Het eerste, op de Breestraat staande en vooral beroemd door den tijd

van het beleg, is een statig gebouw, uit Bentheimer steen opgetrokken,

met een hooge steenen trap van twintig treden aan elke zijde, en

bevatte, behalve de beroemde schilderij van den vermaarden Lucas

van Leyden, voor welke Keizer Rudolf II eens zooveel dukaten heeft

geboden als er noodig waren om haar te bedekken, nog een van den

hongersnood gedurende het beleg, en een andere, waar Van der Werf

wordt voorgesteld op het oogenblik, dat hij zijn heldhaftige taal tot

de Leidsche burgerij richt. Ook bezagen zij daar met belangstelling

overblijfselen van het beleg: den pot van Schaak, twee opgezette

duiven, die als briefposten hebben gediend, het zwaard van Van der

Does, alsook verschillende noodmunten, gedurende de belegering

geslagen, zaken die thans meerendeels naar het Stedelijk Museum

zijn verhuisd.

Na alles bezichtigd te hebben en een oogenblik te hebben stilgestaan

bij de schilderij, voorstellende een moeder, die aan de pest sterft,

begaven zij zich naar "Den Burcht", destijds een logement.

"Wij zullen hier koffie drinken," zeide Peter.

"En wat eten ook," zeide Jacob. "Want van al dat ronddrentelen heb

ik mooi honger gekregen."

"Mij is 't goed," antwoordde Peter. "Alleen geef ik je in bedenking,

of we ons maal niet zullen bederven, daar ze ons in "De Roode Leeuw"

met het middagmaal wachten."

"Nu, een broodje met ossenvleesch zal ons maal niet bederven," zeide

Karel, die ook zijn maag geducht voelde jeuken.

"Je hebt gelijk," hernam Peter, en dit zeggende, stapte hij met zijn

makkers het hek van het zich aan den voet van "Den Burcht" bevindende

logement in.

Hoe ferm onze jongens ook tegen de kou konden praten--het rondwandelen

door de kille zalen der museums had hen koud gemaakt, en, al waren

zij in de trekkassen van den plantentuin een weinig bekomen, zij waren

weer door en door koud geworden bij het bezoek op het Stadhuis. Recht

aangenaam was hun dus de ferm gestookte kachel in het logement

"Den Burcht", en met volle teugen genoten zij de dampende koffie,

die hen, in vereeniging met de broodjes met vleesch, geheel en al

restaureerde. Intusschen hadden zij 't gezicht op "Den Burcht".

"'t Schijnt te zijn een oud gebouw, die burcht," zeide Ben.

"Dat zou ik meenen," antwoordde Lodewijk. "Hij moet nog uit den

tijd der Romeinen zijn, die hem gebouwd hebben, zooals zij 't andere

dergelijke gebouwen deden, om het volk des lands van uit die burchten

te onderdrukken. Tevens heeft hij nog een historische waarde: want

het was op hem, dat Gravin Ada, de dochter van Dirk VII en Aleid van

Cleef, belegerd is geworden."

"Dat was tijdens de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten, niet

waar?" zeide Ben.

"Wel neen, mijn Engelsche vriend," zeide Lodewijk lachend. "Nu heb je

't heel en al mis. Onze gravin Ada leefde evenmin tijdens de Hoeksche

en Kabeljauwsche twisten als jelui Koningin Elisabeth tijdens den

twist tusschen de Roode en Witte Roos. Gravin Ada werd hier in 1203

belegerd en de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten begonnen in 1349."

"En duurden tot 1493; dus bijna honderd en vijftig jaren," voegde

Frits er bij, die ook eens zijn historische kennis wilde laten

luchten. Daar ik vertrouw, dat mijn lezeressen en lezers wel wat op

de hoogte zijn der geschiedenis van ons vaderland, zal ik hun het

verhaal niet mededeelen, dat Lodewijk aan Ben deed van de korte,

maar rampspoedige regeering der ongelukkige gravin.

