Maar wat vooral Ben het meest belang inboezemde, was het Oudhollandsche

huis in schildpadden kast, eens voor Czaar Peter van Rusland

vervaardigd, en dat zulk een duidelijke voorstelling bevat van het

ameublement onzer voorouders.

Daarna begaf men zich de trap op naar het schoone museum van

schilderijen door oude meesters. Als de tijd niet gedrongen had, zouden

de knapen gaarne langer hebben vertoefd voor de ontleedkundige les

van Rembrandt, voor den stier van Potter, den veldslag van Wouwerman,

en zoo menig stuk dat niet alleen groote kunstwaarde bezit, maar ook

zelfs den oppervlakkigen beschouwer door zijn meesterlijk navolgen

van de natuur boeit.

"Wij moeten naar huis, jongens," zeide mijnheer Van Gent, "anders

krijgen wij knorren van mijn vrouw en--wat erger is--koude koffie."

"Is dit huis gebouwd door Prins Maurits, die vocht in het slag at

Newpoort?" vroeg Ben, toen zij de trappen van het museum afgingen.

"Neen, Ben. Het is gesticht door Johan Maurits van Nassau, den held

van Brazilië, en gebouwd door den beroemden Jacob van Kampen, den

bouwmeester van het paleis van Amsterdam, en Daniël Stalpert. Maar

zie nu eens hier. Dit is het standbeeld van Willem den Zwijger,

denzelfden, wiens ruiterstandbeeld gij in het Noordeinde hebt gezien."

"En wiens kleeren op het Prins-Maurits-huis waren," zeide Jacob.

Toen zij bij mevrouw Van Gent kwamen, zat deze hen reeds met de

koffie te wachten, of liever, ter eere van Benjamin en ten genoegen

van den eetlust der vijf andere jongens, met een soort van luncheon

of Engelsch ochtenddiner. Onder het vertellen van wat men gezien had,

werden verdere plannen voor dien dag besproken. De jongens, zeide

mijnheer Van Gent, moesten hun schaatsen medenemen, dan zou men,

na eerst de kanongieterij te hebben bezien, een wandeling door het

Bosch doen en vervolgens, te midden van de beaumonde van Den Haag,

op de vijvers schaatsen rijden. Daarna zou men een bezoek brengen

aan het Huis ten Bosch en vervolgens naar huis rijden om te dineeren,

terwijl mevrouw Van Gent als voorwaarde stelde, dat zij het verdere van

den avond zouden uitrusten en in den huiselijken kring slijten, als

wanneer zij ze op een glas warmen wijn met bisschop en wentelteefjes

zou trakteeren.

"En dan gaan jelui morgen per spoortrein naar Amsterdam terug,"

eindigde zij.

"Per spoortrein, Marie?" vroeg Peter. "Dan zal men ons in Broek

uitlachen."

"Laat men lachen," zeide Jacob, die alweer meer trek had om rust te

nemen, dan zich in te spannen. "Ik vind het voorstel van mevrouw Van

Gent lumineus."

"'t Zou een schandelijk eind van onzen tocht zijn," zeide Frits.

"Mevrouw Van Gent is in 't gelijk," zeide Ben. "Wij moeten gaan

per railway. Otherwise wij zullen niet zijn in staat om overmorgen

te rijden."

"'t Best is, dat wij er ons op beslapen," hernam Lodewijk.

"Ik ben verzekerd, dat mijn voorstel wel zal worden aangenomen, als

de jongens van middag gedineerd hebben," hernam mevrouw Van Gent,

die berekende, dat ons zestal na den tocht naar het Bosch wel van

idee veranderen zou.

"Als mevrouw Van Gent het mij veroorlooft, dan zou ik haar gaarne

gezelschap houden, in plaats van mede naar het Bosch te gaan," zeide

Jacob, die tamelijk vermoeid was van de morgenwandeling.

"Geneer je niet, Jacob," antwoordde mevrouw Van Gent, die zeer goed

begreep wat de reden van Jacobs wellevendheid was. "Ik mag je niet van

je fortuin afhouden. Ga gerust mee. Kanongieten heb je nog nooit gezien

en een partijtje op de vijvers in het Bosch is ook niet te verwerpen."

