"En daarom heeft God ook gewild, dat ik weer in het leven ben gekomen,"

zeide Rolf met bewogen stem. "En daarom heeft Hij uw braven vader hier

gezonden, die mij zoo belangeloos geholpen heeft. Waarlijk, mijnheer,

als gij iemand te danken hebt voor het geluk, dat gij thans geniet,

dan is 't uw brave vader...."

Veel, heel veel werd er nog gesproken en de dokter vertelde hoe

hij geschreven had, en Laurens, hoe blij hij met zijns vaders brief

geweest was. 't Was of de dokter en zijn zoon oude vrienden waren,

zoo gaven zij hun harten lucht.

"En nu, Rolf Brinker," zei de dokter eindelijk. "Ben ik nu geen

gelukkig man? Begrijp eens, mijn zoon zal zijn fabriek te Birmingham

verkoopen en een magazijn in Amsterdam openen. Dan heb ik altijd mijn

brillenhuisjes voor niemendal. Dat zal een profijt zijn, hè?"

"Hoe! een magazijn!" riep Hans uit, die in stil genoegen daar

had neergezeten en al die vroolijke gesprekken zwijgend had

aangehoord. "Een magazijn, mijnheer? En zal mijnheer uw zoon dan niet

weder uw helper, en eens uw opvolger zijn?"

Een oogenblik betrok het gelaat van den dokter; maar hij bedwong zich.

"Neen, Hans. Laurens heeft er zijn buik vol van. Hij is liever

koopman."

Hans scheen verbaasd en teleurgesteld. Hij zweeg.

"Waarom zwijg je, mijn jongen?" zeide de dokter vriendelijk. "Vindt

ge er iets vernederends in, om koopman te zijn?"

"O, neen, mijnheer!" stamelde Hans. "Niets, maar--maar--."

"Maar wat?"

"Wel, het andere beroep is zooveel beter," antwoordde hij nog steeds

aarzelend, "zooveel edeler. Wat mij aangaat, mijnheer," voegde hij er

met vuur bij, "ik vind uw vak zoo schoon, zoo heerlijk.... om de zieken

en gebrekkigen te genezen, menschenlevens te behouden, in staat te zijn

om te doen wat gij voor mijn vader gedaan hebt--dat is het grootste,

het schoonste, het verhevenste, wat er op aarde is!" De dokter zag

hem ernstig aan. Hans scheen teleurgesteld. Een paar heldere tranen

stonden in zijn oogen.

"'t Is een zware taak, het beroep van arts, knaap," hervatte de

dokter met gefronste wenkbrauwen. "'t Vereischt groot geduld, veel

zelfopoffering en volharding."

"Daarvan ben ik zeker," antwoordde Hans opnieuw in vuur. "Het vereischt

ook veel wijsheid en achting voor Gods werk. O, mijnheer, het moge zijn

moeilijkheden en teleurstellingen hebben, maar u meent niet wat u zegt:

het is niet zoo zwaar--maar het is groot en edel. Vergeef mij echter,

mijnheer! 't Past niet, u zoo in 't gezicht tegen te spreken."

Dokter Broekman was blijkbaar uit zijn humeur geraakt. Hij keerde

Hans den rug toe en sprak zacht met Laurens. Vrouw Brinker keek Hans

heel boos aan. Zij wist maar al te goed, dat zulke groote lui als de

dokter niet konden velen, dat geringe menschen hen tegenspraken.

Eensklaps wendde de dokter zich om.

"Hoe oud ben je, Hans Brinker?" vroeg hij.

"Vijftien jaren, mijnheer," was het verschrikte antwoord.

"Zou je graag een dokter willen worden?"

"Ja, mijnheer!" antwoordde de knaap, terwijl hij over zijn gansche

lichaam beefde.

"Zou je, als je ouders 't je toestaan, er lust in hebben, je op de

studie toe te leggen, naar de hoogeschool te gaan en tevens mijn

assistent te wezen?"

"Ja, mijnheer."

"Zou je, denk je, niet ongeduldig worden en niet van zin veranderen,

juist op 't oogenblik misschien, als ik er mijn hart op gezet had,

om je tot mijn opvolger te maken?"

Hans' oogen schitterden.

"Neen, mijnheer! Ik zal nooit veranderen."

"U moogt hem op dat punt gelooven, mijnheer de dokter," zeide vrouw

Brinker, die zich niet langer bedwingen kon. "Hans is als een rots,

als hij eens iets besloten heeft, en, wat de studie aangaat, eten,

drinken, slapen, alles zou hij vergeten voor zijn boeken."

"Nu, Hans," vervolgde de dokter vriendelijk. "Dan zie ik niet, dat

er iets ons plan in den weg staat en dat ik je gerust kan meenemen,

als je vader er in toestemt."

"Hoor eens, mijnheer," zeide Rolf. "Om u de waarheid te zeggen,

had ik liever gezien, dat mijn zoon een werkman was geworden. Maar

als hij nu graag voor dokter studeert, en het geluk heeft van uw

recommandatie om hem in de wereld voort te schoppen, dan is 't mij

ook goed. Het eenige is, dat het misschien wat veel geld zal kosten;

maar 't zal mogelijk zoo heel lang niet meer duren en ik heb, Goddank,

weer een paar fiksche, stevige armen om...."

