"Maar waarom heb je je schaatsen verkocht, Hans? Je was er zoo blij

mee en jij kondt er zoo goed op voort."

"Omdat er meel en brandstof in huis moest zijn," hernam Hans. "Als

ik maar werk had kunnen krijgen, zou ik er geen oogenblik aan gedacht

hebben."

"Werk? Heb ik niet gezegd, dat je maar naar mijn papa moest gaan om

werk. Die zou het je wel gegeven hebben."

"Hij is naar Rotterdam, jongeheer!"

"Hoor eens, je ziet, dat mijn kameraads reeds met ongeduld op mij

wachten. Kom dadelijk bij mij, dan zal ik er met mama over spreken."

Dit zeggende, vloog Peter als een pijl uit een boog voort en was binnen

weinige minuten weder bij zijn reisgenooten, die hem braaf berispten,

dat hij zich zoo gemeenzaam met dien voddenraper aanstelde. Maar Peter

antwoordde niets, ofschoon hij bij zich zelf dacht: die voddenraper

is honderd percent beter dan een van ons allen. Hij antwoordde niet,

omdat hij de laatste seconden van hun vroolijk samenzijn niet wilde

verbitteren door een twist, waarin zij hem toch nooit gelijk zouden

geven. Hans intusschen wandelde getroost terug en kwam aan het huis

van mijnheer Van den Helm, toen Peter en Lodewijk reeds lang en breed

thuis zaten en al hun wedervaren verteld hadden.

"Kom maar binnen, Hans!" zeide Peter. "Ik heb mama reeds over je

gesproken."

"Dat is heel vriendelijk van u, jongeheer!" antwoordde Hans.

"En zij is heel boos op je, omdat je niet gedaan hebt, wat ik je

gezegd had en bij haar bent gekomen om hulp."

"Ik bij haar komen om hulp, jongeheer?" zeide Hans, terwijl hij een

kleur kreeg als bloed. "Neem mij niet kwalijk," vervolgde hij op

fieren toon, "'t is misschien een beetje trotsch van mij, maar nooit

heeft een der Brinkers zich verlaagd tot het vragen om een aalmoes!"

"En daar heb je braaf aan gedaan, Brinker," zeide een deftige dame,

die het vertrek binnentrad. "Toch spijt het mij, dat je niet bij mij

gekomen bent; ik had je graag wat voorgeschoten op het werk, dat je

hier zult verrichten."

Hans keek mevrouw Van den Helm met een paar oogen aan, glinsterend

van vreugde. En hij sloeg die oogen zóó bescheiden en toch zóó open

tot haar op, dat hij haar ondanks zijn versleten plunje beviel.

"Je bent een gunsteling van mijn zoon Peter," hernam zij. "Hij

heeft mij verteld, hoe je hem te Haarlem uit de verlegenheid gered

hebt. Maar waarom hield je dat geld niet voor je zelf, daar je het

toch zoo noodig hebt?"

"Dat kan Mevrouw niet meenen," zeide Hans, terwijl hij een ongeloovigen

blik op mevrouw Van den Helm sloeg. "Als ik het gehouden had, was ik

immers een dief geweest."

"Maar dan had je toch wel een paar gulden voor je moeite kunnen

aannemen," hervatte mevrouw Van den Helm.

"Geld, dat ik niet verdiend heb, is een aalmoes, Mevrouw. En wat mijn

moeite aangaat, de jongeheer heeft mij waarlijk nog grooter dienst

bewezen met dokter Broekman te gaan spreken."

"'t Is waar, Brinker. Dokter Broekman heeft je vader zoo gelukkig

genezen. Vertel me dat eens!"

Hans verhaalde wat dokter Broekman gedaan had en weidde zeer uit over

's mans vriendelijkheid.

"Hoe kun je toch zeggen, dat dokter Broekman vriendelijk is?" zeide

Peter. "Ik heb nooit grooter bok gezien."

"'t Kan wezen, jongeheer! En ik wil heel gaarne gelooven, dat andere

menschen geen reden hebben, om op zijn vriendelijkheid te roemen. Maar

dat belet toch niet, dat ik hem voor een lief, goed man houd en dat

ik mijn leven zou opofferen, om hem een dienst te doen."