"Maar dan zit Mevrouw den geheelen namiddag alleen," hervatte Jacob.

"Inderdaad, geneer je niet," hernam mevrouw Van Gent. "Ik ben wel

gewoon aan de eenzaamheid. Mijn man is een groot deel van den dag uit."

Jacob zat er geducht in, toen zijn gewaande beleefdheid zoo werd

gerefuseerd. Gelukkig dat Ben hem uit den nood hielp. "Mijn neef is

zoo vermoeid," zeide hij. "En daarom hij wenscht te profiteeren van

het gezelschap van Mevrouw, because het hem behaagt veel."

"Je slaat den spijker op den kop," hervatte Jacob, die nu maar

ruiterlijk voor de waarheid uitkwam.

"'t Mocht je anders weer eens zoo gaan als eergisteren," zeide

Karel. "En dan zou je een mal figuur maken op de vijvers in het Bosch."

Toen de knapen het luncheon gebruikt hadden en wat uitgerust waren,

gingen zij, behalve Jacob die thuis bleef, met hun schaatsen in de hand

naar de kanongieterij, waar mijnheer Van Gent toegang had gekregen en

waar men juist aan het gieten was. Daarna wandelden zij het Bosch in,

dat, ofschoon van zijn groen beroofd en dus vrij wat minder schoon

dan in den zomer, er toch statig genoeg uitzag, om hun bewondering

te wekken.

Nadat zij langen tijd in dat heerlijke gedenkstuk van den ouden tijd

gewandeld hadden, welks westelijk gedeelte nog eenig denkbeeld geeft,

hoe 't er in den tijd van de Batavieren en Kaninefaten uitzag, bonden

zij de schaatsen aan en vermaakten zich te midden van een talrijk

en uitgezocht publiek van schaatsenrijders, waarbij zij hun oogen

uitkeken naar de bonte rij van wandelaars uit de eerste standen des

lands, die zich langs de vijvers bewogen.

Daarop bezichtigden zij het Huis ten Bosch, door Amalia van Solms, de

weduwe van Prins Frederik Hendrik, ter eere van haar gemaal gesticht:

een mausoleum uit den nieuweren tijd. Vooral de Oranjezaal boeide

hen lang. Het is een achthoekige zaal met een rond koepeltje in

het dak, hetwelk haar een eigenaardig licht schenkt. Terstond bij

het binnentreden wordt men getroffen door de heerlijke voorstelling

van Frederik Hendrik op zijn triomfwagen met vier witte paarden door

Pallas en Mercurius gemend; terwijl de overwinning zijn hoofd met een

lauwerkrans kroont en de faam de pijlen afweert, waarmede de dood

den held bedreigt. Niet minder trof hun het beeld van den grijzen

tijd en de afbeelding van de stichtster zelf met haar dochters,

levensgroot en ten voeten uit. Al had men geen andere overblijfselen

der Oudnederlandsche schilderschool dan die heerlijke schilderijen

uit de Oranjezaal, dan nog zouden deze genoegzaam zijn om den naam

onzer oude kunstenaars te vereeuwigen.

Maar 't wordt tijd, dat wij met de jongens naar huis gaan. Ik laat

aan de verbeelding mijner lezeressen en lezers over, hoe het diner

hun smaakte, hoe genoeglijk zij den avond bij de familie Van Gent

doorbrachten, hoe zij naar Amsterdam spoorden en hoe zij toch op

schaatsen van de hoofdstad naar Broek reden. Ook wij keeren derwaarts

terug.

TIENDE HOOFDSTUK.

DE GEVAARLIJKE OPERATIE.

't Wordt tijd, dat we weder eens een kijkje nemen in de hut van Rolf

Brinker, van wien we 't laatst hebben gehoord, toen Hans op weg naar

Leiden was.