Toen onze knapen genoegzaam gerestaureerd waren, beklommen zij de

acht en zestig treden, langs welke men aan den zes ellen hoogen muur

komt. Daarop traden zij door de met gebeeldhouwde wapens voorziene

poort binnen en bestegen de hoogte, die langs den met zes en dertig

kanteelen bezetten muur loopt, en van waar zij een uitlokkend gezicht

over de stad Leiden hadden. Daarna bezagen zij den put, waarin door

een machine het water werd gepompt, hetwelk door onderaardsche pijpen

werd geleid naar de in 1691 gebouwde fontein op de Vischmarkt, die

alle Zaterdagen springt.

"Van dezen put wordt nog een aardige bijzonderheid verteld, die

gedurende het beleg in 1203 plaats had," zeide Lodewijk. "Toen

genoegzaam alle leeftocht was uitgeput, ving een der soldaten in dien

put een levenden visch, dien men den belegeraars toewierp, opdat zij

mochten denken, dat de belegerden nog toevloed van buiten hadden en

dan het beleg zouden opbreken. Maar 't hielp hun niet; een paar dagen

later moesten zij zich toch overgeven."

"Er zijn allerlei dwaze vertelsels van dezen put," merkte Frits aan,

"die echter geen van alle den minsten schijn van waarheid hebben. Zoo

heb ik mij onder andere eens laten verhalen, dat deze put met een

onderaardsche gang in verband stond, die tot Katwijk doorliep."

"Als dat was waar," zeide Ben, "Gravin Ada zou zich niet gevangen

hebben laten nemen, zooals zij deed."

"Natuurlijk niet," hernam Frits.

Nadat zij "Den Burcht" genoegzaam bezien en hun vertering betaald

hadden, wandelden zij naar "De Roode Leeuw" terug, waar zij, na het

door de dochter van den kastelein lekker gereedgemaakte diner, nog een

uurtje uitrustten en met hun waard afrekenden. Kort daarna stonden zij,

met hun schaatsen ondergebonden, op de trekvaart, die van Leiden naar

's-Gravenhage loopt en den naam van "Vliet" draagt.

NEGENDE HOOFDSTUK.

HOE ONZE REIZIGERS IN DEN HAAG ONTVANGEN WERDEN.

"Ik dacht, dat je de reis hadt uitgesteld," zeide mevrouw Van Gent,

de zuster van Peter en Lodewijk, toen de zes knapen door de dienstmaagd

in de woonkamer waren gelaten. "Ik had je al voor den eten gewacht en

stellig op je gerekend. En daar kom je me nu in den donker aanzetten."

"Wat zal ik je zeggen, Marie," zeide Peter. "We hebben den dag besteed,

om Leiden eens te zien. Je bent er toch niet boos om?"

"Boos?--In 't geheel niet. Integendeel, ik ben heel blij dat je gekomen

zijt. Maar gaat zitten. En zijn dat je kameraads? Nu, jongens, je

moet je tijd maar goed besteden in ons mooi Haagje. Daar is ook wat

te zien, dat verzeker ik je."

Nadat onze knapen waren gezeten en Peter alle vragen naar de familie

had beantwoord, zeide mevrouw Van Gent:

"En nu zul je wel honger hebben ook. Ik zal zorgen, dat je binnen

een half uur je middagmaal hebt."

"Doe maar geen moeite, Marie," antwoordde Peter. "We hebben te Leiden

reeds gedineerd en dus geen behoefte aan middageten. Je zoudt ons

meer pleizier doen met een paar boterhammen en een kop thee."

"Die zul je hebben," antwoordde mevrouw Van Gent, terwijl zij de meid

schelde, om het noodige te brengen.

Toen onze jongens nu rondom de tafel zaten, bij de gezellige carcellamp

en den niet minder gezellig vlammenden haard, kwam mijnheer Van

Gent thuis.

"Welzoo, ben jelui toch gekomen?" zeide hij, terwijl hij ieder der

knapen hartelijk de hand reikte. "Kom, dat is goed. Marie had je al

uitgeschrapt. Toch niet van morgen pas van Broek gegaan, denk ik?"

"Gistermorgen, François," zeide Peter. "En wel vóór dag en dauw."

"Dan hadt je ook wel wat vroeger hier kunnen zijn, dunkt mij."

"Als er geen bijzonderheden te zien waren geweest in Haarlem en

Leiden," zeide Lodewijk.

