"Je man is geducht zwak, vrouw Brinker! Hij moet wat versterkends

hebben. Je kunt er gerust mee beginnen, maar niet te veel op eens,

en wat je hem geeft, het moet van het krachtigste en beste zijn."

"Wij hebben niets dan roggebrood en aardappelen, mijnheer," antwoordde

vrouw Brinker, "en die zijn hem altijd heel goed bekomen."

"Ho, ho! vrouwtje," hernam de dokter, terwijl hij zijn wenkbrauwen

fronste. "Dat deugt niemendal voor hem. Hij moet krachtigen bouillon

hebben, met oudbakken wittebrood, dat je kan roosteren, dan goede

Malaga, en .... de man lijdt kou .... je moet hem beter dek geven. Waar

is je zoon?"

"Hij is het dorp ingegaan, om te zien of hij werk kan krijgen,

mijnheer! Maar hij zal wel gauw terug zijn. Wil u niet gaan zitten?"

Hetzij de harde stoel, dien vrouw Brinker hem aanbood, niet bijzonder

uitlokkend scheen, of dat de dokter haast had--hij nam het aanbod

van vrouw Brinker niet aan, maar zette zijn hoed op en vertrok.

Dokter Broekman's bezoek had ditmaal geen aangenamen indruk

achtergelaten. Griete kneedde haar roggebrood met een zenuwachtige

gejaagdheid en vrouw Brinker ging naar het bed van haar man en barstte

in bittere tranen uit.

Op dit oogenblik kwam Hans binnen.

"Wat scheelt er aan, moeder?" vroeg hij, toen hij haar zag weenen. "Is

vader soms erger?"

Zij wendde haar gelaat naar Hans, en zonder eenige poging om voor

hem de reden van haar verdriet verborgen te houden, gaf zij hem

ten antwoord:

"Ja Hans! je arme vader lijdt honger en kou--dat heeft de dokter

gezegd."

Hans werd bleek.

"Dan moet ge hem wat eten geven, moeder, en hem wat warmer toedekken,"

zeide hij.

"Eten? Roggebrood en aardappelen? Dan vermoorden wij hem. Ons eten

is te zwaar voor hem. Ach! hij zal sterven, je arme vader, als we hem

dat geven. Hij moet vleesch hebben, wijn en een zacht, warm bed. Wat

moeten wij beginnen? Wat zullen wij doen? Er is geen stuiver in huis!"

"Heeft de dokter dan gezegd, dat hij al die dingen moest hebben?" vroeg

Hans.

"Ja, dat heeft hij gezegd."

"Welnu, moeder! Droog dan uw tranen. Hij zal ze hebben. Nog vóór den

avond breng ik hem vleesch en wijn. En wat het dek aangaat, neem

het maar van het mijne af. Ik ben jong en sterk en kan wel zonder

dek slapen!"

"En dan, wat er tot overmaat van ramp nog bij komt, Hans, we hebben

geen brandstof meer. Je vader is er wat ruw mee omgegaan, als ik het

niet zag."

"Zorg daar maar niet voor, moeder! Als de nood dringt, dan kan ik

den wilgeboom wel omhakken; maar van avond zal ik wat brandstof

medebrengen. Al is er te Broek geen werk te vinden, in Amsterdam

moet er zijn. Maak u maar niet ongerust. Het ergste van alles is

geleden. Nu vader weer bij zijn verstand is, kunnen wij allen dingen

het hoofd bieden."

"Je hebt gelijk, Hans," antwoordde vrouw Brinker, terwijl zij haar

tranen afdroogde.

"Kijk hem nu eens, moeder, hoe rustig hij slaapt. Zou God hem

nu door gebrek aan voedsel doen omkomen, nu Hij hem ons heeft

teruggeschonken? Treur dus niet."

Dit zeggende, nam Hans zijn schaatsen onder den arm, gaf zijn

moeder een kus en ging de deur uit. De arme jongen, moedeloos door

het mislukken van al zijn pogingen om in Broek werk te krijgen, in

bittere smart over de mededeelingen zijner moeder, hield zich groot,

grooter dan hij 't wel in zijn hart was, ja, poogde te fluiten,

terwijl hij naar de vaart ging.

Nooit was bij de Brinkers de nood zoo hoog geweest. Hun voorraad van

brandhout was zoo goed als op en Griete was bezig met het laatste meel

tot brood te kneden. En geld--dat was een soort van ding, dat er in

de hut aan de vaart weinig, thans in 't geheel niet te vinden was.

