wel niet snurken: want Lodewijk ligt al te beven van angst."
"Ja, van kou; ik zou niet weten, waarvoor ik bang zou zijn."
"Hou je nu maar goed, man," antwoordde Karel. "Ik weet toch, dat je
benauwd bent voor dien roover van hedenavond."
"Nu, dan ben ik maar bang. Gelukkig, dat ik achteraan lig. Als hij
ons dan vermoorden wil, pakt hij jou 't eerst bij de keel."
"Slapen gaan, jongens!" riep de kapitein. "We moeten morgen niet te
laat op. Goeden nacht dus!"
Om de waarheid te zeggen, had Lodewijk te veel slaap om te disputeeren,
en het duurde niet veel langer dan vijf minuten, of men hoorde uit
de drie ledikanten slechts het gesnurk der schaatsenrijders.
't Was in 't holst van den nacht. De maan scheen helder op den vloer
der kamer, op welken zich iets zwarts bewoog, dat de jongens geen van
allen vermoedden of zagen. Slapende jongens denken aan geen gevaar. De
dikke Jacob had zich intusschen al eens in zijn slaap omgedraaid en,
ongelukkig voor Peter, juist naar die zijde, dat hij zich als een
Egyptische mummie in de dekens rolde en daardoor het deel, dat zijn
buurman in het dek toekwam, met zich nam. De mummie lag nu warm en
wel naast den bevrozen Peter, die natuurlijk in zijn droom uit al
zijn macht over de ontoegankelijkste ijsbergen schaatsen reed.
Zooals ik u reeds zeide, bewoog zich in het maanlicht een zwarte
gedaante over den bruin geverfden vloer--langzaam en behoedzaam als
een tijger, die zijn prooi beloert.
"Word toch wakker, Lodewijk! Dat is de roover, voor wien Karel zeide,
dat gij bang waart."
Maar Lodewijk wordt niet wakker.--Hij snurkte, alsof hij nooit wakker
moest worden.
Hoort Karel 't dan niet? Die dappere Karel, die zooveel pleizier had,
omdat hij meende, dat Lodewijk bang was?
Wel neen, Karel droomt van de hardrijderij.
En Jacob, Frits of Ben?
Ook zij hooren 't niet. Ook zij droomen van den wedloop. Kato
zingt in hun droomen en Truida is boos, omdat Griete zal meedoen,
en Ben hoort het groote orgel weer spelen, waarop de dikke Jacob als
organist ageert.
En toch beweegt de zwarte gedaante zich, langzaam, behoedzaam, al
nader en nader.
Peter! Kapitein Peter! Word toch wakker! Daar is gevaar!
Peter hoort ons roepen niet. Maar in zijn droom glijdt hij eensklaps
van een ijsberg van ruim duizend voet in de diepte en wordt wakker
door den schok.
Brr! Wat is dat koud! Hij trekt met wanhopige kracht aan de
mummie. Tevergeefs. Laken, katoenen sprei en wollen deken, alles is
als een muur om Jacob's dikke en slapende gestalte gewikkeld. Peter
werpt een treurigen blik naar het door het maanlicht beschenen venster,
daarna op den vloer.
"Heldere maneschijn!" denkt hij. "We zullen morgen mooi weer hebben
op onze reis naar Den Haag. Sakkerloot! Wat is dat?"
Hij ziet de zwarte gedaante, die zich over den vloer beweegt of
liever nu stilhoudt; want toen Peter zich bewoog, was zij onbeweeglijk
gebleven.
Peter houdt zich doodstil en staart onafgewend op de donkere gedaante.
Weder beweegt zij zich, al nader en nader. Door het maanlicht kan de
knaap haar duidelijk onderscheiden.
't Is een man, die op handen en voeten kruipt.
De kapitein wil een luid geschreeuw aanheffen; doch hij bedenkt
zich bijtijds.
De kerel heeft een blinkend mes in de hand. Dat is een leelijke zaak;
maar onze Peter verliest zijn tegenwoordigheid van geest niet. Als
de vent zijn hoofd naar hen wendt, heeft hij de oogen gesloten; maar
zoodra hij gevoelt, dat hij niet bespied wordt, is zijn blik scherp
op elke beweging van den kruipende gericht.
