vooroverboog en poogde naar buiten te kijken naar het ontheisterde
landschap. "Ik zou zoo'n lust hebben, om eens even aan de deur
te staan."
"Volstrekt niet, Rolf," antwoordde zij glimlachend. "Ik zal 't den
dokter eens vertellen, hoe je zanikt en maalt en me het hoofd warm
maakt, om eens in de open lucht te gaan; en als hij 't permitteert,
dan zal ik je morgen warmpjes toestoppen en de hut eens met je
omwandelen. Maar ik zou wel maken, dat je 't koud kreegt met die open
deur. Als ik mij niet vergis, dan komt Griete daar in de verte aan
met haar voorschoot vol hout en spaanders; zij rijdt als een wildeman
over de vaart."
"Foei, Rolf," vervolgde zij, op luiden toon, want zij schrikte er
van. "Loop je daar zelf naar je bed, zonder dat ik je vasthoud? Je
zult vallen."
Maar Rolf was niet gevallen, en toch hielp zijn vrouw hem te bed en
dekte hem zóó warmpjes toe, dat de goede man recht op zijn gemak lag
en zeide, dat het vandaag wel voor 't laatst zou zijn, dat hij op
klaarlichten dag naar bed ging.
"In een dag of wat zal dat wel gaan, Rolf," antwoordde zijn vrouw,
"vooral als je zoo in krachten toeneemt."
Daarop stookte zij het vuur wat aan, ridderde den boedel wat op en
ging, met haar breiwerk in de hand, naast het bed zitten.
"Hoor eens, Rolf, je moest toch eens probeeren, of je je den naam
van dien vader niet kunt herinneren. Griete is straks thuis en dan
kan ik het horloge naar hem toebrengen, terwijl jij slaapt."
Rolf dacht na, maar te vergeefs.
"Kan het ook Boomheuvel zijn?" vroeg zij. "Ik heb wel eens gehoord,
dat zij twee zoons hadden, die niet hebben willen oppassen--Gerard
en Lambert."
"'t Kan wel zijn. Kijk eens, of er ook letters op het horloge staan,
die ons den weg kunnen wijzen."
"Hemel, Rolf!" riep vrouw Brinker uit, terwijl zij het horloge
bekeek. "Je bent verstandiger dan ooit! 't Kan niet anders. Hier
staan de letters: L. J. B. Dat is zeker Lambert Boomheuvel. Wat die
J. beteekent, begrijp ik niet. Maar die Boomheuvels waren indertijd
rijke lui, die 't goed konden stellen. En zulk soort van menschen
geven hun kinderen altijd dubbele namen."
"Dat laat zich best hooren, vrouw! 't Is zeker die Lambert Boomkert
geweest. Neem dus het horloge en breng het terstond naar de Boomkerts."
"Neen, geen Boomkert, die naam bestaat er niet, voor zoover mij bekend
is. Maar Boomheuvel."
"Nu breng het dan naar de Boomheuvels!"
"Dat geef ik jou te doen, om het daar naar toe te brengen. Die heele
familie is al vier jaren geleden naar Amerika vertrokken. Maar ga jij
nu slapen; je ziet er bleek en afgemat uit. Als je uitgerust bent,
dan zullen we er wel eens nader over beraadslagen.--Zoo, Griete! Ben
je daar eindelijk? Je bent tamelijk lang weggebleven."
Rolf Brinker deed een langen en gerusten slaap, waaruit wij hem
zagen wakker worden, juist toen Hans met het door mevrouw Van den
Helm voorgeschoten geld de hut binnentrad. Hoe sterk de goede Rolf
ook meende te zijn, hij was dien namiddag weder naar bed gegaan en
had niets gehoord van het gesprek met Annie Bouman, en was evenmin
wakker geworden door het slaan van Hans op de bevroren aarde. Maar toen
Hans den pot binnenbracht en moeder Brinker 't uitgilde van vreugd,
toen werd Rolf wakker, keek half dommelig het bed uit en zeide:
"Wat is er, Mietje?"
Maar Mietje danste als een zottin door het vertrek met de beide
kousen in haar armen en Hans stond daar met tranen in de oogen,
en Griete schaterde 't uit van lachen.