't Speet Hans, dat hij den koetsier niet had verzocht, om stil te

houden, toen de dokter hem daar straks voorbijreed. Misschien had

moeder het verkeerd verstaan. De dokter kon toch wel begrijpen, dat

het buiten hun macht was om vader bouillon en wijn te verschaffen. En

toch--hij was er wel zeker van, dat de arme man het noodig had,

want hij zag er zoo zwak uit.

"Kon ik maar werk krijgen, dan zou men mij misschien wat op voorschot

geven. Ik moet werk hebben. Was mijnheer Van den Helm maar niet juist

naar Rotterdam, dan zou hij mij wel werk verschaffen. Maar de jonge

heer Peter heeft mij gezegd, dat ik maar naar zijn moeder moest gaan,

als ik hulp noodig had. Weet je wat, ik doe 't: baat het niet, dan

schaadt het niet. O, als 't maar zomer was!"

Onder dit zelfgesprek had Hans zijn schaatsen ondergebonden en reed

hij naar de woning van mijnheer Van den Helm.

"Vader moet wijn en vleesch hebben," mompelde hij. "Maar hoe kom ik

vandaag nog aan het geld, om het voor hem te koopen? Er is geen ander

middel op, dan de belofte te vervullen, die ik stilzwijgend aan den

jongen heer Peter gedaan heb. Een beetje wijn en vleesch beteekent

niets voor de familie Van den Helm. Als vader maar voedsel heeft,

dan rij ik naar Amsterdam en zie daar wat te verdienen."

Toen kwamen er andere gedachten bij hem op, gedachten, die zijn hart

heviger deden kloppen en het schaamrood op zijn wangen joegen.

"Dat zou bedelen zijn," zeide hij. "Op zijn zachtst genomen

bedelen. Nooit heeft een van de Brinkers gebedeld! Zal ik dan de

eerste zijn? En zou mijn arme vader daartoe uit zijn tienjarigen

doodslaap ontwaakt zijn, opdat hij moet hooren, dat zijn huisgezin om

een aalmoes gevraagd heeft, hij die altijd zoo fier werkzaam was? Neen,

dan is 't nog duizendmaal beter om het horloge te verkoopen."

Hij stond peinzend stil.

"Verkoopen?" vervolgde hij, als beantwoordde hij zich zelf. "Wel,

dat behoeft niet. Ik kan het te Amsterdam beleenen. Dat is toch geen

schande. En als ik dan werk krijg, dan los ik het weer, en vader

is geholpen."

Die laatste gedachte deed hem opspringen van vreugde.

"Ik behoef 't niet stil te doen ook," vervolgde hij in het

naar-huis-rijden. "Wel neen, in 't geheel niet. Ik kan er vader

zelfs naar vragen. Hij is nu weer bij zijn volle verstand. Misschien

is hij al wakker. Dan kan hij ons vertellen wat er van dat horloge

is. Misschien zegt hij, dat het van niet het minste belang is."

Sneller dan hij van huis gereden was, reed hij terug. Hij ontmoette

zijn moeder juist in de deur.

"O, Hans!" riep zij met een gelaat, dat van vreugde straalde, uit:

"Daar is de jonge dame geweest met haar dienstmaagd. Zij heeft alles

meegebracht, wat wij noodig hebben: vleesch, soep, wijn en brood--een

mand vol brood. En de dokter heeft een mand gestuurd met een paar

flesschen wijn, een zacht bed en warme dekens voor vader. O, nu zal

hij wel weer beter worden. God zegene die edele juffrouw Hilda en

den braven dokter!"

"God zegene hen!" herhaalde Hans en de tranen kwamen hem in de oogen.

Dien avond gevoelde Rolf Brinker zich zooveel beter, dat hij er op

aandrong, om een weinig in zijn ruwen stoel met hooge leuning op

te zitten. Het gaf wel een weinig verlegenheid in de hut. Wat Hans

aangaat, die kon, ofschoon zijn vader een zwaar man was, hem best

aan de eene zijde ondersteunen, maar vrouw Brinker, ofschoon ze in

't geheel niet zwak was, beefde zoozeer vooral bij het denkbeeld,

dat zij iets zou doen, wat de dokter niet geordonneerd had, dat het

weinig scheelde of zij was onder den last bezweken.