Al dichter en dichter kruipt de dief naar het bed, waarop Jacob
en Peter liggen. Op 't oogenblik is zijn rug naar den kapitein
gericht. Zachtkens legt hij het mes op den vloer neder en strekt zijn
arm behoedzaam uit, om de kleeren van den stoel bij Peter's bed naar
zich toe te trekken.
Nu is 't Peter's tijd. Terwijl hij zijn adem inhoudt, springt hij
op en werpt zich op den rug des roovers, die door het onverwachte
en geweldige van den sprong voorover op den grond neervalt. Te
gelijk grijpt hij het mes van den kerel, dat op den grond ligt. De
roover begint tegen te worstelen, maar als een reus zit Peter op de
neergestreken gedaante.
"Als je 't hart hebt, je te bewegen, schoelje," zegt de dappere
jongen met zulk een barsche stem, als hij maar kon voortbrengen,
"als je je maar een duim verroert, dan steek ik je het mes in je
nek. Jongens! jongens! wordt wakker!" riep hij, terwijl hij den
zwarten kop naar de laagte drukte en het scherpe mes vlak op den nek
des roovers hield. "Helpt een handje! Ik heb den kerel! Ik heb hem!"
De mummie keerde zich om, maar gaf geen ander teeken van leven.
"Op, jongens!" schreeuwde Peter nog luider, terwijl hij
den kerel, die begon te worstelen, met zijn mes in den nek
prikte. "Lodewijk! Karel! Frits! Ben! Jacob! Ben je dan allemaal dood?"
Dood! dat waren ze in 't geheel niet.
Frits en Ben waren reeds uit het bed gesprongen.
"Wat schreeuw je toch?" riep Frits. "'t Is of het huis in brand staat."
"Wel, ik heb hier een roover gevangen," zeide Peter koel. "Lig stil,
schurk of het mes gaat er in!--Jelui ledikant is met een touw aan
elkander gebonden. Haalt dat er af, om den schelm te binden. Doe 't
maar op je dooie gemak; want als de kerel het hart heeft, om spul te
maken, is hij een kind des doods."
Dat Peter zoo kordaat was, kwam, omdat hij gevoelde, dat hij, met dat
mes in zijn hand, voor den kerel op 't oogenblik meer dan duizend pond
woog. De vent bromde en vloekte, maar bewegen durfde hij zich niet.
Op dit oogenblik sprong ook Lodewijk uit zijn bed. Hij had een ferm
knipmes in zijn broekzak. Dat kon nu goeden dienst doen. In een
oogenblik waren de gordijnen van het ledikant omhooggeslagen en zagen
zij het touw, dat van voren en van achteren aangeknoopt was.
"Ik zal het lossnijden," zeide Lodewijk, terwijl hij met zijn mes
den knoop doorzaagde. "Hou hem maar goed vast, Peter!"
"Heb daar maar geen vrees voor," antwoordde de kapitein, terwijl hij
den roover de punt van zijn mes liet voelen.
't Duurde niet lang, of het touw was van het ledikant; het was een
mooi lang eind.
"Nu, jongens!" beval de kapitein. "Licht nu de armen van den schurk
op. Bindt hem de handen op den rug. Zoo is 't goed--neemt mij niet
kwalijk, dat ik zoo in den weg zit--bindt hem maar stevig vast."
"Ja, en zijn voeten ook, den schurk!" riep Lodewijk. En zij bonden
hem zóó stevig, dat de kerel van pijn kermde.
Thans veranderde de man van toon.
"Ach, lieve jongeheeren!" smeekte hij. "Spaart toch een armen,
kranken man, die een slaapwandelaar is."
"Zoo, mannetje!" zei Frits, die nog bezig was om een knoop in het
koord aan 's mans been te leggen. "Was je in slaap? Nu, dan zullen
we je wel wakker maken."