Wij vinden er dokter Broekman, die, toen hij het briefje van Peter

ontvangen had, nog denzelfden dag naar Amsterdam was vertrokken om

hulp toe te brengen, waar hij die zoo hartelijk beloofd had. Wij zien

hem in een hoek van het vertrek zacht spreken met een jongmensch,

student in de medicijnen en zijn assistent. Hans is ook in het

vertrek, eerbiedig wachtende, totdat hij zou worden aangesproken. Van

hun gesprek verstond hij niets, daar het eensdeels fluisterend werd

gevoerd, anderdeels zoo met Latijnsche woorden doorspekt was, dat het

toch voor hem geheel onverstaanbaar zou zijn geweest, al hadden zij

ook luide gesproken. Maar zooveel begreep hij wel aan hun ernstig

gelaat, dat er van iets zeer gewichtigs sprake was, en daarin werd

hij versterkt door de woorden van den student:

"Indien er iemand in Holland den armen man kan redden, dokter, dan

zijt gij het."

De dokter keek min of meer knorrig over dien lof; want hij wist maar al

te wel en had het in zijn langdurige praktijk slechts al te dikwijls

ondervonden, dat de kunst wel kan te gemoet komen, wel kan helpen,

maar dat er slechts één is die kan redden, en dat is God. Hij wenkte

dus Hans, om nader te komen.

"Hoor eens, mannetje," zeide hij op denzelfden vriendelijken toon,

als hij vroeger te Buiksloot tegen hem had aangeslagen. "Daar is

maar één middel om je vader te helpen, maar ik moet je vooraf zeggen,

dat hij onder de handen kan dood blijven; 't is een operatie."

Hans keek den dokter angstig aan.

"En u zegt, dat vader onder uw handen kan sterven," zeide hij met

sidderende stem.

"Ja, 't is er op of er onder. Maar ik heb alle hoop, dat de operatie

zal gelukken. Intusschen, jij en je moeder moeten decideeren. De

operatie is te gevaarlijk, dan dat ik die zonder uw beslissing zou

willen ondernemen. Vraag jij dus aan je moeder, hoe zij er over

denkt. Want er moet spoedig een besluit genomen worden, daar mijn

tijd kostbaar is."

Hans ging naar zijn moeder, vertelde haar wat de dokter hem gezegd had,

en eindigde:

"En nu moeder, hoe wilt gij? De dokter wacht op antwoord."

"Ach, Hans, ik weet het niet," zeide zij met bewogen stem. "Beslis

jij voor mij en voor jou."

"Maar moeder, hoe kan ik dat?"

"Ach kind! Wat zal ik antwoorden? Je zegt, dat vader onder de handen

kan dood blijven."

"Dat kan hij. Maar hij kan ook beter worden."

"Ik weet het niet, Hans, ik weet het waarlijk niet."

"Welnu, antwoord dan, zooals God u dat in 't hart geeft, moeder."

Vrouw Brinker sloeg het betraande oog naar boven, als vroeg zij God om

raad. Uit het binnenste van haar ziel steeg een gebed naar den troon

des Almachtigen. Een oogenblik later wendde zij zich tot den dokter.

"Gods wil geschiede, mijnheer!" zeide zij. "Ga uw gang!"

Met kalme bedaardheid deed nu dokter Broekman een lederen étui open,

waaruit hij verschillende scherpe, blinkende instrumenten haalde,

terwijl hij Hans beval, een kom met frisch koud water en eenige doeken

te brengen.

Griete had al wat er gebeurde met angstig stilzwijgen

gadegeslagen. Toen zij nu den dokter die scherpe instrumenten voor

den dag zag halen, vloog zij naar haar moeder toe, sloeg haar armen

om den hals der reeds zoo geschokte vrouw en riep uit:

"Ach moeder! ze zullen vader gaan vermoorden--dat zullen ze."

"Ik weet het niet, kind!" schreide vrouw Brinker. "'t Is wel mogelijk!"

"Hoor eens, vrouwtje," zeide dokter Broekman ernstig, terwijl hij

tevens een doordringenden blik op Hans wierp, "dat kan zoo niet

gaan. Jij en het meisje moeten het huis uit. De jongen kan blijven."

't Was, of er in vrouw Brinker eensklaps een andere geest voer. Zij

droogde haar tranen, hief het hoofd fier op en zeide op vasten toon:

"Neen, mijnheer, ik verlaat mijn man niet. Ik blijf bij hem in de

ure des gevaars."

Dokter Broekman keek vreemd op. Hij was niet gewoon, dat zijn bevelen

in den wind werden geslagen. Maar toen hij de vrouw aanzag en haar

vasten, beslissenden blik opmerkte, toen zeide hij kalm:

"Je kunt blijven, vrouw Brinker."