"Vader roept, moeder!" zeide Hans.
In een oogenblik was vrouw Brinker's uitgelaten blijdschap bedaard.
"Ik had den goeden man wel een toeval op zijn lijf kunnen jagen,"
zeide zij verschrikt. "Maar ik ben ook zoo uitermate gelukkig!"
"Wat is er toch gebeurd, Mietje?" herhaalde Brinker, met een minder
slaperige stem dan zooeven.
"Wel, de duizend gulden zijn terug, die je begraven hadt, den nacht
voordat je het ongeluk op den dijk kreegt," zeide vrouw Brinker, en zij
verhaalde hem omstandig, hoe zij reeds den vorigen nacht vergeefs naar
het geld gezocht hadden, en hoe Hans, op een toevallige aanwijzing
van Annie Bouman, die er geweest was, terwijl hij geslapen had, op
het denkbeeld was gekomen om bij de stomp van den ouden wilgestam te
graven en -- -- -- het geld ongeschonden voor den dag had gebracht.
"En nu zul je 't eerst goed hebben, Rolf," eindigde zij. "Hans en ik
gaan straks naar Monnikendam, om ons van het noodige te voorzien. En
jij, Hans en Griete, zult nu ook vleesch bij je brood hebben en worst
ook. Je hebt lang genoeg honger geleden."
Ik zal u de vroolijke gesprekken niet mededeelen, die er gevoerd,
noch de schitterende luchtkasteelen, welke er gebouwd werden en die
zich gelukkigerwijs maar tot plannen en ontwerpen bepaalden. Zij
werden in hot midden van al die vroolijkheid gestoord door het gerol
van een rijtuig aan den overkant der vaart.
"Zou daar de dokter zijn?" vroeg Hans.
"Hij is er vandaag nog niet geweest. Ik dacht, dat hij maar eens zou
hebben overgeslagen."
"Het rijtuig houdt stil," zeide Griete.
"Hier, Hans, neem de lamp! Als 't de dokter is, mocht hij eens
struikelen."
Hans was reeds met de lamp de hut uit en zag inderdaad den goeden
dokter Broekman over het ijs komen aanstrompelen.
"Is u 't, mijnheer?" riep hij hem toe. "Wacht, laat mij u bijlichten! U
zoudt een ongeluk kunnen krijgen."
En Hans snelde met zijn lamp naar den dokter toe en bood hem de hand,
om hem langs veilige plaatsen te geleiden.
"Een satansch ellendig pad in den donker," bromde de dokter. "'t Is
goed, dat je gekomen bent, Hans; anders had ik hals en beenen kunnen
breken. Hoe is 't met je vader?"
"O uitmuntend, mijnheer! Vader wordt bij den dag sterker. Hij is op
't oogenblik wakker."
"Goede Hemel, mijnheer de dokter!" riep vrouw Brinker uit. "Komt u
zoo laat in den avond! O, dat is lief van u! Hoe licht hadt u een
ongeluk kunnen krijgen!"
Dokter Broekman scheen haast te hebben. Hij antwoordde niet op den
uitroep van vrouw Brinker, maar ging terstond naar het bed, zette
zich daar neder en voelde Brinker's pols. Hij knikte goedkeurend.
"Dat gaat vooruit met den patiënt," zeide hij. "Had ik geweten, dat
het zoo goed was, dan was ik doorgereden. Ik ben den geheelen dag
Noord-Holland in geweest en kwam nu, in het naar-huis-gaan, even aan."
"Geen wonder, dat Rolf zooveel beter is, dokter," zeide vrouw
Brinker. "Zooeven hebben wij duizend gulden weergevonden, welke mijn
man, tien jaren geleden, uit voorzorg begraven had en die wij meenden,
dat gestolen waren."
De dokter zette oogen op.
"Ja, mijnheer," zeide de zieke. "Zoo is 't geval, ofschoon we het
aan niemand meedeelen. Maar u maakt een onderscheid, en daarboven,
u zal het wel niet oververtellen."
De dokter bromde. Hij hield niet van zulke persoonlijke opmerkingen.