"Ha, zoo! Heb je daar je tijd aan besteed? Kijk, dat bevalt me. Nu,

dan zal ik zorgen, dat je hier ook al het merkwaardige ziet. Je blijft

toch zeker tot na Nieuwjaar?"

"Wij zijn van plan, om overmorgen vroeg weer te vertrekken," zeide

Peter.

"Dat kun je begrijpen. Overmorgen! Daar komt niets van, beste vriend!"

"Maar ze wachten ons thuis," hervatte Peter.

"Dat doet niets tot de zaak. Je schrijft morgen een brief naar Broek

en meldt daarin, dat je tot na Nieuwjaar hier blijft."

"Dat zouden we niet kunnen," hernam Peter. "We moeten den dertigsten

te Broek zijn: want dan is er een groote wedren op schaatsen, en dien

kunnen we niet verzuimen."

"Dat spijt me. In vredesnaam! Dan moeten we morgen onzen tijd maar

goed besteden. Doch verhaal me nu eens, hoe je 't op je reis van

Broek hierheen gehad hebt?"

De jongens verhaalden nu de lotgevallen, welke zij op hun tochtje

gehad hadden. Toen zij aan hun nachtelijk avontuur kwamen, zeide

mevrouw Van Gent:

"Maar hoe kon je ook zoo dwaas zijn, om in zulk een logement te

kruipen?"

"Wat zal ik zeggen," antwoordde Peter. "We hadden ons door den voerman

om den tuin laten leiden, en toen wij er eenmaal in waren...."

"Had Jacob geen lust om verder te zoeken," voegde Karel er bij.

"Alsof ik 't alleen was," zeide Jacob. "Er waren nog wel anderen,

die even moe waren als ik."

"Nu, hou je maar niet groot, vriendlief," zeide Frits. "Trouwens,

't is je niet kwalijk te nemen. Je hebt vrij wat meer mee te sleepen

dan wij."

"Dat heeft hij," bevestigde mevrouw Van Gent. "En nu--wat zijn de

plannen voor morgen?"

Mijnheer Van Gent ontwikkelde zijn plan voor den volgenden dag. Daar

wij echter ons zestal op de uitvoering daarvan zullen vergezellen, wil

ik dat niet mededeelen en zullen wij ook de verdere gesprekken van dien

avond niet beluisteren, maar laten wij liever de jongens wat tijdig

naar bed gaan, om den volgenden morgen vroeg bij de hand te zijn.

"Je zult je wat moeten behelpen, jongens," zeide mevrouw Van Gent. "Ik

ben niet ingericht op zes logés en dus zul je twee aan twee moeten

slapen. Ik heb gedacht, als Peter en Lodewijk, Jacob en Ben, Karel

en Frits samen wilden slapen, dan zou dat heel goed gaan."

"Opperbest!" zeide Peter, die den hemel dankte, dat hij niet weer

naast de mummie zou behoeven te liggen en van een ijsberg van duizend

voet zou droomen.

Ook de anderen vonden die schikking goed, en zoo trok men reeds om tien

uur naar bed. Dat was een ander logies dan den vorigen nacht. Ieder

tweetal had een afzonderlijke kamer, keurig gemeubeld en van een

ledikant voorzien, zóó ruim, dat er wel drie jongens naast elkander

hadden kunnen liggen, zonder elkander te hinderen. En dan zulke

heerlijke bedden en zoo'n lekker dek! En op elke kamer een brandend

nachtlicht--hetgeen den jongens trouwens niet kon schelen, daar zij

toch met hun oogen toe sliepen en in het donker net zoo goed konden

zien als zonder licht. 't Duurde dan ook niet lang, of zij lagen te

slapen als rozen en droomden.... doch hoe zal ik u de droomen van

zes levenslustige knapen vertellen? Daarenboven--droomen is bedrog.

't Was nog niet geheel en al licht, toen mijnheer Van Gent onze knapen

kwam wekken. En ofschoon zij zich nog gaarne eens hadden omgekeerd en

Jacob wel een weinig bromde, toen Ben hem een paar fiksche stompen gaf

om hem geheel en al wakker te maken, waren zij toch spoedig uit hun

bed en deed het hun veel genoegen, dat de kachels op hun logeerkamers

reeds ferm snorden en zij zich op geen koude vertrekken behoefden

aan te kleeden.