De kerel mompelde een paar voermansvloeken; toen riep hij
op deerniswekkenden toon: "Maakt die touwen los, lieve, beste
jongeheeren! Ik heb vijf kleine kinderen thuis. Bij al wat heilig is,
ik zal u ieder vier rijksdaalders geven, als gij mij loslaat!
"Niet onaardig," riep Peter lachend uit.
Toen begon de kerel te dreigen en wel zóó verschrikkelijk, dat Lodewijk
er bang voor werd. Maar zij bleven hem toch maar dapper binden.
"Houd je mond, mijnheer de huisbreker," zeide Frits. "Bedenk, dat
je mes vlak op je hals is. Als je onzen kapitein zenuwachtig maakt,
dan sta ik er niet voor in, wat er gebeuren kan."
't Scheen, dat de roover die bedreiging ter harte nam; hij zweeg
ten minste.
Juist op het oogenblik bewoog zich de mummie in Peter's bed en richtte
hij zich op. "Wat voer jelui toch uit?" riep hij, zonder zijn oogen
open te doen.
"Wat we uitvoeren, Jacob?" zeide Lodewijk. "Kom, sta op! Daar is werk
voor je aan den winkel. Ga jij eens op den rug van dien kerel zitten,
totdat wij onze kleederen hebben aangeschoten; want we bevriezen
bijna van de kou."
"Welken kerel?"
"Leve Poot!" riepen de jongens, toen de dikzak met dek en al het bed
uitkwam, met een enkelen blik de zaken overzag en nu met zijn zware
lichaam naast Peter op den rug des roovers ging zitten.
Nu eerst kermde de kerel terdeeg.
"Ziezoo, blijf jij nu maar op hem zitten," zei Peter.
"Je zult toch geen kou vatten met je dekens om 't lijf. Intusschen zal
ik mij aankleeden en met Frits naar de politie gaan. Sakkerloot! Ik
ben zoo koud als een visch geworden."
"Waar is Karel?" vroeg Lodewijk, die zijn slaapkameraad miste.
Allen keken rond--Karel was nergens te zien.
"Lieve Hemel!" riep Frits. "Misschien heeft hij den kerel op de trap
ontmoet en heeft die hem doodgestoken. Er was toch geen bloed aan
het mes?"
"Hij lag nog in het bed, toen ik er uitsprong," zei Lodewijk.
"Maak je maar niet ongerust over hem," zeide Peter lachend, terwijl
hij zijn dikken pijjakker vastknoopte. "Kijk maar eens onder de
ledikanten."
Dit deden zij; maar Karel was er niet.
Op dit oogenblik hoorden zij een beweging op de trap en een paar
seconden later kwam de waard, gewapend met een zwaren ijzeren
pook. Zijn dochter volgde hem met de blaaspijp in de eene hand en
een brandende kaars in de andere, en daarachter--zoo bleek als een
doode en met het angstigste gezicht, dat men zich kan voorstellen--de
dappere Karel in zijn hemd.
"Daar is de kerel al, kastelein," zeide Peter, terwijl hij op den
gevangene wees.
De kastelein hief zijn pook op om den kerel een slag te geven en
de dochter gaf een gil, terwijl Jacob, vlugger dan men van hem zou
verwacht hebben, van den rug des gevangenen afsprong.
"Sla hem niet," zeide Peter. "Hij is aan handen en voeten
gebonden. Laat ons hem op den rug draaien en zien, wie hij is."
Karel stapte moedig voorwaarts en zeide op dapperen toon:
"Ja, laat ons hem omdraaien, of 't hem bevalt of niet. Gelukkig,
dat we hem gesnapt hebben."
"Hé, ben jij daar, Karel? zeide Lodewijk spottend. "Waar heb je toch
gezeten, man?"
"Waar ik gezeten heb? Wel, ik heb alarm gemaakt. Mij dunkt, dat dit
noodig was."
De jongens keken elkander glimlachend aan; maar zij waren veel te
blij en te opgewonden, om Karel verder te plagen. Karel was moedig
genoeg. Hij hielp dapper mede aan het omkeeren van den kerel.