"Je hebt gelijk, Brinker," zeide mevrouw Van den Helm. "En ik vind het

nobel van je, dat je zoo ferm voor je gevoelen durft uitkomen. Dokter

Broekman is een braaf man en een knap geneesheer. Dat hij gewoonlijk

zoo ernstig en streng is, daar heeft hij wel reden voor, de arme

man. 't Zal zoowat tien jaren geleden zijn, dat hij zijn eenig kind,

een zoon van veel verwachting, op een zeer ongelukkige manier verloren

heeft. En dat verlies heeft den vader vrij wat verdriet veroorzaakt."

Peter zweeg uit achting voor zijn moeder, en op het gelaat van Hans

stond innig medelijden te lezen; terwijl hij in zijn hart den wensch

voedde, dat hij den dokter diens zoon mocht kunnen wedergeven. Nadat

onze knaap het werk in den koepel had opgenomen, hetwelk hij bij den

aankoop van de noodige gereedschappen, niet boven zijn bereik vond,

gaf mevrouw Van den Helm hem een rolletje met tien rijksdaalders.

"Ziedaar, Brinker," zeide zij vriendelijk, "hier heb je al vast vijf

en twintig gulden op voorschot! Daar kun je het noodige gereedschap

en hout voor koopen. En dan wachten we je den tweeden Januari om

te beginnen. Morgen is de groote wedren, overmorgen Oudejaarsdag

en Nieuwjaarsdag kun je toch ook niet werken. Al dien tijd kunnen

je ouders niet van den wind leven, en als het werk goed uitvalt,

dan zijn de vijf en twintig gulden nog maar een kleinigheid."

Hans keek met glinsterende oogen naar de blinkende rijksdaalders,

die hij zou verdienen, en dacht aan de vreugde, die er in de hut

zou heerschen, als hij met zooveel geld thuis kwam. Want als hij

tien gulden voor hout en gereedschap noodig had, was 't veel en

het andere geld kon dienen voor de noodigste levensbehoeften en

voor brandstof. Als hij zijn zin gehad had, dan zou hij reeds den

volgenden dag zijn begonnen, maar daarvan wilde mevrouw Van den Helm

niets hooren en hij durfde er niet op aandringen.

"Je bent toch niet boos op me, Hans," zeide Peter, toen hij hem

uitliet, "dat ik zoo over dokter Broekman gesproken heb? Ik wist niet,

dat de man verdriet had."

"Wel neen jongeheer! Hoe zou ik boos kunnen zijn op u, die mij als

een weldoener verschenen zijt? Ik dank u integendeel hartelijk."

"En nu koop je je schaatsen terug, hoor, en doe je morgen mee met

de hardrijderij."

"Dat zal moeilijk gaan, jongeheer! Maar we zullen zien."

En met deze woorden verliet hij het huis van de familie Van den Helm.

Vroolijk kwam Hans in de hut aan. Vader Brinker was juist ontwaakt

en wenschte wat op te zitten; maar vrouw Brinker had hem beduid, dat

hij moest wachten tot Hans thuis kwam. Hij zat dus maar in het bed op.

"Ben je daar al, Hans?" zeide zijn moeder. "Ik dacht, dat je naar

Amsterdam waart."

"Zooals u ziet, moeder! Ik ben niet naar Amsterdam geweest. Ha,

vader! al wakker? en hoe gaat het?"

"Veel beter jongen, veel beter. Ik wachtte al op jou om op te staan:

want een mensch zou wel lui worden, als hij zoo lang in de veeren

bleef liggen. Maar je kijkt zoo vroolijk als een meidag. Er is je

zeker wat goeds bejegend."

"Dat zou ik zeggen, vader," antwoordde Hans, terwijl hij de tien

blanke rijksdaalders op tafel wierp. "Ik heb werk gekregen en geld

op voorschot."

En hij vertelde zijn ontmoeting met Peter en de vriendelijke ontvangst

bij mevrouw Van den Helm.

"En zal jij dat werk durven avonturen, Hans?" vroeg Brinker.

"Met Gods hulp, ja vader," antwoordde Hans. "En we zien reeds

duidelijk, dat de goede God met mij geweest is."

"Maar hoe zul je...."

"Hij kan zoo mooi in hout snijden, Rolf," zeide vrouw Brinker. "Hans,

krijg daar de plank eens vandaan en laat je vader die eens zien."