Griete was al verdwenen. Verborgen achter een kist, die in een donkeren

hoek van het vertrek stond, bevend over al haar leden, bespiedde zij

al wat er in de hut voorviel.

Dokter Broekman en zijn assistent trokken hun overjassen uit. Hans

bracht een kom vol water, welke hij op bevel van den geneesheer naast

het bed plaatste, en vrouw Brinker kreeg een paar beddelakens uit de

kast, overblijfsels van vroegere tijden en braaf versleten, doch voor

het gebruik, dat er van gemaakt moest worden, des te beter geschikt.

"Nu Hans, kan ik op je rekenen?" vroeg de dokter.

"Dat kunt u, dokter."

"Zeer goed. Ga jij nu daar staan, dan kan je moeder naast je zitten."

"Hoor eens, vrouwtje," ging hij tot vrouw Brinker voort. "Ik moet je

verzoeken, geen kik te geven en niet flauw te vallen."

Vrouw Brinker antwoordde hem slechts met een blik. Hij was tevreden.

Hij wenkte den student. Deze nam de vreeselijke instrumenten van de

tafel af en ging er mede naar het bed van den zieke.

Nu kon Griete 't niet langer uithouden. Zij kwam uit haar schuilplaats

te voorschijn en snelde de hut uit.

't Was vol op het ijs van de vaart. Waarom ook zouden de kinderen

van Broek hun vacantietijd laten voorbijgaan, zonder ruimschoots hun

geliefd wintervermaak te genieten? Daar waren er een aantal, al waren

onze zes jongens er ook niet bij, en onder deze ook Frans van Bree,

de dappere aap zonder staart, zooals Jacob hem genoemd had.

"Wat is dat daar ginds?" riep Frans eensklaps uit, terwijl hij

stilstond.

"Wat? Waar? Wat bedoel je?" riepen een dozijn stemmen te gelijk.

"Wel, dat zwarte ding daar bij de hut van den gekken Rolf," hernam

Frans.

"Ik zie niets," zeide een der kinderen.

"Ik wel," antwoordde een andere, "'t Lijkt wel een hond."

"Ben je mal? Een hond? 't Is niets dan een hoop oude lorren,"

hernam Frans.

"Een hoop oude lorren?" herhaalde een ander.

"Je hebt warempel gelijk, Frans, en als ik mij niet bedrieg, is

't die meid uit de hut."

"Ze is het," bevestigde Frans. "Heb ik dus geen gelijk gehad, dat

het maar een hoop oude lorren is?"

"'t Is goed, dat haar broer Hans er niet bij is," meende een ander

lachende, "anders zou je zoo niet spreken, Fransje."

"'k Ben nog al bang voor hem!" riep Frans dapper uit, daar hij Hans

in geen velden of wegen zag. "Zoo'n voddenraper! Hij moest me eens

durven aanraken, 'k Ben nog niet bang voor een dozijn zooals hij en

voor jou ook niet."

"'k Hou je aan je woord!" riep de andere en reed op Frans toe; maar

deze, die zich in zijn bluf wat vergaloppeerd had, koos, tot groot

pleizier van de anderen, het hazenpad gevolgd door den vroolijken

troep, die de harddraverij wel eens wilde zien.

Eén echter van deze gelukkige kinderen dacht aan die zwarte kleine

gedaante daar bij de hut van Rolf Brinker, aan de arme, kleine

Griete. De arme Griete! Zij dacht niet aan hen, ofschoon hun vroolijk

gelach haar in de ooren drong en haar door de ziel moest snijden:

ach! zij hoorde die schaterende tonen slechts als in een droom. Zij

hoorde slechts het gekerm daar achter het donkere venster. Hoe! als

die vreemde mannen haar vader eens doodden!

Die gedachte deed haar van afgrijzen opstaan.

"Neen, neen," riep zij snikkend uit. "Moeder is er immers, en

Hans ook. Zij zullen er wel op passen! Maar wat zagen ze allebei

verschrikkelijk bleek! Zelfs Hans stonden de tranen in de oogen."