Toen de roover nu met het gezicht naar boven lag, nam Lodewijk de
kaars uit de hand van het meisje en hield die vlak bij het gelaat
van den gevangene.
"Nu moet ik hem toch eens goed zien," zeide hij. "Inderdaad--het is
de kerel, die van avond achter de kachel zat."
"Waarlijk, hij is het!" zeide Peter.
Intusschen was de dochter van den kastelein de kamer uitgegaan. Zij
kwam een oogenblik daarna weer binnen met een paar smerige klompen.
"Kijk, vader," zeide zij, "'t is dezelfde kerel, die van avond zoo
laat met zijn baas hier kwam. 't Was heel onvoorzichtig van ons,
dat wij hem zoo dicht bij de jongeheeren lieten slapen."
"Die schurk!" kreet de kastelein. "Hij heeft mijn logement in
miskrediet gebracht. Ik ga terstond om de politie."
In minder dan een kwartier waren er twee stevige nachtwachts in de
kamer. Nadat zij den kastelein gezegd hadden, dat hij den volgenden
morgen vroeg met de zes jongeheeren op het politiebureau moest komen,
om hun getuigenis af te leggen, gingen zij met den gevangene heen.
Nu zoudt gij misschien denken, dat de kapitein en zijn volk het
verdere van dien nacht geen oog meer loken. Dat weten mijn lezers wel
beter. Het kruid is nog niet uitgevonden, dat een jongen, die een goed
geweten heeft en vermoeid is, kan beletten om te slapen. 't Duurde niet
lang of zij waren allen te bed (dat van Lodewijk en Karel, waarvan
de onderlagen waren losgeschoten, lag op den vloer), hadden roover,
politie, wedloop, alles vergeten en sliepen allen behalve Karel,
die 't maar niet kon vergeten, dat hij zich zoo laf had aangesteld,
doch ook spoedig het voorbeeld der anderen volgde en in slaap viel.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
WAT ONZE KNAPEN AL ZOO IN LEIDEN ZAGEN.
't Was tien uren, vóór ons zestal den volgenden morgen beneden kwam.
"Laat hen maar slapen," had de dochter van den kastelein tegen haar
vader gezegd. "De moedige jongens mogen hun rust wel hebben na de
vermoeienissen van gisteren en den schrik van dezen nacht. En als
zij beneden komen, zullen zij een goed ontbijt hebben--daar kunnen
zij op rekenen. En wat warms ook."
Nu, zij hadden dan ook ruimschoots gebruik van de gelegenheid tot
slapen gemaakt en gevoelden zich recht verfrischt, ja, zelfs Jacob
Poot kon niet begrijpen, dat hij den vorigen dag een tocht van Broek
naar Leiden had gemaakt. Over 't geheel konden de jongens zich niet
voorstellen, dat zij gisterochtend nog in het hartje van Noord-Holland
waren; er was dan ook zóóveel gebeurd, dat het hun was, als waren
zij reeds een week op reis geweest.
"Goeden morgen, heeren!" zeide de kastelein, toen zij beneden
kwamen. "Nu, dat noem ik een gat in den dag slapen. Maar
't is de schuld van mijn Betje. Zij wilde niet, dat Gerrit u
riep. Intusschen--gaat nu maar spoedig aan het ontbijt, en, als gij
daarmede klaar zijt, dan gaan we naar het politiebureau: want het is
hoog tijd, om ons daar heen te begeven.--'t Is waarachtig een mooi
geval voor een fatsoenlijk logement. Gij zult echter wel naar waarheid
getuigen, heeren, dat gij goed logies en fatsoenlijke behandeling in
"De Roode Leeuw" gehad hebt, niet waar?"
"Dat zullen wij," antwoordde Karel. "En tevens, welk aangenaam
gezelschap wij er gevonden hebben ook. Jammer dat het op zoo'n
ongelegen uur kwam."
De kastelein keek mooi beteuterd toen Karel dat zoo zeide; maar zijn
dochter nam het woord en voegde er tamelijk scherp bij:
"Zoo aangenaam was 't u toch niet, jongeheer, als ik bedenk, hoe hard
en in welk toilet gij zijt weggeloopen."