Hans voldeed aan het verlangen zijner moeder en reikte zijn vader de

plank toe. Deze bekeek het werk met oplettendheid en zeide:

"Dat is goed werk; wie heeft je dat geleerd, Hans?"

"Niemand vader; ik heb het door eigen oefening zoo ver gebracht."

"En hoe kwam je aan het gereedschap?"

"Een oud mes, anders heb ik niet gebruikt."

"Nu, dan zul je den koepel wel in orde brengen, als je maar goed

gereedschap hebt, jongen! Doch help mij nu op! Ik verlang om uit het

bed te komen en je moeder durfde me alleen niet aan."

Dien namiddag kwam Annie Bouman.

"Hans," zeide zij, "ik heb goede zaken voor je gedaan! Ik heb vijf

gulden voor je schaatsen gekregen."

"Heb je je schaatsen verkocht, Hans?" vroeg zijn moeder.

"Ik heb 't van morgen gedaan, moeder, éér ik naar mevrouw Van den Helm

ben geweest. Maar vijf gulden is te veel, Annie. Ik heb er zooveel

niet voor gegeven."

"En als nu de liefhebber er zooveel voor geven wil."

"Ik kan het niet gelooven, Annie," zeide Hans.

"Dat staat je niet mooi, Hans, dat je mij niet gelooft," zeide Annie.

"'t Is wel mogelijk Annie! Maar ik geloof...."

"Je moet die schaatsen weerom koopen, Hans," zeide vrouw Brinker. "Je

bent een brave jongen, dat je je grootste genoegen voor je ouders

hebt opgeofferd. Maar nu we geld hebben en jij werk--wil ik niet,

dat je zonder schaatsen blijft. Begrijp eens, dat je wel een enkele

maal naar Amsterdam zult moeten, en als je 't dan op je voeten zoudt

moeten doen, dan zou je er te veel tijd mee verliezen."

"Heb je geld gekregen, Hans?" vroeg Annie.

"Ja, Annie, van mevrouw Van den Helm, op afrekening van het werk,

dat ik er doen zal. Ik zal er den koepel van snijwerk voorzien."

"Jij, Hans? Wel, dat doet mij genoegen. En dus wil je nu de schaatsen

niet verkoopen?"

"Je moet ze weerom halen, Hans," zeide zijn moeder.

"Ik zal met je meegaan, Annie," hernam Hans. "Ik kan ze toch nog

wel terugkrijgen?"

"Wel zeker. Maar laat Griete dan met me meerijden, dan kan zij

ze halen."

Op dit oogenblik schoot de zon haar laatste stralen, bloedrood,

door het venster in de hut en bescheen de liefelijke gestalte met

een tooverachtig licht. Vrouw Brinker beschouwde de jeugdige gedaante.

"Kijk me nu dat lieve meisje eens aan!" riep zij uit. "Zou men niet

zeggen, dat daar een toovergodin staat, van wie ik vroeger wel eens

in de boeken gelezen heb?"

"Vindt gij 't, vrouw Brinker?" zeide Annie lachend.

"Inderdaad," antwoordde zij.

Hans keek haar met vriendelijken blik aan; Griete kreeg haar schaatsen.

"Ik ga gauw naar huis; kom, Griete, ben je klaar?"

"Ja, Annie!" antwoordde Griete.

"Dag, vrouw Brinker," zeide Annie. "'t Beste met je man!"

Hans ging mede de deur uit, om de meisjes tot aan de vaart te

vergezellen. Even buiten de deur stond Annie stil. Weder scheen de

zon tooverachtig op het gelaat van het meisje. Was het een weinig

coquetterie, dat ze daar zoo bleef stilstaan? Ik durf 't niet

zeggen--wel weet ik dat Hans haar met een soort van eerbied aanstaarde.

"Moeder heeft wel gelijk," zeide hij bewonderend. "Je lijkt net

zoo'n toovergodin."

Annie had er pleizier in, dat Hans haar zoo aankeek. Zij zette een

ernstig gezichtje en zeide:

"Welnu, Hans en Griete! Ik ben de goede toovergodin uit Broek,

die je een bezoek komt brengen. Je kunt ieder een wensch doen,

die zal je worden toegestaan." Griete begon te lachen om den ernst,

waarmede zij sprak; maar Hans, die in zijn hart wenschte, dat Annie

werkelijk een toovergodin was en dat haar belofte mocht uitkomen,

lachte niet en zeide ernstig:

"Welnu, goede toovergodin, ik wenschte, dat ik kon vinden wat ik van

nacht tevergeefs gezocht heb!"