"En nu, mijnheer, kan u ook een behoorlijke rekening inleveren. God
weet, hoe dubbel gij het verdiend hebt door zulk een ellendig werktuig
weder als mensch in de wereld te brengen, en welk een onbetaalbaren
dienst gij daardoor aan hem en zijn gezin bewezen hebt. Zeg dus maar
aan mijn vrouw, hoeveel wij u schuldig zijn, en zij zal u terstond
betalen."
"Kom, kom," zei de dokter vriendelijk. "Praat toch niet van
betalen. Geld kan ik zooveel krijgen als ik maar wil, maar dankbaarheid
niet. Het "dank u" van dien jongen," ging hij voort, terwijl hij naar
Hans wees, "heeft mij reeds genoegzaam betaald."
"U heeft zeker een zoon die veel op Hans gelijkt," zeide vrouw Brinker,
die heel blijde was, dat de groote man zoo familiaar werd.
Bij deze woorden verdween eensklaps elke vroolijke trek van des
dokters gelaat. Hij bromde iets, maar antwoordde geen woord.
"O, mijnheer, mijn vrouw is wel wat bemoeizuchtig, niet waar? Maar
u moet het haar niet kwalijk nemen; want ik heb haar van middag
verteld van een jongen, die zooveel op onzen Hans geleek en die mij
een boodschap aan zijn vader heeft achtergelaten. En nu--nu ik de
boodschap kan doen, is de geheele familie vertrokken."
"Ze heeten Boomheuvel, mijnheer," zeide vrouw Brinker haastig. "Weet
u ook iets van die familie?"
De dokter antwoordde kortaf en knorrig:
"Ja. Dat 's een malle zaak. Ze zijn sedert lang naar Amerika
vertrokken."
"Misschien, Rolf," zeide vrouw Brinker bedeesd, "kent de dokter
wel iemand in dat land, ofschoon ik mij wel heb laten vertellen,
dat er niets dan wilden in wonen. Als hij het horloge eens aan de
Boomheuvels wilde sturen met de boodschap van den armen jongen;
dat zou een heerlijke zaak zijn."
"Ben je dwaas, vrouw? Waarom zouden wij den goeden dokter
lastig vallen, die overal genoeg te doen heeft met zieke
menschen? Daarenboven--hoe weet je, dat je den rechten naam hebt?"
"Wel, ik ben er zeker van," antwoordde zij. "Zij hadden een zoon
Lambert en daar is een L voor Lambert en een B voor Boomheuvel op
de achterzijde van het horloge; ofschoon er die malle J bij is;
maar laat den dokter zelf maar zien."
Dit zeggende, reikte zij dokter Broekman het horloge over.
"L. J. B.!" riep de dokter uit, terwijl hij het horloge aangreep.
Ik zie geen kans om u het tooneel te beschrijven, dat nu volgde;
ik wil alleen mededeelen, dat de boodschap van den jongen eindelijk
aan zijn vader werd overgebracht en dat de groote dokter daar zat te
schreien als een kind.
"Laurens, mijn lieve Laurens!" snikte de dokter, terwijl hij als
bewegingloos het horloge aanstaarde. "O, had ik het maar vroeger
geweten! Laurens een zwerveling zonder huisvesting! Misschien al
van ellende en kommer gestorven! Bedenk je toch eens, man, waar
is hij? Waar heeft mijn jongen gezegd, dat de brief moest worden
heengezonden?"
Rolf schudde treurig het hoofd.
"Denk maar eens goed na!" smeekte de dokter. O, het geheugen, dat door
zijn kunst eerst zoo kort geleden ontwaakt was, moest hem dienen in
een oogenblik als dit.
"Ik ben het alles kwijt, geheel en al kwijt, mijnheer!" zuchtte Rolf.
Hans, die allen afstand van rang en stand vergat en alleen zag, dat
zijn goede vriend verdriet had, sloeg den arm om den hals des dokters.
"Ik kan uw zoon terugvinden, mijnheer," zeide hij. "Als hij nog
leeft, dan bevindt hij zich ergens. De aarde is zoo groot niet: ik
wil alle dagen mijn best doen, om hem uit te vinden. Moeder kan mij
nu missen. Gij zijt rijk, mijnheer, zend mij, waarheen gij wilt!"