Karel Schimmel beet zich op de lippen en mompelde iets, dat niemand
verstond; maar hij wachtte zich wel, een woord meer te zeggen.
Na het ontbijt wandelden onze zes jongens, in gezelschap van den
kastelein en zijn dochter, naar het bureau van politie. De getuigenis
van den kastelein kwam hierop neer, dat een roover, zooals er den
afgeloopen nacht een in de kamer zijner loges was binnengedrongen,
een ongehoorde zaak voor "De Roode Leeuw" was; dat zijn logement een
respectabel logement was, zoo goed als een in Leiden tusschen zijn
vier muren stond. Ieder van de jongens legde op zijn beurt getuigenis
af en bevestigde, dat de kerel, die werd voorgebracht, dezelfde was,
die dezen nacht op hun kamer was geweest. Toen Karel hem zag, sloeg hij
de handen ineen, dat de man niet grooter was dan een gewoon mensch;
want in zijn getuigenis had hij een reus van hem gemaakt met breede
schouders en een vreeselijk uitzicht. Jacob had getuigd, dat hij wakker
geworden was door het stampen, dat de roover deed op den houten vloer;
maar Peter en de overigen hadden medegedeeld, dat de kerel geen vin
verroerd had van het oogenblik, dat hij de punt van het mes op zijn
nek voelde, totdat men hem had omgekeerd, om hem van aangezicht tot
aangezicht te zien. De dochter van den kastelein dwong den commissaris
een glimlach en een der knapen een blos af, toen zij verklaarde,
dat, als die knappe jongeheer er niet geweest was, zij allen in hun
bed zouden zijn vermoord geworden: "want de schurk had een groot,
blinkend mes, bijna zoo lang als uwés arm," en zij geloofde, dat "de
knappe jongeheer werk genoeg had gehad om hem onder zich te krijgen;
maar de jongeheer was te zedig, om er zich op te beroemen."
Nadat er proces-verbaal was opgemaakt van het getuigenverhoor en dit
door den kastelein en zijn dochter, als de eenige mondige getuigen,
was onderteekend, werd de schuldige weggebracht en konden onze knapen
naar huis gaan.
"De schurk!" riep Karel. "'t Is ferm, dat hij naar de gevangenis
gaat. Ze moeten hem maar een jaar of wat geven. Als ik in jouw plaats
geweest was, Peter, zou ik den kerel het mes door den hals gejaagd
hebben."
"Gelukkig, dat hij dan niet in jouw handen gevallen is, Karel,"
antwoordde Peter kalm. "Die arme kerel zal er waarschijnlijk slecht
genoeg afkomen, daar 't mij uit het verhoor is gebleken, dat hij al
vroeger in handen der justitie is geweest, en de omstandigheid, dat
hij van nacht een mes bij zich gehad heeft, nogal verzwarend schijnt
te wezen."
"Arme kerel!" mompelde Karel luid genoeg, om door Peter verstaan te
worden. "Je praat er warempel over alsof 't je broer was."
"Is hij dan mijn broer niet?" vroeg Peter. "Hij is 't net zoo
goed van jou als van mij. En kun jij zeggen wat wij onder gelijke
omstandigheden zouden gedaan hebben? Schier van onze geboorte af aan,
hebben onze ouders ons van het kwade teruggehouden. Was die man in
een goed huisgezin en door zorgvuldige ouders opgevoed, wie weet,
welk een braaf mensch er van hem geworden was."
"Dat is nobel van je gesproken, Piet," zeide Frits Verdam, terwijl
hij hem de hand drukte. "Maar Karel heeft het zoo kwaad niet gemeend."
"Ik was hardvochtig," zeide Karel, terwijl hij Peter de hand
reikte. "Je bent beter dan ik, Piet!"
"Kom, laat ons daar maar niet over twisten. Waar zullen we 't eerst
heengaan? Laat Ben dat nu eens beslissen."
"Naar het Egyptian museum," antwoordde deze.