Annie bleef haar rol uitmuntend doorspelen. Zij stampte driemaal op

den grond, haalde plechtig een glazen kraal uit haar zak, reikte die

Hans over en zeide:

"Begraaf die kraal daar ginds bij de oude vermolmde wilgestomp,

en eer de maan hedenavond opkomt, zal je wensch vervuld zijn."

Griete vond dit zoo koddig, dat zij nog harder begon te lachen.

"Ondeugend kind," zeide Annie, terwijl zij een streng gezicht

zette. "Omdat je een toovergodin bespot, zal jouw wensch niet vervuld

worden."

"'t Is jammer, dat je je beurt niet hebt afgewacht, toovergodin!" zeide

Griete. "Nu kun je me niets weigeren: want ik heb niets gevraagd."

Annie bleef haar rol goed spelen. Met waardigheid wendde zij zich om,

drukte Hans genadig de hand en wandelde naar de vaart. Toen zij daar

was, was zij weder Annie.

"Kom, Griete!" riep zij tegen het nog steeds lachende kind. "Ga nu

mee; anders zou je de schaatsen van je broer niet voor morgen thuis

brengen. En je weet, dat hij dan op de harddraverij moet."

Hans keek de meisjes na, zoolang hij ze zien kon. Maar hij staarde

ze na met een droomerig gelaat.

"Bij die wilgestomp, zeide zij," mompelde hij. "Hoe dom, dat wij

daaraan niet gedacht hebben! O, 't is zeker waar! Doch ik zal er

moeder niets van zeggen, eer ik weet of 't waar is. Zij was van nacht

zoo teleurgesteld."

En hij ging met langzame schreden in huis, waar zijn vader gerust

lag te slapen.

"Wat moet je hebben, Hans?" vroeg vrouw Brinker, die aan het bed van

haar man zat te breien.

"Ik ga de oude stomp omhakken om een lekker brandje te hebben,

als vader van nacht wakker wordt. Hij staat daar toch maar als

een doeniet. En dan word ik warm van den arbeid; want ik ben koud

geworden."

"Sla dan niet te hard, anders mocht je je vader wakker maken."

"Wees maar niet bang, moeder!" antwoordde hij, terwijl hij met spade

en houweel de hut verliet.

Toen Griete kort daarop met de schaatsen thuis kwam, vroeg zij Hans,

terwijl zij haar schaatsen afbond:

"Wat voer je daar toch uit?"

"Ik begraaf mijn tooverkraal," antwoordde hij.

"Malle jongen, hier zijn je schaatsen!"

"Hang ze maar binnen op! En waar heb je ze gehaald?"

"Wel, ze lagen bij Annie aan huis."

"Dat dacht ik wel. Lieve, lieve Annie! Je zult zien, Griete, dat ze

ons nog meer geluk aanbrengt!"

"'t Zal wat zijn, als het voor de heeren komt. Maar ik ga in huis. 't

Is me te koud om stil te staan."

Vijf minuten later kwam Hans half dansende de deur in met een vuilen

koekepot.

"Moeder!" riep hij. "Het geld is terug! We hebben er van nacht niet

aan gedacht, dat de wilg, welken vader bedoelde, al voor jaren is

omgewaaid en dat de andere nog jong was, toen het ongeluk op den

dijk voorviel. Annie heeft mij, zonder het te weten, op de gedachte

gebracht, dat het die was. Hier is de pot met geld!"

Vrouw Brinker kon niet spreken: maar zij trok den ouden vuilen pot,

dien Hans op tafel had gezet, naar zich toe en haalde de beide kousen

er uit, die ze aan haar hart drukte. Eindelijk riep zij:

"O, kinderen! Welk een geluk! God zegene de lieve Annie voor haar

wenk! Nu zal vader het eerst goed hebben."

Dien nacht droomde Annie van een knipmes, dat Hans verloren had en

op haar tooverspreuk terugvond.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

HET GEHEIMZINNIGE HORLOGE.