Griete begon te schreien. Wel vond zij het goed, dat Hans ging. Maar
hoe zouden ze het maken zonder hem?
Dokter Broekman antwoordde Hans niet, ook deed hij geen poging,
om hem van zich af te stooten. Zijn oogen waren angstig op Rolf
Brinker gevestigd. Eensklaps nam hij het horloge en poogde het
open te doen springen. De verstijfde veer gehoorzaamde eindelijk;
de horlogekas vloog open--en het gelaat van den dokter toonde bittere
teleurstelling. Rolf zag dit en haastte zich te zeggen:
"Daar was een papier in, mijnheer, maar de jongeheer scheurde het er
uit, vóór hij mij het horloge overhandigde. Hij kuste het, eer hij
het wegstak."
"Dat was het portret zijner moeder," zuchtte de dokter. "Zij stierf,
toen hij nog eerst tien jaren oud was. Goddank, dat de jongen haar
niet vergeten heeft! En zij zouden beiden dood zijn! Neen, dat is
onmogelijk!" riep hij uit, terwijl hij van zijn stoel opsprong. "Mijn
jongen leeft nog; daar ben ik zeker van. Ik zal u vertellen, wat er met
hem gebeurd is. Laurens was mijn helper en tevens in een apotheek om
het recepteeren te leeren. Bij vergissing maakte hij voor een mijner
patiënten een verkeerd geneesmiddel gereed--hij had zich in de flesch
vergist en gaf een zwaar vergif. Maar gelukkig bemerkte ik den misslag
nog bijtijds en gaf het geneesmiddel niet in. Diens ondanks stierf
de patiënt nog vóór den avond. Ik werd dien dag door verschillende
zieken opgehouden. Toen ik 's avonds thuis kwam, was mijn arme jongen
verdwenen. Arme Laurens!" snikte hij, "en al die jaren niets van u
te hooren! Zijn boodschap niet gedaan! O, wat moet hij geleden hebben!"
Vrouw Brinker verstoutte zich om te spreken. Zij kon den braven dokter
zoo niet zien schreien.
"Hoe gelukkig voor u, dokter, te weten, dat de jongeheer onschuldig
was. Ach! hij was angstig en zoo bedroefd. Aan Rolf zeide hij,
dat zijn misdaad gelijk stond met een moord! Hij meende zeker het
zenden van het verkeerde geneesmiddel. Als dat een misdaad was, dan
weet ik het niet! Onze kleine Griete zou hetzelfde hebben kunnen
doen. Waarschijnlijk heeft de arme jongeheer gehoord, dat de man
dood was--daarom heeft hij de vlucht genomen, mijnheer! Tegen jou
zei hij, niet waar, Rolf, dat hij nooit in het land kon terugkomen,
indien...." zij weifelde om meer te zeggen en vervolgde: "Ach,
mijnheer! tien jaren is een vreeselijk lange tijd om te wachten op
tijding van...."
"Zwijg, vrouw!" zeide Rolf op scherpen toon.
"Op tijding te wachten!" snikte de dokter. "En ik thuis zittende
te brommen en mij te verbeelden, dat hij mij verlaten had! In
de verste verte heb ik er niet aan gedacht, dat de knaap zijn
misslag ontdekt had. Ik verbeeldde mij, dat het jeugdige dwaasheid
was--ondankbaarheid--zucht naar avonturen, die hem hebben doen
wegloopen. Mijn arme, arme Laurens!"
"Maar u weet nu alles, mijnheer," fluisterde Hans. "U weet nu, dat hij
onschuldig was aan alle kwaad; dat hij u en zijn afgestorven moeder
liefhad. Wij zullen hem uitvinden. U zult hem wederzien, lieve dokter!"
"God zegen' je, mijn jongen," zeide dokter Broekman, terwijl hij de
hand van den knaap in de zijne drukte. "'t Moge uitkomen, zooals je
't voorspelt. Ik zal mijn best doen, dat zal ik. En Brinker, het
minste woord, dat je je herinnert omtrent mijn ongelukkig kind,
moet je me terstond laten weten."
"Dat beloof ik u, dokter," riep Hans uit, en de dokter was tevreden
met die belofte. Hij wist, dat Hans haar zou houden.