"Hou je goed, vrouw! hou je goed," zeide Rolf. "Ben ik dan zóó oud

en zóó zwak geworden, dat ik niet meer op mijn beenen staan kan. Of

is het de koorts?"

"Hoor me dien man eens aan!" riep vrouw Brinker zenuwachtig lachend

uit. "Spreekt hij niet als een gezond christenmensch! 't Is de koorts,

die je zoo zwak maakt, Rolf. Hier is je stoel. Ga nu maar zitten!"

Met deze woorden liet vrouw Brinker haar man zachtjes op zijn stoel

nederzakken, op welken zij een donzig kussen had gelegd. Hans deed

hetzelfde. Intusschen bracht Griete alles aan, wat tot gemak van haar

vader kon dienen, en stookte het vuur ferm op.

Eindelijk zat Rolf Brinker op zijn gemak. Geen wonder, dat hij

vreemd rondkeek. "De kleine Hans" had niet veel minder gedaan dan

hem ondersteund. Het "kleine kind" was meer dan vier voet lang en

stookte den haard zoo goed, alsof haar moeder 't gedaan had. Mietje,

zijn vrouw, was nog wel even mooi als vroeger, maar heel wat dikker

geworden, en dat alles--naar 't hem voorkwam, in weinige uren. De

eenige welbekende dingen, welke hij om zich zag, waren de grenenhouten

tafel, welke hij zelf had gemaakt, de Bijbel op de plank en de kast

in den hoek.

Wat wonder, dat de oogen van Rolf Brinker zich met tranen vulden,

zelfs bij het zien van de vroolijke gezichten, die hem omringden. Tien

jaren toch van een menschenleven is geen gering verlies! Tien jaren

van mannelijken leeftijd, van huiselijk geluk en huiselijke zorg,

tien jaren van eerlijken arbeid, genieting van zonneschijn, van een

leven in dankbaarheid gesleten. En die tien jaren als een enkele nacht

voorbijgegaan! Was 't wonder, dat er bittere tranen over zijn wangen

vloeiden, toen hij begreep, wat er met hem gebeurd was?

Die tranen--'t was of zij in het hart van Griete drongen en daar de

ijskorst deden smelten, die dat jeugdige hart bedekte. Thans had zij

haar vader lief, snelde op hem toe en sloeg de armen om zijn hals.

"Vader, lieve vader!" fluisterde zij, terwijl zij haar wangetje dicht

aan de eene zijde drukte. "O, lieve vader, schrei zoo niet! Wij zijn

allen hier."

"God zegene u, kind!" snikte Rolf, terwijl hij haar herhaalde malen

kuste. "Ik had dat waarlijk vergeten!"

Hans en vrouw Brinker hadden zwijgend en met aandoening Griete

gadegeslagen. Zij waren zóó blijde, dat het kind, hetwelk haar

vader eigenlijk nooit gekend had, zich thans zoo lief jegens hem

gedroeg. Rolf Brinker nam het hoofd van zijn dochtertje tusschen zijn

beide handen, keek haar vriendelijk in het gelaat, wendde zich toen

tot zijn vrouw en zeide:

"Ik geloof, dat ik haar ken, Mietje. Dezelfde blauwe oogjes, dezelfde

lippen, 't is het lieve kind, dat al kon zingen, vóór ze nog kon

loopen. Maar dat is al lang geleden, heel lang," voegde hij er bij,

terwijl hij met een droomerig gelaat opkeek, "en al die tijd is

nu voorbij."

"In 't geheel niet, Rolf!" riep zijn vrouw haastig uit. "Denk je dan,

dat ik er niet voor gezorgd heb, dat ze jou niet vergat? Griete,

kind! zing eens het oude liedje, dat je zoo lang gekend hebt."

Rolf Brinker liet zijn handen zwaar naast zich hangen en sloot zijn

oogen, maar er speelde een glimlach om zijn lippen, toen Griete met

haar heldere stem dat oude, welbekende liedje zong.

Het was een eenvoudig wijsje; de woorden had zij nooit gekend.

En als uit instinct zong zij de noten zóó zacht, dat Rolf zich bijna

verbeeldde, dat zijn tweejarig kindje weer naast hem zat.

Zoodra het gezang gedaan was, klom Hans op een bankje en begon boven

in de kast te rommelen.