Terwijl Hans dien dag werk had gezocht en Griete bezig was geweest,

om waar zij kon langs de vaart eenig hout te sprokkelen, om het vuur

aan den haard te onderhouden, had er in de hut van Rolf Brinker een

vrij langdurig gesprek plaats gehad tusschen den zieke en zijn vrouw,

waarvan ik den inhoud aan mijn lezeressen en lezers wil mededeelen,

niet twijfelende, of zij zullen een levendig belang stellen in hetgeen

er tusschen de beide echtgenooten verhandeld werd.

Gij herinnert u nog wel het gouden horloge, dat Rolf's trouwe

vrouw zoo zorgvuldig had bewaard. Zoo menig uur van bitteren nood

en nijpende armoede was er voorbijgegaan, waarin moeder Brinker

het niet zou gewaagd hebben, dit horloge voor den dag te halen,

uit vrees dat de verleiding haar te zwaar zou zijn en zij er voor

mocht bezwijken en ontrouw worden aan het laatste verzoek van haar

man. 't Was zoo menigmaal hard geweest, de bleeke, vervallen wangen

harer lievelingen te zien en daarbij te denken, dat het geld, hetwelk

zij voor dit horloge kon krijgen, de rozen op die wangen had kunnen

terugbrengen. Maar vrouw Brinker kon de laatste woorden van haar man

niet vergeten, zij zou er trouw aan blijven, er mocht van komen wat

er wilde.

"Pas er goed op, Mietje," dat waren zijn woorden geweest, toen hij haar

het horloge ter hand stelde. Meer had hij er niet kunnen bijvoegen:

want toen was men hem komen roepen, omdat de dijk gevaar liep. En na

dien tijd, tien jaren lang, was Rolf buiten staat geweest, haar iets

naders aangaande het haar in bewaring gegeven kleinood mede te deelen.

Nu echter begreep zij, dat het oogenblik gekomen was, waarin zij

van haar man iets meer ten aanzien van het geheimzinnige horloge zou

kunnen vernemen. Zij legde het dus in de hand van den zieke.

Rolf Brinker draaide het gladde, blinkende voorwerp herhaalde

malen in zijn hand om; daarna onderzocht hij het kleine zwart moiré

lintje, dat er aan vastzat; hij scheen echter een en ander niet te

herkennen. Eindelijk toch zeide hij:

"Hé, ja. Nu herinner ik 't mij. Vrouw, wat heb je dat ding mooi

opgewreven! Het ziet er uit of het zoo nieuw uit den winkel komt!"

"Vindt je 't?" vroeg vrouw Brinker.

Rolf bekeek het horloge nogmaals.

"Arme jongen!" mompelde hij; toen verzonk hij in diep gepeins.

Vrouw Brinker kon haar ongeduld niet langer bedwingen. Min of meer

knorrig, herhaalde zij haars mans woorden: "Arme jongen!" Daarop

vervolgde zij: "Hoe is 't nu met je Rolf? Denk je, dat ik niets anders

te doen heb, dan hier bij je te staan en mijn boel te laten wachten, om

ten slotte van alles niets anders van je te hooren dan: arme jongen?"

"Maar ik heb je immers alles reeds sedert lang verteld," zeide Rolf

op bevestigenden toon, terwijl hij zijn vrouw verwonderd aankeek.

"Wel neen, Rolf, je hebt me er nooit een enkel woord van gezegd."

"Nu, als dat het geval is, en daar 't een zaak betreft, die ons

in 't geheel niet aangaat--zoo zullen wij er maar over zwijgen,"

hervatte Rolf, terwijl hij zijn hoofd treurig schudde. "'t Is

allerwaarschijnlijkst, dat in den tijd, welken ik dood ben geweest

voor de aarde, de arme gestorven en reeds in den hemel is. Hij zag

er wel naar uit, die arme knaap!"

"Rolf, als je me op die manier gaat behandelen, die je heb verzorgd

en verpleegd van mijn twee-en-twintigste jaar af, dan moet ik zeggen

dat het schande, meer dan erg is."

En vrouw Brinker's geheele gezicht was rood van toorn en zij sprak

die woorden op vlijmenden toon uit. Rolf vroeg met zwakke stem:

"Je behandelen, Mietje? Op welke manier? Wat bedoel je daarmee?"

"Op welke manier? Wat bedoel je daarmee?" herhaalde vrouw Brinker,

terwijl zij zijn stem en gebaren nadeed. "Wel op die manier, als

elke vrouw wordt behandeld, als zij haar man, toen hij zoo erg was,

trouw heeft opgepast, als een...."

