,
die den uitroeper overschreeuwen:
"Peter van den Helm heeft de zilveren schaatsen gewonnen! Hoezee!
Hoezee! voor Peter van den Helm!"
En donderend valt de muziek in en dit en het geschreeuw klinken
verward dooreen: want Peter van den Helm is in Broek bemind en ieder
verheugt zich in zijn zegepraal. Eindelijk bedaart het gejubel, en
is men in staat om de muziek te hooren. Zij speelt een vroolijk air,
een levendigen marsch. Intusschen scharen zich, op bevel van mevrouw
De Bruyn, al de schaatsenrijders en -rijdsters in een kring vóór de
tent. Aan den eenen kant staat Peter als de grootste, aan den anderen
kant Griete als de kleinste. Hans, die zoo goed hij kon zijn schaats
met Peter's versneden riem had vastgemaakt, staat tusschen dezen en
Jacob Poot, die zich ook bij de rijders gevoegd heeft. Eerst worden
aan allen ververschingen rondgediend; daarop rijden zij, in statige
processie, achter elkander de baan nog eens af, tot aan den paal,
waar zij zich in twee rijen, jongens en meisjes, scharen, en op de
maat der muziek naar de tent van mevrouw De Bruyn rijden. Hier vormen
zij een dubbelen halven kring, in welks midden zich Peter van den
Helm en Griete bevinden.
Nu zwijgt de muziek. Mijnheer en mevrouw De Bruyn staan op, de eerste
houdt een aanspraak, daarop reiken zij de zilveren schaatsen uit,
mijnheer het eene paar aan Peter van den Helm, mevrouw het andere
aan Griete Brinker.
Het lieve kind! Zij beeft als een riet en slaat schuchter de oogen
naar mevrouw De Bruyn op. Zij hoort niet wat mijnheer De Bruyn zegt,
want het is, of om haar heen alles ruischt. Zij ziet even naar
Peter, die iets heel moois bekijkt, o zoo iets schoons, zoo iets
prachtigs! Zij ziet ook zoo iets moois in de handen van mevrouw
De Bruyn, onwillekeurig strekt zij de hare uit.... geeft een kreet
van verrukking en tracht te nijgen--woorden kan zij niet spreken;
zij vliegt naar haar moeder en hangt schier bewusteloos in de armen
der goede vrouw, wie de tranen van vreugde uit de oogen stroomen.
"Griete! Griete! Wat zal je vader blij zijn," roept vrouw Brinker,
en op die woorden is Griete niet meer te houden; zij kruipt onder
het touw door, neemt haar moeder bij de hand--allen maken plaats voor
haar--en spoedig ligt zij in de armen van haar vader, die zijn kleine
Griete met kussen bedekt.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
WAT DE ZILVEREN SCHAATSEN AL UITWERKEN.
't Was of de vreugde over de overwinning zijner kleine Griete de
zinnen van Rolf Brinker verlevendigd had, want eensklaps riep hij uit:
"Hans! Hans! Daar schiet mij de naam te binnen. Schrijf hem gauw op,
eer ik hem vergeet. Het is Thomas Higgs."
Hans schreef den naam terstond op een leitje. Op hetzelfde oogenblik
werd er aan de deur geklopt.
"Zou het de dokter zijn?" zeide vrouw Brinker, terwijl zij opstond
om open te doen. "Dat zou al heel toevallig wezen."
't Was echter niet de dokter, maar 't waren drie jongeheeren: Peter
van den Helm, Frits Verdam en Benjamin Dobbs.
"Goeden dag, jongeheeren," zeide vrouw Brinker, terwijl zij zoo diep
neeg als zij 't geleerd had. "Wel, waaraan hebben wij de eer van uw
bezoek te danken?"
"Goeden dag, vrouw Brinker! Hartelijk gefeliciteerd met de eer,
die je dochtertje te beurt is gevallen," zeide Peter van den Helm.