"De oogen van je jongen," hervatte de dokter tot vrouw Brinker,
"lijken sprekend op die van mijn zoon. De eerste maal, toen hij bij
mij kwam, was 't of Laurens zelf voor mij stond."
Eenige minuten scheen de dokter in gedachten verzonken; daarna stond
hij op en zeide op vriendelijken toon:
"Neem mij niet kwalijk, Brinker, dat ik 't je van avond zoo druk
gemaakt heb. Bedroef je maar niet om mijnentwil. Ik verlaat je huis
veel gelukkiger dan ik in jaren geweest ben. Zal ik het horloge
maar meenemen?"
"Natuurlijk, mijnheer! 't Was immers de wensch van uw zoon."
"Je hebt gelijk," hernam de dokter, terwijl hij het horloge
wegstak. "En nu moet ik gaan. Mijn patiënt heeft geen andere
medicijnen noodig dan rust en een vroolijke omgeving; beide zijn hier
in overvloed. De Hemel zegene u, mijn goede vrienden! Ik zal je altijd
dankbaar zijn!"
"Moge de Hemel ook u zegenen, mijnheer!" zeide vrouw Blinker, "en u
spoedig dien lieven jongenheer doen terugvinden."
Hans lichtte den dokter weder met de lamp voor.
"Als ik u van dienst kan zijn, mijnheer," zeide hij trouwhartig,
"dan ben ik ten allen tijde gereed."
"Zeer goed, mijn jongen. Zeg aan je vader en je moeder, dat ze zich
tegen niemand een enkel woord laten ontvallen over hetgeen er van
avond is gebeurd. Intusschen, Hans, als je bij vader bent, moet je op
hem letten. Jij hebt er den tact van. 't Kan zijn, dat er oogenblikken
komen, waarop hij wat meer kan zeggen."
"Vertrouw daarop, mijnheer."
"En nu, goeden dag, mijn jongen," riep de dokter, toen hij deftig in
zijn koets steeg.
"Aha!" zeide Hans in zich zelf, terwijl hij het rijtuig nakeek. "Daar
zit vrij wat meer leven in den dokter, dan ik dacht."
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
DE HARDRIJDERIJ.
Zoo brak de dertigste December aan en het weer was heerlijk dien
dag. Het geheele vlakke landschap werd vroolijk door de winterzon
beschenen. Zij beproefde haar kracht wel op het ijs in de vaart, maar
het vroor te sterk, dan dat de ijskorst ook in 't minst zou gesmolten
zijn. En bij dat alles was er zoo weinig wind, dat de weerhanen op de
torens en de gebouwen stilstonden, als wenschten zij eens te kijken
naar het feest, dat er dien dag zou worden gehouden. Die windstilte
maakte, dat de molens een dag vacantie hielden, als wilden ook zij
de algemeene vreugde mee genieten. Nu, ze hadden die week hard genoeg
gewerkt, om eens een dag rust te hebben.
't Was al vroeg in den morgen van dien dag levendig om en bij
Broek. Van verschillende omliggende plaatsen kwamen er liefhebbers
aanrijden, om den wedren te zien; want een hardrijderij op schaatsen is
een feest voor al wat Noord-Hollander heet. Ik zal u de bonte menigte
niet beschrijven, die zich in den omtrek der ijsbaan ophoopte,
om welke men tenten had opgeslagen, opdat de toeschouwers zich
behoorlijk van drank en spijs konden voorzien. Aan het eind van
de renbaan, die aan beide zijden met dikke touwen is afgesloten,
welke door palen heengaan, reeds een paar dagen te voren in het ijs
gehakt en door het volgieten der opening stevig vastgevroren--staat
een sierlijke tent met een kleine tribune aan weerszijden. De tent
is bestemd voor de familie De Bruyn met eenige genoodigden, onder
anderen de Van den Helms en mijnheer Korbes en zijn vrouw, terwijl
de tribune moet dienen voor andere inwoners van Broek, daartoe door
mevrouw De Bruyn van toegangskaartjes voorzien. Van de tent en de
tribune wapperen de driekleurige vlaggen. Aan de tent van mevrouw De
Bruyn hangen twee paar met zilver beslagen schaatsen, een voor den
winnenden jongen, een voor het gelukkigste onder de meisjes. In de
tent zelf brandt een kachel en staan allerlei ververschingen op een
tafel gereed. De familie en de genoodigden zullen op stoelen zitten,
terwijl de dames een warme stoof onder de voeten zullen hebben, zoodat
ze zeer gemakkelijk den winter zouden kunnen vergeten, indien niet
het landschap vóór haar al te duidelijk deed zien, dat de wintervorst
nog duchtig zijn schepter zwaait.