"Dat is op de Breestraat," zeide Peter. "Dan gaan wij de ruïne over."
"De ruïne? Wat is dat?" vroeg Ben, die niets anders dacht, dan dat
hij een steenklomp zou zien, zooals bijvoorbeeld de ruïne van het
huis te Brederode.
"Daar heb je haar reeds," zeide Jacob, toen zij een prachtig met
boomen beplant en tot wandelplaats ingericht plein overgingen.
"Maar dat in 't geheel niet doet gelijken op een ruïne," zeide Ben
met een gezicht, als meende hij, dat zijn neef hem voor den gek hield.
"En toch is de naam zeer juist. Want hier en aan den overkant der
gracht, stonden, in den morgen van den 12den Januari 1807, tal van
huizen die alle in een enkel oogenblik tot puin vielen," antwoordde
Peter. "Papa was toen juist in Leiden en hij heeft het mij dikwijls
verteld."
"Hé, dan moest je 't ook eens vertellen," zeiden de andere
jongens. "Dat zou aardig wezen, net dat we op de plaats zelf zijn."
"Met veel genoegen," hervatte Peter. "Weet dan, dat hier, evenals
op het andere gedeelte van het Rapenburg tal van aanzienlijke huizen
stonden met geringere buurten er achter."
"Daar kunnen er nogal wat gestaan hebben," merkte Frits op. "'t Is
hier een ruimte."
"Zoo wat van driehonderd, en de ledige oppervlakte is ver over de vijf
bunders groot," hernam Peter. "Nu was er, door welke onvoorzichtigheid
weet ik niet, een schip met veertig duizend pond buskruit op den morgen
van den 12den Januari door de stad gekomen en hier op het fraaiste
gedeelte blijven liggen--ook al een ongehoorde zaak. Eensklaps--door
welke oorzaak weet natuurlijk niemand--barst het schip met een
donderenden slag uiteen en storten door de plotselinge uitzetting
der lucht, drie honderd huizen in puin."
"Vreeselijk!" riep Ben uit.
"Ja, wèl vreeselijk. In geheel Leiden zelf bleef er geen glas heel,
en 't was zelfs zóó erg, dat men uit Den Haag en andere plaatsen
brood moest aanvoeren, omdat de Leidsche bakkers niet konden bakken,
daar al hun meel vol glas zat. De slag deed in 's-Gravenhage en Gouda
de glazen dreunen en de deuren openspringen en werd zelfs te Arnhem
gehoord. Maar ook hier toonde zich de Nederlandsche weldadigheid weder
schitterend: meer dan een millioen guldens werd er ingezameld tot
leniging van de ramp. En wat ik niet mag verzwijgen, Ben, en wat je
zeker machtig veel pleizier zal doen als je 't hoort: in Engeland,
dat te dien tijde met ons in zekeren zin in oorlog was, werd een
collecte voor Leiden gedaan, die vrij wat opbracht."
Ben's gelaat blonk van genoegen over de lofspraak, die Peter aan zijn
volk bracht; want onder de deugden der Engelsche natie is er een, die
zij somtijds zóó ver drijft, dat het een ondeugd wordt: nationaliteit.
"En heeft je papa je geen bijzonderheden van die ramp verteld?" vroeg
Frits.