"Nu, als 't op feliciteeren aankomt, jongeheer," antwoordde vrouw
Brinker, "dan mag ik 't u ook wel doen. 't Was een heele toer, om die
vlugge jongens tweemaal te overwinnen. Daar waren me rijders onder,
hoor! Ik heb het alles met mijn eigen oogen aanschouwd. Want Rolf was
zoo wèl, en toen zei hij: "Nou moest je eens gaan kijken, Mietje. Je
hebt al lang geen uitspanning gehad." En toen ben ik gegaan en heb
alles wat goed gezien: want ik had een drieguldensplaats. Maar toen
Griete de schaatsen had, kwam ze bij mij en toen moest ik naar vader;
dat begrijpt u. Want de goede man wachtte al met ongeduld. En hij
was zoo blij, o zoo blij!"
"Dat laat zich hooren," zeide Peter van den Helm. "Daardoor was ze
zoo gauw weg. Ze had nog eens met mij de baan moeten afrijden om den
prijs te vertoonen."
"Gaat toch zitten, jongeheeren!" zeide Rolf Brinker. "Wel zijn onze
stoelen hard, maar ze zijn rein en zindelijk."
De drie jongens voldeden aan het verzoek van Rolf en zetten zich op
de stoelen, welke vrouw Brinker en Hans bij de tafel plaatsten.
"Goede Hans," zeide Peter van den Helm. "Ik kom je in dank je riem
terugbrengen, aan welken ik mijn overwinning verschuldigd ben. Ik
moet je er nog eens voor bedanken. 't Was een heele opoffering voor
je. Want je hadt het best dezen keer kunnen winnen, en dan...."
"Laat ons daarover niet spreken, jongeheer. Ik heb zooveel verplichting
aan u: want toen wij in den nood zaten...."
"Kom, kom, zwijg daarvan," hernam Peter. "Ik twijfel niet, of je zult
het werk met eere volbrengen. En een werkman is zijns loons waardig."
"Nu ben ik den naam weer vergeten, Hans," zeide Brinker. "'t Was
Higgs of Wiggs! Ik weet het waarlijk niet meer."
"Maak er u maar niet ongerust over, vader," antwoordde Hans. "'t Is
Thomas Higgs. Ik heb het al opgeschreven."
"O ja," hervatte Brinker. "'t Is waar ook. Als ik me nu ook de plaats
kan te binnen brengen, dan is alles in orde."
"Hier, Hans, is de riem," zeide Peter, die van dat gesprek niets
begreep. "Dat kleine ding heeft mij een grooten dienst gedaan."
"En nu heb ik wat meegebracht ook," zeide Ben, terwijl hij een keurig
net bewerkt kistje op tafel zette. "Uw Griete was weg zóó gauw,
dat mevrouw De Bruyn niet had den tijd, om haar te geven dit."
"'t Is het kistje, dat bij de schaatsen behoort," zeide Peter,
"en waarin Griete ze kan bewaren. Mevrouw De Bruyn hoorde, dat we
hier aangingen, en heeft ons verzocht, het mede te nemen."
Vader, moeder en kinderen bekeken met alle aandacht het fraaie
foedraal, dat van binnen met roode zijde gevoerd en zeer elegant
gemaakt was.
"O, hoe mooi! Hoe prachtig! Nooit heb ik zoo iets gezien!" waren de
verschillende uitroepen.
Griete echter sprak geen woord. Het lieve kind kon maar niet begrijpen,
dat al dat moois voor haar was. Het kistje was van mahoniehout met
een prachtig koperen plaatje er op, waarop de naam van den fabrikant
en zijn woonplaats stonden. "Nu, Griete, je mag de jongeheeren wel
bedanken voor de moeite, welke zij zich hebben gegeven, om dat hier te
brengen, en hun verzoeken, of zij ook mevrouw De Bruyn je dankbaarheid
willen betuigen; ofschoon--dat zul je later zelve nog wel gaan doen,"
zeide vrouw Brinker.