"Wees voorzichtig, Hans," zeide vrouw Brinker, die, hoe arm zij ook

was, steeds een zorgvuldige huismoeder bleef. "Wees voorzichtig,

dat je den wijn niet omgooit, en pas op het brood, dat er naast staat."

"Wees maar niet bang, moeder," antwoordde Hans, die ver boven de

hoogste plank uitstak. "Ik zal niets omgooien."

Toen sprong hij van het bankje af en ging naar zijn vader, voor wien

hij een langwerpig stuk grenenhout op tafel zette. Eén van de einden

was schuin afgerond, en het bovengedeelte was uitgehold.

"Weet gij wel, wat dat is, vader?" vroeg hij.

Rolf Brinker's gelaat helderde op.

"Of ik het weet. Wel ja, mijn jongen, dat is de boot, waaraan ik

giste.... neen, niet gisteren, maar jaren geleden bezig was."

"Ik heb haar altijd bewaard, vader. Als uw handen weer sterker zijn,

kunt gij haar afmaken."

"Dat is goed, mijn jongen. Maar niet voor jou, hoor. 'k Moet nu

maar wachten, tot ik kleinkinderen heb. Wel kerel, je bent bijna een

man. Heb je je moeder al die jaren trouw geholpen?"

"Ja, dat heeft hij gedaan," zeide vrouw Brinker.

"Laat me eens bedenken," prevelde de vader. "Hoe lang is 't sinds

dien nacht, dat het water zoo hoog was? Dat is 't laatst, wat ik

mij herinner."

"We hebben je de waarheid gezegd, Rolf. 't Is al over de tien jaren."

"Tien jaren--en toen ben ik gevallen, niet waar? En heb ik sedert al

dien tijd in de koorts gelegen?"

Vrouw Brinker wist niet, wat zij moest antwoorden. Zou ze hem alles

vertellen? Dokter Broekman had haar volstrekt verboden, om hem bekend

te maken, dat hij krankzinnig, idioot geweest was. Hans en Griete

stonden verbaasd te kijken, toen hun moeder antwoordde:

"Dat heeft er veel van, Rolf. Je begrijpt, als zoo'n zwaar man als

jij op zijn hoofd valt, dan loopt dat zoo gemakkelijk niet af. Maar

nu ben je weer beter, Goddank!"

Rolf liet zijn hoofd zakken.

"'t Is goed, vrouw," hernam hij, na een oogenblik gezwegen te

hebben. "'t Is me tusschenbeide of mij de hersens in het hoofd

draaien. Dat zal wel niet beter worden, vóór ik op den dijk ga

werken. Wanneer denk je, dat ik weer aan den arbeid kan gaan?"

"Hoor me zoo'n man eens aan!" riep vrouw Brinker verheugd en toch

verschrikt. "We moeten hem te bed brengen, Hans! Dat wou nu al gaan

werken!"

Zij poogden hem nu van zijn stoel op te richten, maar hij was nog

niet van zins om naar bed te gaan.

"Schei toch uit," zeide hij met zijn ouden glimlach, een glimlach dien

Griete nog nooit op zijn gelaat had gezien. "Moet je een man oplichten

als een blok hout. 't Duurt geen drie dagen of ik ben weer op den dijk

aan 't werk. Daar zal ik weer mijn oude, goeie jongens vinden! Wat

zullen ze in hun schik zijn, als ze mij weer zien verschijnen! Daar heb

je Jan Kamphuijzen en den jongen Hoogvliet. 't Waren trouwe kameraads,

Hans, daar kan je op aan!"

Hans keek zijn moeder aan. De jonge Hoogvliet was al vijf jaren

geleden gestorven en Jan Kamphuijzen zat in de cellulaire gevangenis

te Amsterdam.

"Ze zullen 't nog wel goed maken, denk ik," zeide vrouw Brinker

ontwijkend. "Maar je begrijpt wel, Rolf, dat we geen tijd hebben gehad

om ons met hen te bemoeien. Hans had het te druk met leeren en werken,

dan dat hij kameraden zou hebben kunnen zoeken."

"Leeren en werken!" herhaalde Rolf op peinzenden toon. "Kan de jongen

dan lezen en schrijven, Mietje?"

"Dat zou ik meenen," antwoordde zij trotsch. "Je zult het hooren,

Rolf. In den tijd, dat ik den vloer doe, leest de jongen een heel

boek uit. Hij is net zoo blij met een blaadje gedrukt schrift als

een konijn met een koolstronk. En cijferen dat hij kan...."