"Wel, hoe hebt jelui geslapen?" vroeg mevrouw Van Gent, die hen reeds

aan de ontbijttafel zat te wachten, toen zij al heel spoedig, nadat

ze geroepen waren, beneden kwamen.

"O, uitmuntend," antwoordde Frits. "Alsof we thuis waren."

"En heeft Jacob u niet bloot gewoeld, Ben?"

"Neen, hij heeft gedragen zich fashionably" antwoordde Benjamin.

"En jij bent van geen ijsberg van duizend voet gevallen, Peter?"

"Ik heb veel te warm gelegen, Marie, om van ijsbergen te droomen,"

antwoordde de aangesprokene.

Onder vroolijke gesprekken ging het ontbijt voort. Toen men geëindigd

had, keek mijnheer Van Gent op zijn horloge.

"'t Wordt onze tijd," zeide hij. "Komt, jongens, maakt je klaar! Het

rijtuig zal wel dadelijk voorkomen en we moeten zorgen, dat de

paarden geen koude voeten krijgen; anders mochten ze wel elk vier

stoven onder hun beenen hebben."

Er behoefde geen tweede sein te worden gegeven. Als een troep wilde

ganzen stormden de jongens naar hun kamers en kwamen kort daarop

gekleed en gereed binnen, waar zij ook mijnheer en mevrouw Van Gent

in de kleeren vonden.

't Was dan ook hoog tijd: want op hetzelfde oogenblik kwam er een

heerlijke barouchette voor, waarvan de glazen natuurlijk alle toe

waren. De tocht ging naar Scheveningen.

"Wij zullen eerst den nieuwen weg nemen, die langs 't Kanaal is

aangelegd," zeide mijnheer van Gent.

En zoo deden zij en reden den over de duinen gebaanden weg op,

die langs het groote kerkhof loopt en recht tegenover het badhuis

uitkomt. Hier gebruikten zij wat en wandelden langs het strand tot

aan het dorp Scheveningen, waarheen het rijtuig vooruitgezonden was.

Al de jongens waren opgetogen over de zee, die op dat oogenblik

echter al te kalm naar hun zin was, en het speet Ben, dat hij geen

verrekijker bij zich had, die vèr genoeg droeg, om Engeland aan de

overzijde te zien, waarover allen hartelijk lachten.

"Dat is het paviljoen, in 1826 door Koning Willem I voor zijn gemalin

gesticht," zeide mijnheer Van Gent. "'t Is in Toskaanschen stijl

gebouwd."

Veel pret had ons zestal in de kleeding der Scheveningers, vooral in

die der kleine meisjes, die volmaakte miniatuur-Scheveningsters waren.

"In vroegere eeuwen," zeide mevrouw Van Gent, "hadden de Scheveningers

er pret in, hun vrijsters te doopen en in te zouten."

"In te zouten!" herhaalden vier stemmen te gelijk.

"Ja, in te zouten. In de maand Mei, als wanneer men nog op Scheveningen

een feest houdt voor het verhuizen van de eene pink op de andere,

noodigden de jonge knapen hun vrijsters uit, om met hen naar het strand

te gaan en een zeeluchtje te scheppen. Dan was het strand gezaaid met

menschen. Op 't onverwachts echter nam iedere knaap zijn meisje op de

armen en droeg haar, ondanks haar tegenspartelen, een geheel eind in

zee. Daar gekomen, doopte hij haar in het water, zoodat zij droop, en

droeg haar vervolgens naar de duinen, waar hij haar in het zand rolde."

"Die meisjes zullen er fraai hebben uitgezien", zeide Jacob. "Maar

die gewoonte bestaat nog in Zeeland; ten minste zij bestond nog ten

tijde van Bellamy."

"Die 't ons in zijn "Roosje" zoo naïef beschrijft," voegde Peter

er bij.

"Daar is echter het inzouten, voor zoover mij bewust is, niet in

de mode," zeide mijnheer Van Gent. "Ook geloof ik niet, dat zij er

hun vrijsters doopen. Dit gebruik hier echter, dat al zeer oud moet

zijn en niet meer in zwang is, kostte eens een adellijke dame van

een onzer eerste geslachten het leven."

"Inderdaad," zeide Ben. "O, pray, doe vertellen dat eens."