Griete was heel verlegen, maar toch lispte zij:
"Ik dank u wel, jongeheeren, voor uw moeite."
"'t Schijnt mij door mijnheer Birmingham gemaakt te zijn," zei Hans,
die het op het koperen plaatje gelezen had.
"Birmingham?" zeide Frits Verdam. "Dat is de plaats, waar de fabrikant
woont. Kijk, daar staat zijn naam met kleiner letters. Ik kan ze
niet lezen."
"Nu, ze zijn toch duidelijk genoeg," zeide Peter. "Zie maar, dat is
een T. en dit is een H. Dus T. H."
"Nu ben je nog even wijs," hernam Frits lachend. "Wat beteekent nu
die T. H.?"
"Wel, Thomas Higgs," antwoordde Peter schertsend. "Hans noemde straks
dien naam en als men van den drommel spreekt, is hij meestal dicht
bij ons."
Eensklaps zweeg hij; want hij wist niet, wat er met de familie Brinker
voorviel. Hans en zijn moeder waren beiden op Rolf toegesneld.
"Hoort gij 't, Rolf?" zeide vrouw Brinker. "Thomas Higgs te
Birmingham."
"Birmingham!" herhaalde Brinker op suffen toon.
"Kan dat de plaats ook zijn, vader? Bedenk u eens," smeekte
Hans. "Birmingham? Was het soms Birmingham?"
"Ja.... a .... Birmingham! Zoo was 't," antwoordde Brinker eindelijk.
"Daar Hans, zet je pet op en rijd terstond naar Amsterdam," zeide
zijn moeder.
De drie jongeheeren stonden op en wilden heengaan. Vrouw Brinker
bemerkte haar onbeleefdheid.
"Neemt ons niet kwalijk, jongeheeren," zeide zij, "dat we daar zoo
onbeleefd waren. Maar die Thomas Higgs is een kennis van ons--dien--ja,
dien wij dachten, dat al gestorven was."
"Ja, we dachten dat hij dood was," zeide Rolf Brinker. "Ligt dat
Birmingham in Engeland, als ik u vragen mag?"
"Ja wel, in Engeland," antwoordde Peter, "'t Moet zeker Birmingham
in Engeland zijn."
"Ik doe dien man kennen," zeide Benjamin. "Zijn fabriek is niet
vier mijlen van ons verwijderd. Een rare fellow hij is--stil als
een oester--doet niet gelijken een Englishman. Ik dikwijls heb
gezien hem--een deftig uitzicht--en mooie oogen. Hij heeft gemaakt
een prachtige schrijfkist voor mij, om te geven aan Jenny op haar
geboortedag.--O, hij maakt allerhande mooie dingen en heeft veel te
doen ook."
Gelukkig, dat Hans nog niet weg was; want nu kon hij den dokter ook
dat vertellen.
Wat wonder, dat nog vóór de avond gevallen was, dokter Broekman met
Hans in de hut terugkeerde, om nadere bijzonderheden te vernemen. Wat
wonder, dat hij, altijd met Hans bij zich, weder in het rijtuig stapte
en den koetsier beval naar mijnheer Poot te rijden, waar hij verzocht
om Benjamin Dobbs te spreken, dien hij gelukkig thuis vond. Van dezen
vernam hij nog een menigte bijzonderheden omtrent zijn zoon, welke
hem in de zekerheid bevestigden, dat het zijn eigen Laurens was,
en welke bijzonderheden wij u willen mededeelen, zonder dat wij Ben
sprekend invoeren, met wien de dokter, om den knaap te gemoet te komen,
Engelsch sprak. 't Meeste, wat Ben vertelde, had deze bij overlevering.