Een oogenblik later vervolgde zij, terwijl zij schuw naar de hut keek:

"Waarom heeft die oude, knorrige dokter hem laten blijven en mij

weggezonden! Ik zou moeder hebben kunnen kussen en haar troosten. Zij

houdt zooveel van mij, meer.... Maar wat is 't nu stil in huis. O,

als vader sterft, dan gaat moeder ook dood en Hans misschien ook,

en wat moet er dan van mij worden!"

En zij verborg haar schreiend gelaat in haar handjes.

Toen kwamen er nieuwe gedachten in haar op.

Waarom had Hans 't alleen aan moeder gezegd, wat de dokter ging

doen en niet aan haar? 't Was toch haar vader, net zoo goed als de

zijne. Zij was geen klein kind meer. Zij had haar vader eens een scherp

mes afgenomen, waarmee hij zich een ongeluk zou hebben toegebracht,

als zij het niet belet had. En op dien akeligen avond, toen Hans, zoo

groot als hij was, daar bewusteloos in een hoek van het vertrek lag,

toen had zij vader van het vuur gelokt en 't was door haar toedoen,

dat moeder niet in brand gevlogen was. Waarom moest zij nu behandeld

worden, alsof zij er niet bij hoorde?--Ach! wat was het koud! hoe

bitter koud! Haar voeten waren als steenen!

Toen ging Griete weer zitten op de plaats, van welke zij was opgestaan,

en keek rondom zich en verwonderde zich, dat de lucht zoo helder

blauw was en dat het zoo stil in de hut bleef en....

"Wat heeft die dokter een rare lip!" zeide zij eensklaps. "'t Lijkt

net een schaats! En wat blonken die messen, welke hij uit dien leeren

zak haalde. Misschien nog mooier dan de zilveren schaatsen. Had

ik mijn nieuw jacketje maar aangedaan, dan zou ik 't zoo koud niet

hebben! Dat nieuwe jacketje is zoo mooi, 'k heb nog nooit zoo iets

moois gehad!--God heeft zoo lang voor mijn vader gezorgd; Hij zal

't nu ook wel doen, als die twee mannen maar weg waren.--Kijk, daar

staan ze allebei op het dak van ons huis!--Neen, 't zijn moeder en

Hans. O, neen! 't zijn maar een paar vogels."

En weder hield Griete beide handjes voor haar oogjes en schreide zóó

luid, dat men 't wel in de hut had kunnen hooren.

Eensklaps voelde zij een vreemde hand op haar schouder leggen.

"Sta op, Griete," zeide een vreemde stem. "Sta op kind! Anders heb

je nog kans om te bevriezen."

Griete keek verschrikt op. 't Was de lieve Hilda de Bruyn.

"Sta op, Griete, en ga in de hut," vervolgde het lieve meisje. "Is

dat nu weer, om buiten op de steenen te zitten?"

"O, neen, juffrouw," zeide het kind, terwijl zij opstond en tegen

Hilda aanleunde, "ik ga niet in de hut, want de dokter is er in en

hij heeft mij weggestuurd."

"Zoo, welnu, dan moet je wat gaan loopen, Griete. Want je bent

verkleumd van de kou. Ik zag je daar straks wel zitten, maar ik

dacht, dat je aan 't spelen waart. Waarom heb je ook je jacketje

niet aangedaan?"

"Daar had ik geen tijd voor, juffrouw, want ik ben zoo hard als ik

kon de hut uitgeloopen."

"Kom hier, doe mijn jacketje zoo lang aan, totdat je weer in de hut

kunt komen," hervatte Hilda, die reeds pogingen deed, om zich van

haar eigen winterkleed te berooven. "Als de dokter wist, hoe koud je

't hier hebt, zou hij je wel weer in de hut laten."

"O, juffrouw," riep Griete smeekend uit, "doe als 't u belieft uw

jacketje niet uit. Ik ben wel koud, maar zal wel weer warm worden,

als ik maar wat beweging neem."

"Nu, 't is goed, Griete. Sla je armen dan maar over elkaar. Maar zeg

me, is er een dokter bij je in huis? Is je vader dan erger?"

"Ach, juffrouw! Ik geloof, dat hij sterft!" riep Griete weenend

uit. "Er zijn op 't oogenblik twee dokters bij hem, die hem zullen

vermoorden. Kunt u hem hier niet hooren kermen? Ik kan 't niet hooren,

door het fluiten van den wind."