"Hans, help mij een handje," viel Rolf zijn vrouw in de rede. "Ik

wou weer naar bed."

Wie dien avond vrouw Brinker en haar beide kinderen had zien soupeeren,

zou niet gedacht hebben, dat er zooveel fijns in de kast daar aan

den muur verborgen was. Vroolijk gebruikten zij hun grof brood met

helder water: "het wittebrood, de wijn en het vleesch moesten voor

vader blijven," had vrouw Brinker gezegd. "Als men daar een stukje

van at, zou men het den armen man ontstelen."

"Wat zit je daar te kijken, Griete?" vroeg vrouw Brinker, toen ze

gedaan hadden. "Heeft je het eten van avond niet gesmaakt, nu je wat

beters gezien hebt?"

"Neen, moeder," antwoordde Griete verschrikt, dat ze zoo eensklaps

in haar droomerijen gestoord werd. "Daar heb ik geen oogenblik over

gedacht. Maar ik...."

"Nu, wat dan, kind?" herhaalde vrouw Brinker ongeduldig.

"Ik dacht, we konden vader nu wel eens naar de duizend gulden

vragen.--Misschien weet hij er iets van."

"Duizend gulden!" herhaalde eensklaps een stem uit het bed, en zoowel

vrouw Brinker als Hans sprongen verschrikt op. "De duizend gulden

zullen je ook wel te pas gekomen zijn, Mietje, al dien langen tijd,

dat je man geen slag werk deed."

"Ben je wel wakker, Rolf?" vroeg zij.

"Ja, kind. En ik gevoel mij veel beter. Wat een geluk, dat we dit

geld hadden gespaard! Heeft het gedurende al die tien jaren gestrekt,

Mietje?"

"Ik .... ik heb er geen cent van gezien, Rolf." En zij was op het punt,

om hem de geheele waarheid mede te deelen, toen Hans zijn vinger op

den mond legde en zijn moeder toefluisterde:

"Denk er aan, moeder, wat de dokter gezegd heeft, dat we vaders hoofd

niet vermoeien mogen."

"Spreek jij dan met hem, kind," antwoordde zij.

Hans voldeed hieraan.

"Ik ben blij, dat ge wat beter zijt, vader," begon hij. "Als 't zoo

voortgaat, zult gij wel spoedig sterk zijn."

"Ja, jongen, dat willen we hopen. Maar hoe lang heeft dat geld geduurd,

Hans? Ik kon je moeder niet recht verstaan. Wat zeide zij?"

"Ik heb gezegd, Rolf," antwoordde vrouw Brinker op treurigen toon,

"dat alles weg is."

"Nu, vrouwtje, wees daar maar niet bedroefd om. Duizend, gulden is

waarlijk niet zooveel voor tien jaren, vooral als men er een paar

kinderen bij groot te brengen heeft; maar ze hebben toch gemaakt,

dat je geen armoede hebt behoeven te lijden. Ben je allen dien tijd

nogal gezond geweest?"

"Ja," snikte vrouw Brinker, terwijl zij haar voorschoot voor de

oogen hield.

"Kom, kom, vrouw! Waarom schrei je?" hernam Rolf vriendelijk. "Als

ik maar weer op de been ben, zullen we wel gauw weer een nieuwe kous

vullen. Gelukkig, dat ik je alles verteld heb, eer ik ziek werd."

"Verteld? Wat heb je me verteld?"

"Wel, dat ik 't je gezegd heb, dat ik het geld begraven had."

Vrouw Brinker wilde naar het bed vliegen; maar Hans hield haar bij

den arm vast.

"Stil, moeder," fluisterde hij, terwijl hij haar tegenhield. "Wij

moeten heel voorzichtig zijn."

Toen zij daar nu zoo handenwringend stond, naderde hij nog eens

zijn vader.

"Herinnert gij u nog, vader, wanneer gij het geld begraven hebt?"

"Wel zeker, 't Was vóór dag en dauw, op denzelfden dag, dat ik van den

dijk viel. Jan Kamphuijzen had den avond te voren iets ten opzichte van

dat geld gezegd, dat mij zijn eerlijkheid deed wantrouwen. Hij was de

eenige, die met moeder en mij wat van dat geld wist. Ik stond 's nachts

op en begroef het. Dwaas, die ik was, om een vriend te wantrouwen!"