"Ongeveer tien jaren geleden, toen Ben nog een kleine jongen was,
woonde er, op ongeveer een uur afstands van de woning zijner ouders,
een zeer knap werkman en fabrikant, Thomas Higgs, die goede zaken
op Holland deed, vooral in chirurgijnsinstrumenten. (De dokter
herinnerde zich dien naam wel en 't was hem nu duidelijk, waarom
Laurens op het denkbeeld was gekomen, zich naar Higgs te begeven,
daar de knaap dien naam verscheidene malen op de foedralen zijner
instrumenten had kunnen lezen.) Nu tien jaren geleden was er op zekeren
avond bij dien Thomas Higgs, die ongetrouwd was en slechts met een
huishoudster leefde, een jongmensch als leerling gekomen. Niet, dat
het zoo'n wonder was dat er een leerling bij Thomas Higgs kwam; maar
die jongeling had spoedig de oplettendheid der buren gaande gemaakt,
omdat hij zoo stil en afgetrokken was, nooit lachte en altijd even
stroef voor zich keek. Daarenboven--en dat was een opmerking, die
de dames maakten--kon hij geen Engelschman zijn, dat zagen zij wel,
als hij Zondags met zijn patroon en juffrouw Todd, de huishoudster,
in de kerk zat. En ofschoon men de laatste al eens gepolst had,
liet zij zich nooit iets over hem ontvallen, dan dat hij een braaf
oppassend mensch en waarschijnlijk een neef van mijnheer Higgs was,
die ontzaglijk veel van hem scheen te houden. Zooveel is ten minste
waar, dat de oude man den jongeling, nadat hij een jaar of vier in de
zaak geweest was, tot zijn compagnon had aangenomen en hem, toen hij
vier jaar later stierf, tot universeelen erfgenaam had benoemd. Sedert
dreef de jonge man de zaken voor eigen rekening. Wat voor een landsman
hij was, had men echter nooit kunnen gewaarworden. Sommigen hielden
hem voor een Amerikaan, anderen voor een Duitscher, maar noch voor
't een noch voor 't ander had men eenigen grond. Hij sprak zuiver
Engelsch, dat hij evenwel van den ouden heer Higgs had kunnen leeren,
en behandelde zijn volk goed, ofschoon ze nooit een vriendelijk woord
van hem hoorden, daar hij altijd even somber en afgetrokken bleef."
Wat het wonderlijkst was, 't scheen dat de jongeheer geen familie had:
"want, hoeveel brieven hij ook uit den vreemde ontving, 't waren
altijd brieven over zaken," zeide zijn boekhouder. "Kennis hield hij
met niemand: noch met zijne buren, noch met andere fabrikanten. Hij
scheen geheel voor zijn zaak te leven en zijn voorganger te willen
navolgen, die nooit getrouwd was geweest. Maar overigens was zijn
levensgedrag onberispelijk."
Verder gaf Benjamin dokter Broekman een beschrijving van den jongeheer
Higgs en de dokter kon er niet meer aan twijfelen of 't was zijn
verloren zoon. Hij bedankte dan ook Benjamin hartelijk voor zijn
mededeeling, zeide hem, dat de heer Higgs een bloedverwant van hem
was, in wien hij belang stelde, en reed met Hans naar de woning van
Brinker terug, waar hij dezen afzette, om alleen, in aangenaam gepeins,
den weg naar Amsterdam te vervolgen.
't Was een sneeuwachtige dag in 't midden van Januari. Rolf Brinker was
nu geheel en al hersteld en juist van zijn werk thuis gekomen. Hans had
den koepel van mijnheer Van den Helm tot diens genoegen afgewerkt, en
was evenals Griete, op vader Brinker's uitdrukkelijk verlangen, weder
naar school gegaan. Wat hem aangaat, hij vond dat recht pleizierig;
want hij leefde slechts, als hij in de boeken kon snuffelen; doch
Griete kon haar weerzin tegen de schoolbanken maar niet overwinnen,
ofschoon zij zich gedwee aan vaders wensch onderwierp en aanvankelijk
zeer haar best deed.