"O ja, en ik wil er je wel een paar van meedeelen, die ik nog onthouden
heb, als ik de namen nog maar weet," antwoordde Peter. "Zekere
mijnheer Van Staveren, bij wien papa dikwijls aan huis kwam, zat in
zijn woonvertrek te schrijven, terwijl zijn vrouw met haar eenig
kindje bij hem in de kamer was. Eensklaps ziet papa's vriend een
licht, sneller dan dat van den bliksem, en op hetzelfde oogenblik
is hij met al zijn huisgenooten onder het puin bedolven. Vreeselijk
gekwetst worden zij er onder vandaan gehaald; doch het arme kind
is verpletterd. Dominee Broes, bij wien papa op de catechisatie
ging, en diens echtgenoote werden ook onder de puinhoopen van hun
huis begraven: zij werden gered, maar hun dienstboden verloren het
leven. Gelukkig, dat de departementale school juist uit was; anders
had een menigte schoolkinderen het aantal slachtoffers aanzienlijk
vermeerderd. Toch waren er nog een twaalftal die tusschen de morgen- en
middagschooltijden overbleven, onder wie een zoontje van professor Van
der Palm. Al die twaalf kinderen, benevens twee van den onderwijzer
zelf, werden levenloos onder het puin vandaan gehaald. Onder de
vreeselijke gevallen, welke papa zich nog herinnert, is ook dat van
een gezelschap van veertien personen, dien morgen met een pleizierjacht
uit Den Haag gekomen. Zij zaten juist aan een vroolijken maaltijd bij
den heer Struick, toen eensklaps het huis boven hun hoofden instortte
en ze allen in een oogenblik een prooi des doods werden. Gelukkig was
de vacantie der academie nog niet uit en werd er geen student gemist:
twee professoren echter, de heeren Luzac en Kluit, lieten bij het
ongeval hun leven."
"Vreeselijk!" riepen Ben en Frits uit. "En hoeveel menschen kwamen
er wel bij om?"
"Honderd en vijftig, en ongeveer twee duizend werden er gekwetst. Maar
daar zijn wij aan het museum van oudheden."
Welke groote oogen zetten zij op bij het zien van die verzameling
van mummies, van welke sommige wel drie duizend jaren oud waren!
"Zonderling denkbeeld!" riep Frits uit. "Die menschen hebben vóór
drie duizend jaren door Thebe's straten gewandeld, hebben gesproken,
gedacht, bemind en gehaat...."
"En hun gelijken onderdrukt, die voor hen in 't stof bogen...." voegde
Peter er bij.
"En ze hebben thans geen macht, om een vlieg weg te jagen, die over
hun neus loopt," zeide Lodewijk.
Behalve de mummies der volwassenen, zagen zij er van kinderen, katten,
ibissen en andere dieren. Ook de mummie van de dochter van Koningin
Cleopatra in haar groote kist. Verder allerlei huishoudelijke zaken,
kleederen, sieraden, wapenen, muziek-instrumenten, kortom, allerlei
dingen, die hun een klaar denkbeeld gaven van de zeden en gebruiken
der oude Egyptenaren. Ook bezagen zij er verschillende overblijfselen
van het oude Rome en Griekenland; ook enkele, die niet ver van Den
Haag zijn opgedolven op Arentsburch, waar de Romeinen een legerplaats
hebben gehad; daarna nog de afgietsels in gips van de schoonste
voortbrengselen der Grieksche en Romeinsche beeldhouwkunst.
Van het museum van oudheden begaven zij zich naar dat van natuurlijke
historie, waar zij zich vermaakten met het zien van de opgezette dieren
en geraamten, der delfstoffen en fossiliën of overblijfselen uit de
voorwereld. Daarna bezagen zij den plantentuin, waar zij gewassen uit
alle oorden der wereld vonden, maar zich 't meest voelden aangetrokken
door een boom, dien men zeide, dat Boerhaave zelf had geplant.
"Is dat die zelfde Boerhaave, die zoo'n groot dokter was?" vroeg Ben.
"Dezelfde," antwoordde Peter. "Hij had zulk een Europeesche
beroemdheid, dat er eens een brief uit China kwam met het adres:
aan Hermanus Boerhaave in Europa."
"En kwam die terecht?"
"Wel zeker. En wat het mooiste van alles was: uit alle oorden kwamen
rijken en aanzienlijken hem als arts raadplegen; maar zij moesten
steeds wachten, tot hij zijn armen-praktijk had bediend: want, zeide
hij, dat zijn mijn beste klanten, omdat God voor hen betaalt."
Daar 't in het kortst van de dagen was en zij dus niet veel tijd te
verliezen hadden, indien zij nog dien avond in Den Haag wilden zijn,
begrepen zij, dat zij hun verder bezichtigen van Leiden tot nog twee
zaken moesten beperken: het Stadhuis en "Den Burcht".