Naast een der tribunes is een andere tent opgericht, alleen van
boven gedekt en aan alle zijden, behalve aan den achterkant open;
daar moeten de muzikanten zitten, die van tijd tot tijd muziekstukken
zullen uitvoeren. En al zullen die muziekstukken vrij middelmatig
worden voortgebracht, daar 't gansch geen virtuozen zijn die hier
hun gaven zullen doen hooren, zij zullen de feestvreugde ruimschoots
verhoogen. De ooren der toehoorders zijn trouwens over 't geheel zoo
kieschkeurig niet; daarenboven zal er gedruisch en gebabbel genoeg
zijn, en zou men 't slechts bejammeren, indien er beter muziek werd
opgevoerd. Aan het andere einde der renbaan staat een tent, voor hen,
die belast zijn, er het oog op te houden, dat de schaatsenrijders en
-rijdsters den witten, met groene linten omwonden paal, van welks top
een oranjevlag wappert, omrijden; hetgeen zij trouwens wel moeten doen,
daar ook in het midden der renbaan dubbele touwen zijn gespannen;
want al de schaatsenrijders moeten bij de tent van de familie De
Bruyn beginnen en er hun ren eindigen ook.
Daar begint de muziek. De tribune vult zich, de geheele renbaan staat
langs beide zijden opgepropt met nieuwsgierigen, die hun best doen,
een goed plaatsje te vinden. 't Volst is het echter dicht bij de
tribune. En geen wonder: want daar staan de veertig rijderessen en
rijders, die zich vermaken met heen en weer te rijden, zóó zacht
evenwel, dat zij zich niet vermoeien, maar ook niet koud worden. Het
zijn twintig meisjes en twintig jongens. Frits Verdam, Peter en
Lodewijk van den Helm zijn er ook bij, allen weer frisch en geheel
uitgerust van de vermoeienissen der Haagsche reis. Hans is niet ver
van hen; hij heeft zijn schaatsen weer onder de voeten, die de goede
Annie Bouman van een goede kennis had gekocht voor vijf gulden! Alsof
hij niet wist, dat die goede kennis niemand anders dan Annie Bouman
zelf was geweest, die haar zuur bespaard weekgeld er geheel aan had
opgeofferd! Nu, hij had ze dan ook eerlijk teruggekocht; maar de
kiesche manier, waarop Annie hem in den nood had willen helpen, had
hij niet teruggekocht: die lag diep in zijn hart begraven. En dan--hoe
onwillekeurig ook--die lieve, lieve Annie was de oorzaak geweest van
het terugvinden der duizend gulden--van de duizend gulden, die, al was
't ook avond geweest, zulk een gloed van zonneschijn hadden geworpen
in zijner ouders armoedige stulp. Karel Schimmel is zoo nijdig als
ooit, nu hij Hans bij de rijders ziet; maar daar er nog eenige andere
boerenknapen bij zijn en Hans dus niet alleen is, troost hij zich.
Aan den anderen kant der tent staan de twintig meisjes. Nu, dat behoeft
ge wel niet te vragen, al ziet ge hen niet; gij hoort het wel aan het
vroolijk gesnater en gekakel, dat die twintig lieve mondjes maken. 't
Is of er een heele troep jonge eenden aan het kwaken zijn. Nu en
dan hoort gij er een paar schateren van lachen: want vroolijk zijn
ze, die aardige nufjes. Hilda, Kato en Truida hebben zich juist de
schaatsen aangebonden en stampen met de lieve voetjes, om te voelen
of de ijzers wel stevig zitten: want bij een hardrijderij moet er
niets aan ontbreken. Hilda spreekt met een klein boerenmeisje in een
rood jacketje en met een splinternieuw rokje aan. 't Is Griete. Ook
Annie Bouman is er.