Hilda luisterde, maar vernam niets.

"We zullen eens door het venster zien, hoe 't met uw vader is,"

hernam zij. Dit zeggende, ging ze met Griete naar het raam der

hut. Maar eensklaps bedacht zij zich.

"Ik mag niet door eens anders raam kijken," zeide zij bij zich

zelve. "Kijk jij er eens door, Griete," vervolgde zij, "en zeg me

dan wat je ziet."

Griete ging op haar teenen staan en keek.

"Kind, je bent zelf ziek," hernam Hilda, die haar ondersteunde en

voelde hoe het arme meisje over haar geheele lichaam beefde.

"Neen, juffrouw, ik ben niet ziek," antwoordde Griete, "maar mijn

hart schreit, al zijn mijn oogen ook zoo droog als de uwe.--Hé,

juffrouw! U schreit ook. Schreit u om ons? O, dat is wel goed, en

als onze lieve Heer dat ziet, zal hij vader zeker beter maken."

"Wat zie je, Griete?" vroeg Hilda. "Of kun je niets zien?"

"Vader ligt heel stil, juffrouw, met een doek om zijn hoofd en

allen kijken naar hem. Ik moet naar binnen, naar moeder. Gaat u mee,

juffrouw?"

"Nu niet, maar later kom ik eens hooren, hoe 't met je vader is."

En Griete hoorde de laatste woorden niet meer: want snel liep zij

den hoek om en trad, zoo zacht als zij kon, de hut binnen.

In de kamer was 't stil. 't Was, of zij den ouden dokter kon hooren

ademhalen, ja, als hoorde zij de asch op de plaat van den haard

vallen. De hand van haar moeder was ijskoud, maar haar wangen gloeiden

en haar oogen stonden glazig helder.

Eindelijk kwam er beweging op het bed, wel zeer zacht, maar genoeg om

hen allen hun oogen naar dien kant te doen richten; dokter Broekman

boog zich oplettend voorover. Brinker trok zijn groote hand, zoo bleek

en zoo zwak voor die van zulk een stevig man, onder het dek vandaan

en voelde er mee naar zijn voorhoofd. Hij scheen daar het verband

te voelen, doch deed dat niet op die rustelooze, onbewuste manier,

maar alsof hij met bewustheid onderzocht, wat men hem toch om het

hoofd had gebonden. Zelfs dokter Broekman hield zijn adem in. Daarop

sloeg de patiënt zijn oogen langzaam op.

"Wat gauw, jongens," zeide hij met een stem, die in Griete's ooren

zeer vreemd klonk. "Haalt die kribben wat hooger en werpt er aarde

op. Het water rijst zoo snel--er is geen tijd...."

Vrouw Brinker vloog naar het bed, greep beide handen van haar man

en zeide:

"Rolf, Rolf! ouwe jongen! Praat eens tegen me."

"Ben jij 't, Mietje?" vroeg hij met een zwakke stem. "Ik heb zoo

lang geslapen en geloof zelfs, dat ik mij bezeerd heb. Waar is de

kleine Hans?"

"Hier ben ik, vader!" riep Hans, half dol van vreugde. Maar de dokter

hield hem terug.

"Hij kent ons!" riep vrouw Brinker uit. "Hij kent ons,

Griete! Griete! kom eens bij je vader!"

Tevergeefs beval dokter Broekman stilte en trachtte hij hen met

geweld van het bed te houden. Hij kon er niets tegen doen. Hans en

zijn moeder lachten en weenden te gelijk. Griete liet geen geluid

hooren, maar stond hen met blijde en toch verschrikte oogen aan te

kijken. Haar vader vroeg met zwakke stem:

"Slaapt het kleine kind, Mietje?"

"Het kleine kind!" herhaalde vrouw Brinker. "O, Griete, dat ben

jij! En hij noemt onzen Hans "den kleinen Hans"! Tien jaren heeft

hij geslapen! O, mijnheer, gij hebt ons allen gered! Van al die tien

jaren weet hij niets af. Kinderen, dankt toch dien goeden dokter."