"Mietje!"

Dit zeide Rolf op een gevoeligen toon, terwijl hij beide armen naar

zijn vrouw uitstrekte en begon te weenen als een kind. Terstond

bedaarde vrouw Brinker's drift. Zij snelde op haar man af, sloot zijn

beide handen in de hare en riep uit:

"Ach! Wat heb ik gedaan! Ik heb mijn goeden man aan 't weenen gemaakt,

mijn goeden man, dien ik nog geen vier dagen terug heb! Kijk me eens

aan, Rolf, goede jongen! kijk me eens aan! Ach, ik heb er zoo'n spijt

van, dat ik je zeer gedaan heb! 't Is ook zoo hard, als je tien jaren

gewacht hebt om wat naders van dat horloge te vernemen, en je kunt

er niets van te weten komen.... Maar ik zal je er geen woord meer

over vragen, Rolf! Geen enkel woord meer! Geef het ding maar hier,

dan zullen we het wegbrengen. Dat zulk een ellendig horloge de oorzaak

moet zijn van ongenoegen tusschen ons, en dat zoo kort, nadat God je

me weergeschonken heeft!"

"Ach, Mietje, ik ben heel kinderachtig geweest, dat ik geschreid

heb," hervatte Rolf, terwijl hij haar kuste. "'t Is ook niet meer dan

billijk, dat je de waarheid verneemt. Maar 't was mij, alsof ik door

't je te vertellen, de geheimen van een afgestorvene aan den dag

zou brengen."

"Denk je dan, dat de man--de jongen, van wien je spraakt, dood

is?" vroeg vrouw Brinker, terwijl zij het horloge in haar hand verborg.

"Dat kan ik niet zeggen," antwoordde hij.

"Was hij dan zoo ziek, Rolf?"

"Neen niet ziek, maar gejaagd, heel gejaagd."

"Had hij dan wat kwaads uitgevoerd, denk je?" vroeg zij half

fluisterend.

Rolf knikte.

"Een moord gedaan?" fluisterde de vrouw, zonder te durven opkijken.

"Hij zeide, dat het er wel iets van had."

"O, Rolf, je doet mij schrikken--vertel mij meer--je spreekt zoo

raadselachtig--en je beeft. Ik moet alles weten."

"Als ik beef, vrouw, dan moet het van de koorts zijn. Daar rust,

Goddank, geen schuld op mijn ziel."

"Daar Rolf, neem een slokje wijn; dat zal je goed doen. Ziezoo nu

ben je beter. 't Had veel van een moord, zei je?"

"Ja, Mietje, van een moord; dat heeft hij mij zelf verteld. Maar ik

geloof het niet. Een knappe, frissche, aardige knaap, die er net zoo

uitzag als onze Hans...."

"Ja, ik begrijp je," hervatte vrouw Brinker, om de historie niet af

te breken.

"Hij kwam heel onverwachts op mij af," ging Rolf voort. "Ik had hem

nooit te voren gezien, met zijn bleek en angstig gelaat. Hij greep mij

bij den arm. "Je schijnt me een eerlijke kerel te zijn," zeide hij."

"Daar had hij ook deugdelijk gelijk in," viel de vrouw haar man met

geestdrift in de rede.

Rolf keek een weinig verward.

"Waar was ik ook weer, vrouw?" vroeg hij.

"De knaap greep je bij den arm," antwoordde zij, terwijl zij hem

nieuwsgierig aanzag.

"Juist, zoo was 't. 't Komt me alles zoo moeilijk voor den geest,

net alsof 't een droom is, weet je."

"Geen wonder, arme man," hervatte vrouw Brinker, terwijl zij hem de

hand drukte. "Als jij geen verstand voor een dozijn anderen gehad

hadt, dan zou je nooit weer bij je positieven zijn gekomen. Welnu,

hij greep je bij je arm en zei, dat je een eerlijke kerel scheen te

zijn. Waar was dat?"

"Wel, je weet, dat ik het dagveer aan het Schouw bediende voor

Piet van Dieren, die toen ziek lag. Nu stond ik bij de schuit;

want de stoomboot naar het Nieuwediep zou binnen weinige minuten in

't gezicht komen en dan moest ik klaar zijn, als er passagiers waren

af te zetten of aan te brengen."