"Ik wed om al wat gij wilt, vader," hernam Hans lachend, terwijl hij

zijn moeder en Griete wenkte, om zich stil te houden, "dat gij niet

meer weet, waar gij het begraven hebt."

"Ha! Ha! Ha! Je hebt gelijk. Maar goeden nacht, Hans! Ik heb slaap."

Hans wilde zijn vader met rust laten en van het bed afgaan, maar

zijn moeder wenkte hem en hij mocht haar niet ongehoorzaam zijn;

daarom vervolgde hij:

"Goeden nacht, vader! Waar hebt gij het geld begraven? Ik was toen

nog heel klein."

"Vlak bij den wilgeboom achter de hut," antwoordde Brinker slaperig.

"O, ja. Aan den noordkant van den boom, niet waar, vader!"

"Neen, aan de zuidzijde. Kom, je weet de plaats net zoo goed als ik,

kleine schelm! Je bent er toch zeker bij geweest, toen je moeder het

geld opgroef. Wees nu stil, Hans, en schud mijn kussen wat op. Ik

heb zoo'n slaap. Goeden nacht!"

"Goeden nacht, vader!" antwoordde Hans, die wel van vreugd had

willen dansen.

Dien nacht kwam de maan vrij laat op en wierp haar schijnsel vol en

helder door het venster in de hut; maar haar licht stoorde den slaap

van Rolf Brinker niet. Hij sliep rustig evenals Griete. Niet zoo Hans

en zijn moeder; zij hadden wel wat anders te doen.

Na eenige toebereidselen gemaakt te hebben, slopen zij de hut uit,

gewapend met een spade en een houweel, beide braaf verroest, daar

het werktuigen waren, vroeger door Rolf bij het dijkwerk gebezigd.

't Was buiten helder licht en zij konden den wilgeboom duidelijk

zien. De bevroren grond was zoo hard als een steen, maar Hans en zijn

moeder waren niet bang voor een beetje moeite. Het eenige, wat zij

vreesden, was, dat zij de slapers in de hut zouden wakker maken.

"Gelukkig, dat wij het houweel hebben, moeder," zeide Hans, terwijl

hij uit al zijn macht sloeg; "maar de grond is zóó hard, dat we moeite

zullen hebben, om er door te komen."

"Wat zal dat een heuglijke tijding voor hem zijn," zeide vrouw Brinker

glimlachend, "als hij sterk genoeg is om haar te dragen. Ik zou er

wel lust in hebben, beide kousen, zoo vol met geld, net zooals wij

ze vinden, naast hem neer te leggen. Wat zou de brave man dan raar

opkijken, als hij wakker werd!"

"Dan moeten we ze eerst vinden, moeder!"

"Daar is geen twijfel aan, mijn jongen! Ze kunnen ons nu niet

ontgaan. Waarschijnlijk zitten ze in den ouden koekepot, dien ik

jarenlang gemist heb."

Maar hoe diep Hans ook groef, er kwam geen teeken van den schat terug.

"'t Is vreemd, dat vader het geld zoo vreeselijk diep in den grond

heeft gespit," zeide vrouw Brinker op knorrigen toon. "De grond was

toen nog zacht genoeg. Hoe verstandig van hem dat hij Jan Kamphuijzen

niet vertrouwd heeft, en toch stelde hij toen nog zijn volle vertrouwen

op hem. Wie had ook ooit kunnen denken, dat die vroolijke jongen,

die altijd zoo aardig was, nog naar de gevangenis zou gaan! Nu, Hans,

geef mij nu de spade eens. 't Zou toch jammer zijn, als wij den boom

er mee doodden. Zou 't hem geen kwaad doen?"

"Ik weet het niet," antwoordde Hans ernstig.

Uur op uur gingen moeder en zoon voort met hun werk. Het gat werd

hoe langer hoe dieper. Eindelijk moesten zij 't wel opgeven. Zij

hadden bezuiden, benoorden, beoosten, bewesten den boom gegraven;

maar de verborgen schat was er niet.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

DE TOOVERGODIN.

"Goeden morgen, Annie Bouman," zeide Hans, toen het meisje hem den

volgenden morgen op het ijs ontmoette.

"Goeden morgen, Hans," antwoordde zij vriendelijk. "Ik ben blij,

dat ik je eens zie. Hoe is 't met je vader?"

"Daar is een groote verandering mee voorgevallen, Annie!"

"Ik heb er zoo wat van gehoord, Hans. Je moet het mij eens vertellen."