De arme vrouw was buiten zich zelve van vreugde. Dokter Broekman

zeide niets, maar toen hij zijn oogen, die vochtig waren, op de hare

vestigde, sloeg hij ze opwaarts. Zij begreep, wat hij meende. Ook Hans

en Griete begrepen het. Alsof zij 't hadden afgesproken, knielden

ze alle drie in de hut neder, zonder dat vrouw Brinker echter haar

mans hand losliet. Dokter Broekman stond bij hen en boog eerbiedig

het hoofd.

"Waarom bid je?" mompelde de vader. "Is 't vandaag Zondag?"

Vrouw Brinker knikte, maar kon niet spreken.

"Lees dan een hoofdstuk uit den Bijbel," hervatte Rolf, terwijl hij

langzaam en met moeite sprak. "Ik weet niet, hoe 't met mij is. Ik

ben zoo zwak. Misschien wil de dominee het ons voorlezen."

Griete kreeg den zwaren bijbel van de gebeeldhouwde plank. Dokter

Broekman, die er om meesmuilde, dat Rolf hem een dominee noemde,

reikte het boek aan zijn assistent over.

"Lees," mompelde hij. "Die menschen moeten tot rust gebracht worden,

anders sterft de man nog."

Toen het hoofdstuk uit was, wenkte vrouw Brinker geheimzinnig, dat

allen stil moesten zijn, want dat haar man sliep.

"Hoor eens, vrouwtje," zeide de dokter met gedempte stem, terwijl

hij zijn overjas aantrok. "Er moet hier de grootste stilte zijn,

versta je. Morgen kom ik terug. Geef den patiënt vandaag geen eten,"

en zonder verder een woord te zeggen, ging hij de hut uit, de bevroren

vaart over en naar het rijtuig, dat den ganschen tijd, dien de dokter

in de hut had doorgebracht, den weg langzaam op en neer gereden had,

om de paarden in beweging te houden.

Hans ging ook de deur uit.

"Moge God u zegenen, mijnheer," zeide hij blozend en met een stem,

die van aandoening beefde. "Ik kan u nooit beloonen. Doch, als...."

"Ja, dat kun je wel," antwoordde de dokter vrij stroef. "Je kunt je

verstand gebruiken, als de patiënt weer wakker wordt. Als je wilt,

dat je vader beter zal worden, dan moet je allemaal je stilhouden."

Hilda was aan de hut blijven staan, totdat zij Hans had hooren zeggen:

"Hier ben ik, vader!" Toen was zij heengegaan, terwijl zij in zich

zelf mompelde: "O, wat ben ik blij! Wat ben ik blij!"

't Duurde niet lang, of het nieuws, dat de krankzinnige Brinker weer

tot zijn verstand was gekomen, was met de noodige vergrootingen door

geheel Broek verspreid. Nog dien zelfden avond werd er verhaald, dat

dokter Broekman hem een groote hoeveelheid medicijnen had ingegeven

en dat er zes mannen waren noodig geweest om den patiënt vast te

houden, terwijl de dokter hem die in de keel goot. Terstond daarop

was de krankzinnige van zijn bed gesprongen en had, in het volle

bezit zijner geestvermogens, zich op den dokter geworpen en hem een

pak slaag gegeven; daarop was hij gaan zitten en had al de omstanders

aangesproken, alsof hij een advocaat was. Toen had hij zich omgekeerd

en heel vriendelijk met zijn vrouw en kinderen gepraat. Vrouw Brinker

had het daarna op haar zenuwen gekregen, en Hans had gezegd: "Hier

ben ik, vader!" En Griete had gezegd: "Hier ben ik, vader!" En de

dokter was zoo bleek als een lijk in zijn rijtuig gekropen en naar

Amsterdam teruggereden.

ELFDE HOOFDSTUK.

DE VERBORGEN SCHAT.

Toen dokter Broekman den volgenden dag in de hut van Rolf Brinker kwam,

was 't hem alsof een atmosfeer van geluk hem tegenwoei. Vrouw Brinker

zat met een vergenoegd gezicht te breien aan het bed van haar man,

die rustig sliep, terwijl Griete in een hoek van het vertrek bezig

was met het kneden van roggebrood.

De dokter bleef niet lang. Hij deed eenige vragen, scheen tevreden

over de antwoorden, voelde den pols van zijn patiënt en zeide:

De zilveren schaatsen · 第 7 / 12 段