"'t Was een jonge gravin van Egmond. Met haar verloofde, een

Duitschen Graaf, aan het strand wandelende, had zij veel vermaak

in die Meipret. Op eens neemt de graaf, die zeker wilde toonen,

hoe weinig bang hij voor het groote water was, en wel te galant zal

geweest zijn, om zijn adellijke beminde den zeedoop te doen ondergaan,

de gravin op en draagt haar in zee. Door haar tegenspartelen bezeert

zij zich aan zijn degen--en deze wond, waarin het koud vuur kwam,

kostte haar het leven."

Aan het dorp gekomen, stapte men weer in het rijtuig.

"Die kerk," zeide mevrouw Van Gent, "stond vroeger midden in het dorp."

"Is zij dan verzet?" vroeg Frits.

"Wel neen, maar bij de verschillende hooge vloeden, door welke

Scheveningen geteisterd is, zijn al de huizen, die aan den zeekant

stonden, weggespoeld."

"Vreeselijk!" riep Jacob uit.

Men reed nu den schoonen, met boomen beplanten weg langs, naar het plan

van Constantijn Huijgens aangelegd, en gedacht bij het voorbijrijden

van "Zorgvliet" aan onzen volksdichter Jacob Cats, die deze plaats

heeft aangelegd, wiens gedichten bij onze voorouders in huis- en

pronkvertrek een plaats hadden naast den Staten-Bijbel en van wiens

zinrijke spreuken er nog ten huidigen dage in den mond van het volk

leven. Daarna reden zij het schoone Willemspark met zijn prachtige

villa's door, bewonderden de Alexanderstraat en de Mauritskade,

en lieten zich brengen tot aan het oude paleis in het Noordeinde,

waar zij uit het rijtuig stapten, dat mevrouw Van Gent naar huis zou

brengen, nadat deze haar man wèl op 't hart gedrukt had, om toch tegen

het koffiedrinken thuis te zijn, daar de jongens anders flauw zouden

vallen van den honger.

"Hier staan wij nu tusschen twee paleizen," zeide mijnheer Van Gent,

nadat het rijtuig was weggereden. "Dat aan uw linkerhand is het oude

huis van Van Wassenaar Obdam en heeft zijn front op den Kneuterdijk."

"Is dat van den admiraal Van Wassenaar Obdam, die in den tweeden

Engelschen oorlog in de lucht vloog?" vroeg Peter.

"Van denzelfden. Een graftombe is voor hem opgericht in het koor der

Groote Kerk."

"Daar hij wel toch zelf niet ligt onder," zeide Ben.

"Natuurlijk niet. Het paleis aan onze rechterhand is dat van onze

tegenwoordige koningin. Jammer, dat H. M. thans in Den Haag is; anders

zou ik het u laten zien. Het is prachtig en vorstelijk gemeubileerd,

dat kan ik u verzekeren. Dat ruiterstandbeeld is van Willem den

Eersten, den grondlegger onzer vrijheid. Het werd hier geplaatst

door Koning Willem II en munt uit door zijn schoone vormen en stoute

conceptie."

Toen zij het Heulstraatje doorgewandeld waren, bleef mijnheer Van

Gent staan.

"Ziet nu aan uw linkerhand, daar in den hoek staat het voormalig

paleis van Willem II; een paar huizen verder ziet gij het huis,

waarin Oldenbarneveld gewoond heeft; die kerk op den hoek van dat

straatje is de Kloosterkerk, waarin Prins Maurits ging om de voorkeur

te doen zien, welke hij den contra-remonstranten wilde betoonen, en

verder op is een schoon hardsteenen gebouw met breede trap, waarin

eens een beruchte prefect van het Departement der Zuiderzee, baron

De Stassart, woonde en dat tegenwoordig is ingericht tot koninklijke

bibliotheek en bewaarplaats van een aanzienlijke verzameling gouden,

zilveren, bronzen en koperen munten. Als gij langer bleeft, zou ik èn

de bibliotheek èn het penningkabinet eens met u bezoeken; nu echter

gaan wij den Kneuterdijk op."

"Is hier niet het huis van den Raadpensionaris Jan de Witt?" vroeg

Peter. "Ik meen ten minste te hebben gelezen, dat dit op den

Kneuterdijk stond" [8].