"Ho, ho, vriend! als ik je rechterhand wegneem, dan moet ik ook den

kost voor hem betalen en dat zal mij pleizier doen ook. 't Zal mij

nu zijn, alsof ik twee zoons heb, niet waar, Laurens? De een een

koopman en de andere een dokter--ik zal de gelukkigste man in geheel

Nederland zijn! Morgen kom je bij me, Hans, en dan zullen wij de zaak

verder bespreken."

Hans boog. 't Was hem onmogelijk een woord uit te brengen.

"Hoor eens, Brinker," hernam de dokter tot Rolf. "Mijn zoon Laurens

heeft een vertrouwd, ferm man noodig, als hij zijn magazijn in

Amsterdam opent, iemand die het opzicht over de zaken houdt en maakt

dat de wagen recht rijdt. Iemand die-- --maar, waarom zeg jij 't hem

zelf niet, Laurens."

Laurens nam nu het woord en het duurde niet lang, of zij waren de

zaak volkomen eens.

"'t Zal me wel aandoen, als ik de dijken moet verlaten," zeide Rolf

Brinker. "Maar uw aanbod is zoo aanlokkelijk, mijnheer, dat ik zou

meenen, mijn huisgezin te kort te doen, als ik het afsloeg."

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

BESLUIT.

Mijn vertelling is zoo goed als geëindigd. Alleen zien mijn lezeressen

en mijn lezers mij nog vragend aan. En ik weet het, er zijn nog zoo

enkele zaken, die moeten verteld worden, zullen zij mijn boek niet

eenigszins onvoldaan uit hun handen leggen. En dat zou mij spijten:

want niets is mij aangenamer, dan anderen genoegen te geven, en

wel vooral u, die al wat uit mijn pen komt, met zooveel graagte

ontvangt. Daartoe diene dan dit laatste Hoofdstuk.

Er is een heele tijd voorbijgegaan, sedert Laurens met zijn vader

een bezoek in de hut aan de Broeker vaart aflegde. Die tijd heeft

groote veranderingen opgeleverd voor de familie Brinker. Hans heeft

zijn studiejaren goed besteed, alle moeilijkheden, die hem in den

weg kwamen, weten te overwinnen en met al de geestkracht, die hem

eigen was, naar het doel gestreefd, dat hij zich voor oogen had

gesteld. Ofschoon de weg wel eens hobbelig was, nooit heeft hij een

enkel oogenblik in zijn besluit gewankeld. Somtijds herhaalde hij

met zijn goeden ouden vriend de woorden, die deze lang geleden in

de hut te Broek sprak: "'t Is een zware taak, het beroep van arts,"

maar dan klonk het ook altijd in zijn hart: "het beroep van arts is

groot en edel! Het vereischt veel wijsheid en achting voor Gods werk!"

Wanneer gij heden ten dage Amsterdam bezoekt, dan kunt gij den

beroemden dokter Brinker in zijn koetsje zien rijden om zijn patiënten

te bezoeken, of als er 's winters goed ijs is, hem met zijn jongens

en meisjes op het IJ of den Amstel met de schaatsen onder de voeten

vinden. En dat hij dan geen van de minste rijders op de baan is,

durf ik u verzekeren. Als gij soms te Broek kwaamt en gij vroegt daar

naar zekere Annie Bouman, dan zou men u schouderophalend aanzien en

u zeggen, dat er wel eens van zijn leven een meisje van dien naam

bestaan heeft, maar dat die al sedert jaar en dag mevrouw Brinker

heet en de vrouw is van dien knappen dokter Brinker, die zooveel

patiënten over het IJ heeft. En als gij er Hans naar vroegt, dan zou

hij u zeggen: "Mijn Annie is nog altijd dezelfde--behalve dat zij als

't kan nog liever, nog wijzer en nog meer gelijk aan de toovergodin

van vroeger is."

Ook Peter van den Helm is sinds lang getrouwd. Met wie? Nu, dat behoef

ik niet te zeggen. Maar dikwijls, als hij met zijn lieve Hilda in

het koepeltje zit, dat hij van zijn ouders heeft geërfd, beschouwt

hij met genoegen het fraaie beeldhouwwerk, dat Hans gemaakt heeft en

dan zegt hij: "'t Is toch jammer voor de kunst, dat onze goede Hans

geen beeldhouwer is geworden; hij zou 't ver in die kunst gebracht

hebben en een beroemd man zijn geworden." Maar dan antwoordt Hilda:

"Jammer voor de kunst, maar niet voor de menschheid, want als dokter

Brinker is hij voor haar tot grooter zegen, dan hij als beeldhouwer

zou zijn geweest."