En hij vertelde haar al wat er gebeurd was, terwijl hij natuurlijk

van het begraven geld zweeg.

"Maar nu moet ik weg, Annie," eindigde hij. "Ik moet naar Amsterdam,

om mijn schaatsen te verkoopen. Moeder heeft geld noodig."

"Je nieuwe schaatsen, Hans?" riep Annie uit. "Jij, de beste rijder

uit Broek! En hoe wil je dan meedoen aan den wedren?"

"Dat zal niet gaan, Annie! Maar ik moet weg. Goeden dag!"

En hij was reeds heen.

"Hans!" riep Annie.

Hans kwam terug.

"Ben je wezenlijk van zins, om je schaatsen van de hand te doen,

als je er een kooper voor kunt vinden?"

"Natuurlijk," antwoordde hij, terwijl hij een paar groote oogen

opzette. "Waarom zou ik anders naar Amsterdam rijden?"

"Nu, Hans, als je dan je schaatsen wilt verkoopen, dan weet ik wel

iemand, die ze van je wil overnemen."

"Mijn schaatsen koopen?" hernam Hans.

"Waarom niet die zoo goed als een ander?" zeide zij vriendelijk. "Wat

zal je er in Amsterdam voor krijgen? Je moet ze daar voor een appel

en een ei geven. 't Is altijd veel voordeeliger, om ze uit de hand

te verkoopen."

Hans kon èn aan het argument èn aan het lieve, vriendelijke gezichtje

van het meisje geen weerstand bieden.

Hij zette zich neder, bond zijn schaatsen af en overhandigde ze

aan Annie:

"Hoor eens, Annie," zeide hij, "als je kennis de schaatsen

niet wil hebben, dan moet je me beloven, dat je ze me van middag

terugbrengt. Want moeder heeft hout en meel noodig en dan ga ik nog

vóór den avond naar Amsterdam."

"Mijn vriend heeft ze noodig," antwoordde zij, terwijl zij hem

vriendelijk toeknikte en met de schaatsen wegreed, terwijl zij bij

zich zelf zeide:

"Wat is die Hans toch een goede, brave jongen!"

Hans vervolgde intusschen, en nu te voet, zijn reis naar Amsterdam.

"'k Hoop maar niet, dat moeder boos zal zijn," zeide hij in zich zelf,

"dat ik de schaatsen verkocht heb, zonder haar verlof te hebben

gevraagd. Zij heeft al verdriet genoeg. 't Zal tijds genoeg zijn,

't haar te vertellen, als ik het geld heb."

"Hé, waar moet jij naar toe?" hoorde Hans eensklaps roepen, toen hij

nog niet tot aan het Noordhollandsche kanaal genaderd was.

Hans, die met de oogen naar den grond geslagen geloopen had (want hij

was heel verdrietig, omdat hij in Broek geen werk had kunnen krijgen,

en vreesde er terecht voor dat hij wel een vergeefschen tocht naar

Amsterdam zou doen), keek op en zag Peter van den Helm, die zijn vijf

makkers een oogenblik verliet en naar den kant der vaart reed.

"O, zijt gij het, jongeheer!" zeide Hans min of meer beteuterd door

de onverwachte verschijning.

"Wij komen zoo juist van onze reis terug. Hoe is 't met je vader? Is

dokter Broekman er al geweest?"

"O, mijnheer, dokter Broekman is er niet alleen geweest, maar met

Gods hulp heeft hij vader gered."

"Wat je zegt! Nu, Hans, dat is een goede tijding. En waar ging je nu

naar toe?"

"Naar Amsterdam, om werk te zoeken, jongeheer!"

"Naar Amsterdam? Daar zul je geen werk krijgen. Waarom zoek je het

niet in Broek?"

"Ik heb 't gepoogd, jongeheer, maar er is geen werk."

"En zou je zoo op je voetjes naar Amsterdam kuieren? Dat zou je niet

meevallen: want het is een heel eind. Waar zijn je nieuwe schaatsen?"

"Ach, jongeheer," zeide Hans, terwijl hij verlegen aan zijn mouw

plukte, "die heb ik verkocht."

"Verkocht? En hoe moet je dan morgen aan de hardrijderij meedoen?"

"Dat zal ik niet kunnen. Ach, ik heb wel aan wat anders te denken

dan aan hardrijderijen."

De zilveren schaatsen · 第 8 / 12 段