"En ik herinner mij, dat Gijsbert Karel van Hogendorp ook op den

Kneuterdijk gewoond heeft," voegde Frits er bij.

"Dan moeten we ook kort bij de Gevangenpoort en 't Groene Zoodje zijn,"

zeide Karel.

"Wacht maar, ik zal je alles wijzen. En misschien nog meer dan je wel

weet," antwoordde de heer Van Gent, die er recht schik in had, dat

de jongens zooveel historische kennis en zooveel lust tot onderzoeken

hadden. "Hier aan onze rechterhand heb je het huis van Van Hogendorp,

en daarnaast is de woning van onzen onsterfelijken Jan de Witt,

waarin ook zijn zwager Van Swijndrecht woonde."

Met aandoening beschouwden onze knapen het huis, waarin eens zulk een

groot man geleefd, gedacht en gewerkt had. Zoo ging men voort tot op

de Plaats.

"Hier bij dezen lantaarnpaal," vervolgde mijnheer Van Gent, "is 't

Groene Zoodje. Hier stond het schavot, waarop Reinier van Groeneveld,

Buat en Van der Graaff zijn onthoofd en de gebroeders de Witt zijn

opgehangen en mishandeld. En daar, die groote keisteen met zeven

strepen is er ter gedachtenis gelegd van den vreeselijken moord,

aan Aleida van Poelgeest gepleegd, omdat zij graaf Albrecht tot de

partij der Kabeljauwen had overgehaald."

"Maar kijkt nu eens recht uit," vervolgde hij na een poos. "Deze

poort is de Gevangenpoort, vroeger Voorpoort van den Hove, en dit

venster dat van den kerker van Cornelis de Witt."

"Zouden wij dien niet kunnen zien?" vroeg Peter.

"We zullen 't vragen. Zeggen ze neen, dan zijn we nog even ver."

Men ging de Gevangenpoort door en schelde aan. Het verzoek, om de

vroegere gevangenis te zien, werd volgaarne ingewilligd. Met aandoening

klommen zij de trap op, welke de gebroeders De Witt door het opgeruide

gemeen waren afgesleept; met niet minder aandoening aanschouwden zij

de kamer, waar beiden de laatste en vreeselijkste oogenblikken huns

levens doorbrachten. En toen zij daarna in den kelder afdaalden en

hun de pijnbank gewezen werd, op welke de Ruwaard van Putten werd

gepijnigd, toen stond er in het oog van Lodewijk een traan, die hem

waarlijk niet tot schande was.

Nadat mijnheer Van Gent de vriendelijke dienstmaagd, die hun een en

ander had laten zien, met een ruime fooi beloond had, wandelde men

naar het Buitenhof.

"Kijk nu eens recht voor u," zeide mijnheer Van Gent. "Uit deze ramen

hield eens de snoode Tichelaar zijn redevoering tot het volk. En nu

linksom. Dit standbeeld is dat van den ridderlijksten onzer vorsten,

van den edelen Koning Willem II, die bij Quatre-Bras voor onze

onafhankelijkheid streed en bij Waterloo zijn bloed voor ons veil had."

"'t Staat daar al heel mooi," zeide Frits. "En hoe sierlijk zijn die

beelden aan den voet!"

"Dat zijn ze," hernam mijnheer Van Gent. "En nu slaan we linksom

en gaan naar het Binnenhof, het oudste gedeelte van Den Haag en

dat door drie poorten kan worden gesloten. Vroeger hingen hier

de vaandels, in verschillende veldslagen op de vijanden des lands

behaald. Doch die zijn tijdens Koning Lodewijk weggenomen en naar

Amsterdam gezonden. Die, welke wij nu doorgaan en boven welke de

appartementen der vroegere Prinsen van Oranje zich uitstrekten,

heet de Stadhouderspoort."

"Die is, in het laatst der achttiende eeuw, tegen alle bepalingen

aan doorgereden door Cornelis de Gijzelaar," zeide Peter. "En daar

vandaan hebben de tegenstanders van het Huis van Oranje in dien tijd

den naam van Keezen gekregen."