Een tijd lang geleden hoorde ik, dat Karel Schimmel en Kato Lammers

geëngageerd waren. Gelukkig echter voor onze Kato is dit engagement

verbroken en is zij tot heden toe ongehuwd. Wat Kato zelf aangaat,

zij is in 't geheel zoo vroolijk niet meer als voorheen en sommige

klokjes hebben reeds al hun klank verloren. Toch is zij nog altijd

de ziel van hen, die met haar omgaan. Het ware te wenschen, dat zij

van tijd tot tijd wat ernstiger ware, maar dat ligt niet in haar

aard. Heeft zij smarten en zorgen, dan wordt het geluid der klokjes

voor eenige oogenblikken gestoord; dieper en ernstiger muziek doen

zij nooit hooren.

Truida Korbes is in al die jaren ernstig geworden. Ook zij is ongehuwd

gebleven en houdt zich met letterkundigen arbeid bezig. Men wil, dat

zij onder een aangenomen naam zeer goede verhalen in een onzer eerste

maandwerken schrijft. En inderdaad, wanneer men die verhalen leest,

zoo vol geest en gevoel, maar ook zoo vol godsdienstige beginselen,

dan zou men er weinig onze vroegere Truida in herkennen, die zoo

trotsch haar neusje optrok voor de arme Griete.

Frits Verdam en Lodewijk van den Helm hebben samen een compagnieschap

aangegaan en zijn bewoners der hoofdstad geworden. Frits Verdam, die

een prachtig huis op de Keizersgracht bewoont, denkt nog dikwijls

aan Kato Lammers, die hij eens ten huwelijk heeft gevraagd, maar

die hem een blauwtje heeft doen loopen. En hij is er heel blij om,

dat de zaak zich zoo gekeerd heeft, want hij heeft een allerliefst

vrouwtje in Ben's zuster Jenny, die hij op een reis naar Birmingham

heeft leeren kennen en met wie hij recht gelukkig is.

Karel Schimmel is niet vooruitgegaan in de wereld. Zijn vader heeft,

door een opeenhooping van tegenspoeden, bankroet geslagen en niets

uit de puinhoopen zijner fortuin kunnen redden. Karel is tegenwoordig

boekhouder bij de firma Verdam en Van den Helm, en mag zich gelukkig

rekenen, dat zijn patroons hem altijd met achting behandelen en veel

voor hem over hebben.

Onze kleine Frans van Bree is een deftig Broeksch heer geworden,

die wat goede zaken doet en sedert eenige jaren aanzoek gedaan heeft

om de hand van Griete Brinker, welke deze niet geweigerd heeft. 't

Kostte vader en moeder heel wat, om zich van het vroolijke, altijd

zingende vogeltje te scheiden, en dokter Brinker en zijn vrouw

waren in 't eerst wat boos op Frans, dat hij de lieve Griete van

hen weghaalde. Maar die boosheid moest vanzelf overgaan en wie er

nu wel eens boos is, is de koetsier, die dokter Brinker rijdt, als

hij in den omtrek van Broek moet wezen: want als de dokter daar is,

rijdt hij bij zwager Van Bree aan, en, of 't koud is of niet, laat

hij de paarden zoo ongehoord lang wachten, dat de koetsier wel eens

de vrees geuit heeft, dat zij met hun pooten aan den grond mochten

vastvriezen. En als Griete eens met haar kindertjes in Amsterdam komt

logeeren, dan is 't een feest bij de oude lui aan huis, dan is 't of

vader Rolf weer jong is, dan speelt hij met die kleinen en dan zegt

moeder, terwijl zij in de handen slaat: "Zie me zoo'n man eens aan!"

Van al onze Broeksche vrienden is er slechts één, die het tooneel

dezer wereld verlaten heeft: 't is Jacob Poot. Tot zijn dood toe even

goedhartig en onbaatzuchtig, wordt hij nog even hartelijk betreurd,

als hij bemind was, toen hij op aarde beminde en lachte. Vóór hij

stierf, was hij broodmager geworden, nog magerder dan Benjamin Dobbs,

die nu een gezeten Engelschman is.

En wanneer gij ooit te Broek komt en gij krijgt er toegang tot de

familie De Bruyn, spreek dan eens over de hardrijderij van den 30sten

December, dan zal de oude mevrouw u met glinsterende oogen verhalen,

hoe heerlijk die was en hoe er onder de rijderessen zich een klein

meisje bevond, dat zóó snel reed en zóó verlegen was, dat ze niet

eens het foedraal meenam van den prijs, dien zij gewonnen had, van

"DE ZILVEREN SCHAATSEN."

AANTEEKENINGEN

[1] John Bull, de scheldnaam dien de Amerikanen aan de Engelschen

geven--dezen noemen daarentegen hun overzeesche naburen: Brother

Jonathan.

[2] Gids, geleider.

[3] De naam van de kerk, of liever van den heilige, aan wien zij

gewijd was.

[4] Ik laat deze anekdote voor rekening van de schrijfster van wie

ik haar heb overgenomen.

[5] Zie mijn "Schildknaap van Gijsbrecht van Amstel".

[6] Adolf en Clara.

[7] Ik laat deze lieve legende voor rekening van de Schrijfster.

[8] Zie mijn "Huisgezin van den Raadpensionaris."

End of Project Gutenberg's De zilveren schaatsen, by Mary Mapes Dodge

De zilveren schaatsen · 第 12 / 12 段