Beiden waren zooeven van school thuis gekomen en Hans zat alweer te
lezen in een boek, dat hij van een der jongens ter leen had gekregen;
terwijl Griete vaders pijp stopte--want zij was onuitputtelijk in
kleine diensten voor den goeden man, als poogde zij te vergoeden,
wat zij vroeger verzuimd had ten aanzien van den vader, voor wien
ze toen bang was. Vrouw Brinker was druk bezig aan den pot: want er
waren vier hongerige magen, die naar eten verlangden.
Eensklaps kijkt Hans op. Het geratel van een rijtuig wekt zijn
aandacht.
"Daar is de dokter!" roept hij en vliegt naar de deur.
"De dokter! Wel, wat komt die hier doen!" zegt vrouw Brinker, terwijl
zij door het raam kijkt. "Ik geloof, dat je gelijk hebt, Hans."
Maar Hans hoorde 't niet meer--hij was reeds de deur uitgesneld en
naar den overkant der vaart.
"Die Hans, die Hans!" riep vrouw Brinker, glimlachend het hoofd
schuddende. "Zou men niet denken, dat de dokter zijn tweede vader
was? Als de jongen maar den naam. van dokter Broekman hoort, komt er
al een lach van vreugde op zijn gelaat. Nu, hij mag dan ook wel veel
van hem houden."
"En wij allen, Mietje," zeide Rolf Brinker, terwijl hij zijn pijp
aanstak. "Naast God hebben wij aan dien goeden man ons tegenwoordig
geluk te danken."
"De dokter is niet alleen," vervolgde vrouw Brinker vroolijk.
"Hij heeft een jongmensch van vijf of zes en twintig jaren bij
zich. Dat is vast zijn Laurens. O, dat is lief, om met hem ons te
komen bezoeken. Kijk, daar geeft hij Hans de hand. Wat schudt hij
die vriendelijk! 't Is waarlijk of de jongen zijn gelijke is."
't Duurde niet lang, of de dokter trad met den jongen man de woning
binnen. Wat zag hij er thans vroolijk en vriendelijk uit! 't Was,
of hij een geheel ander mensch was geworden--niemand ten minste zou
in hem den vroeger onaangenamen, strengen dokter herkend hebben.
"Ziezoo, Brinker," begon hij opgeruimd. "Nu kom ik je mijn kwaden
jongen eens laten zien. Zou je hem nog wel herkennen?"
Rolf Brinker was opgestaan.
"Wel ouder geworden," zeide hij, terwijl hij de aangeboden hand van
Laurens aannam. "Maar toch nog dezelfde oogen. Ach, mijnheer! dat ik
zoo buiten mijn schuld de oorzaak ben geweest van uw verdriet en dat
van uw braven vader. God weet, hoe ik 't anders gewild had."
"Spreek daar niet van, brave man," zeide Laurens. "Wat je gewild hadt,
dat toont de aanbeveling, die je aan je vrouw hadt gegeven. Ook jou,
brave vrouw, moet ik mijn dank zeggen, dat je zoo trouw je woord
gehouden hebt, en, ondanks de nijpendste armoede, het horloge niet
van de hand hebt gedaan. Had je het verkocht,--nooit had ik mijn
goeden vader weergezien. Daarom kun je op mijn dankbaarheid rekenen."
"Spreek van geen dankbaarheid, mijnheer," zeide vrouw Brinker. "'t
Is waar, dikwijls heb ik het horloge in de hand gehad en mij zelve
afgevraagd, of ik wel goed deed, om mijn arme kinderen honger te laten
lijden, terwijl ik voor dat horloge brood had kunnen krijgen. Eens
vooral, toen zij ziek waren, was de verzoeking sterk. Maar toen borg
ik het zóó diep weg, dat ik het haast niet meer vinden kon; want ik
dacht altijd om de laatste woorden van mijn braven man, die mij had
aanbevolen, om voor dat horloge te zorgen."