"Juist. En hier vlak over ons hebben wij het oudste gebouw van Den

Haag: de Loterijzaal of liever de groote ridderzaal, door Willem II,

graaf van Holland en Zeeland, in 1270 gesticht, en den oorsprong van

Den Haag."

Zij bezichtigden nu de groote ridderzaal, toen nog niet herbouwd of

liever gedeconstrueerd; verder de vergaderzaal van de Eerste Kamer

der Staten-Generaal, waar het Twaalfjarig Bestand werd gesloten

en die daarom vroeger den naam van Trèves-kamer droeg. Zij is

vooral bezienswaardig om haar schoone schilderijen, voornamelijk

het schoorsteenstuk, hetwelk Prins Willem III ten voeten uit in

koninklijk gewaad voorstelt;--en het gebouw, dat tot vergaderplaats

dient van de Tweede Kamer, vroeger gebruikt tot danszaal voor de

Prinsen van Oranje, maar onder Prins Willem V van hardsteen herbouwd

en tot vergaderzaal voor de Staten-Generaal ingericht. Hier werd in

1796 de eerste Nationale Vergadering gehouden.

"Dat torentje aan de linkerzijde der groote ridderzaal,"

vervolgde mijnheer Van Gent, toen zij uit de troonzaal kwamen,

"is ook nog merkwaardig. Hier stond het schavot, waarop de grijze

Oldenbarneveld het leven verloor onder beulshanden. En daar vlak

over ons is een merkwaardige kapel, de oudste kerk van Den Haag,

tegenwoordig in gebruik bij de Roomsen-Katholieken, onder den naam

van Hofkerk. Zij heette vroeger de "kapel van Maria ten Hove" en is

waarschijnlijk door Graaf Willem II gebouwd en door diens zoon Floris

V voltrokken. In deze kapel woonden de vroegere graven van Holland en

Zeeland de godsdienstoefeningen bij. Na de Hervorming werd zij tot een

Gereformeerde kerk ingericht, waar, op last der Staten van Holland, in

de landtaal en, sedert 1592 vooral ten genoegen van Louise de Coligny,

ook in het Fransch werd gepredikt. Toen men bij het verbouwen in 1769,

de fondamenten van den muur aan de zijde van het Binnenhof opbrak,

vond men daar verscheidene houten en looden grafkisten, waarin zich

het gebeente der Oudhollandsche graven bevond."

"En heeft men die beenderen bewaard?" vroeg Frits.

"Men kon 't niet. Zoodra zij met de buitenlucht in aanraking kwamen,

vielen zij in elkander. Een der lijken echter, dat in een looden

kist lag, was door een sterk vocht vrij wel bewaard. Uit de wonden,

welke het aan den hals en in het gezicht had, veronderstelde men,

dat dit het lijk van Willem IV moet zijn geweest, die in 1345 in den

slag bij Warns tegen de Friezen is gesneuveld. In de kist van Jacoba

van Beieren was het hoofdhaar nog ongeschonden bewaard; men heeft

dat naar het museum gebracht en daar zullen wij het straks zien."

Daar het te koud was om lang stil te staan, waren zij tot genoemd

huis doorgewandeld en beschouwden hier eerst het museum van Japansche,

Chineesche en andere curiositeiten en eindelijk, in de laatste zaal,

de historische overblijfselen. 't Meest werd de aandacht onzer knapen

geboeid door het gewaad, dat Prins Willem I had aangehad, toen hij

te Delft door Balthazar Gerards vermoord werd. Duidelijk kon men de

plaats zien, waar de kogel was doorgegaan. Daar lag ook het hemd van

den grooten man, nog gekleurd van het edel bloed, dat hij voor ons

land veil had gehad, de uitgesneden kogel met een paar beentjes, die

door het vuurwapen verbrijzeld waren, de pistolen van den moordenaar

met zijn sententie, zooals die binnen Delft is uitgevoerd. Verder

zagen zij er geuzennappen, geuzenpenningen, zilveren schotels, aan

onze grootste zeehelden ten geschenke gegeven, groote haakbussen,

oude pieken; ook uit later tijd, den stoel, waarop Chassé in de

citadel heeft gezeten, en een geweer, afkomstig van het in de lucht

gesprongen schip van Van Speyk.

De zilveren schaatsen · 第 6 / 12 段