"O, was 't daar? Nu--hij greep je bij den arm, Rolf."

"Ja, dat deed hij. En 't is of ik nog dat bleeke, angstige gelaat

zie. "Breng mij naar de stoomboot, die naar het Nieuwediep vaart."--Met

deze woorden sprong hij in de boot, waarin ik reeds gestapt was.--"Hoor

eens," zei hij, terwijl ik de riemen in het water legde; want het was

nog te vroeg en de boot had nog niet eens gefloten. "Hoor eens, kan

ik je vertrouwen?"--"Als u zelf, mijnheer," antwoordde ik.--"Ik heb

een verkeerd stuk begaan--God weet, dat ik het zonder opzet deed--maar

de man is dood--en ik moet uit het land vluchten." Dat zei hij."

"Goede Hemel! En zei hij dat, Rolf? Had hij iemand doodgestoken of

doodgeschoten?"

"Dat herinner ik mij niet meer. Misschien heeft hij 't mij verteld;

maar 't is me alles als een droom. Eigenlijk mocht ik hem niet

behulpzaam zijn om de wraak der wetten te ontvluchten. Maar hij

betuigde zoo plechtig zijn onschuld en daarenboven zag hij zoo

trouwhartig uit zijn oogen, net als onze Hans kan doen. Hoe meer ik

't mij herinner--hoe meer ik vind, dat hij op onzen jongen geleek."

"En was dat de knaap, die u het horloge gaf? Wel, Rolf, als hij daar

maar eerlijk aan gekomen was."

"Foei, vrouw!" riep Rolf uit, op een toon alsof hij zich beleedigd

gevoelde. "De jongen was zoo mooi en zoo fijn gekleed alsof hij een

prins was. Het horloge was het zijne, daar kun je staat op maken."

"Hoe kwam hij er dan toe, om het jou te geven?" hernam vrouw Brinker.

"Wel, dat heb ik je zooeven verteld," antwoordde hij min of meer

verward.

"Vertel 't me dan nog eens, beste Rolf!"

"Wel, juist toen de boot zich in de verte liet hooren en ik de riemen

in het water sloeg om er heen te roeien, haalde de knaap het horloge

uit zijn zak. "Ik moet uit mijn land vluchten, zooals ik nooit

gedacht had, dat ik zou moeten doen," zeide hij. "Jou vertrouw ik,

omdat je een eerlijk gezicht hebt.--Wil je dit horloge aan mijn vader

brengen, niet vandaag, maar vandaag over acht dagen, en hem zeggen,

dat zijn ongelukkige zoon het hem zendt. Zeg hem dan, dat, als hij

er behoefte aan heeft, om mij bij zich te hebben, ik alle gevaren

zal trotseeren en terug zal komen. Zeg hem, dat hij een brief moet

schrijven aan...." ja, verder ben ik alles vergeten. Ik kan mij

niet herinneren, waar de brief naar toe moest. Arme jongen! arme

jongen!" herhaalde Rolf op smartvollen toon, terwijl hij het horloge

van zijn vrouws schoot nam. "En dat dit horloge sedert al dien tijd

niet naar zijn vader is gezonden!"

"Ik zal het hem brengen, Rolf; ik zal het hem brengen, beste jongen,

zoodra Griete weer thuis is," zeide vrouw Brinker, om haar man gerust

te stellen. "Griete zal wel gauw weerom komen. Hoe heette de vader

van den knaap? Waar moest je hem opzoeken?"

"Helaas!" antwoordde Rolf, terwijl hij langzaam sprak. "'t Is me alles

ontgaan. 't Is me net, alsof ik het gezicht van den jongen nog vóór mij

heb, met zijn groote oogen, die me zoo trouwhartig aankeken--ik zie hem

nog het horloge opendoen, er iets uitscheuren en dat kussen.... Meer

echter kan ik mij niet te binnen brengen. Al het overige wentelt

zich als in een kring om mij rond, en als ik tracht te denken, dan is

't net of het geluid van opkomend water mij in de ooren ruischt."

"Dat is heel natuurlijk. Dat gesuis in mijn ooren heb ik vroeger zoo

dikwijls gehoord, als ik de koorts had gehad. Je bent nu moe en moet

naar bed. Waar of het kind toch blijft?"

En zij opende de deur en riep: "Griete, Griete!"

De zilveren schaatsen · 第 9 / 12 段