Nu houdt de muziek even op. Al de meisjes en jongens moeten vóór de
tent komen, om de voorwaarden te hooren. De omroeper van het dorp
leest met luide stem voor:
"De meisjes en jongens zullen om beurten rijden, allen te gelijk
en wel zóó lang, tot één meisje en één jongen het tweemaal gewonnen
hebben. Zij moeten zich op één lijn scharen bij de twee paaltjes vóór
de tribune rechts, den eindpaal omrijden en dezen tocht twee malen
volbrengen. Het meisje en de jongen, die twee malen gewonnen hebben,
zijn overwinnaars!"
De rijderessen scharen zich. Mevrouw de Bruyn wuift met haar
zakdoek. Een van de heeren, die zich aan den eindpaal bevinden, waait
met een vlaggetje. Al de rijdsters begeven zich op weg. Eensklaps
wuift het vlaggetje weer, zij moeten terugkeeren--ze waren niet
te gelijk afgereden. Ten tweeden male wuift de zakdoek en waait het
vlaggetje. Ditmaal is alles in orde. Wat rijden zij snel! Hoe doodstil
is de menigte! Men hoort niets dan het krassen der schaatsen, men
ziet niets dan de fladderende rokjes! De paal is omgereden. Een luid
hoezee doet zich hooren. Vijf meisjes zijn vooruit. Kato is de eerste,
daarop volgt Hilda. Als zij de tent harer mama voorbijrijdt, wuift
zij met de hand, en het volgend oogenblik is zij Kato vooruit. De
anderen zijn haar dicht op de hielen. Daaronder is Griete. Ook zij
wuift met de hand, maar niet naar de tent van mevrouw De Bruyn,
maar naar een vrouw, die met ingehouden adem onder het volk staat:
haar moeder. Rolf, die dezen morgen zoo volkomen wel was, heeft haar
gesmeekt, om naar den wedren te gaan, en zij heeft aan de verzoeking
geen weerstand kunnen bieden; zij is gegaan en heeft een heerlijke
plaats gekregen. Daar schiet haar kind onder het luid hoezee der
toeschouwers ze allen vooruit. Ook Kato wint het weer van Hilda. Maar
niemand kan Griete inhalen. Ten tweeden male wordt de paal omgereden,
maar Griete is en blijft de voorste. Eindelijk zijn ze aan de tent:
"Griete Brinker eenmaal gewonnen!" schreeuwt de uitroeper.
Nu begint de muziek opnieuw, terwijl de jongens zich gereedmaken en
zich op één lijn scharen. Verscheidene meisjes scharen zich om Griete
en wenschen haar voorloopig geluk; andere trekken trotsch haar lipje
op en kunnen 't niet verdragen, dat de voddenraapster uit de hut het
hun allen heeft afgewonnen.
Op een wenk van den heer De Bruyn zwijgt de muziek. Hij treedt
voorwaarts, wuift met zijn zakdoek, het vlaggetje wordt aan de
overzijde gezwaaid. De twintig jongens rijden af.
Wat reppen zich de beenen; er is geen oog op te houden! 't Is of ze
nog sneller rijden dan de meisjes. Maar waarom gaat er zulk een gelach
op onder het volk? 't Is om dien dikken knaap in de achterhoede, die
daar zoo ongelukkig voortsukkelt. Kijk hij eens krabbelen! Straks rolt
hij van de beenen! Ach, wat hijgt hij! Hij had ook wel thuis mogen
blijven. Hij staat stil. Hij veegt zijn voorhoofd af. Hij neemt zijn
pet af en waait zich koelte toe. Hij kijkt eens rond en begint zelf
hartelijk te lachen. Die lach maakt hem honderden vrienden. Die goede
Jacob Poot! Hij bedenkt zich niet lang, maar rijdt terug en begeeft
zich rustig onder de toeschouwers.
De jongens komen aansnellen, zij hebben den paal omgereden. Maar
't is één zwarte massa, niet zoo gemakkelijk te onderscheiden als
de meisjes met haar verschillende kleeding. Nu kan men 't al beter
zien. Drie zijn er vooruit. Eerst Ben--dan Peter--dan Hans.