en naast elkander rijden."
"Dat is goed," riepen allen en Frits begon:
"In heel veel vroeger tijden stond bij Haarlem een oud, sterk
kasteel, welks slotheer een ware tiran was voor de poorters der stad
en de omliggende dorpers, die allen van hem afhingen. Dit werd zóó
geweldig, dat deze in opstand kwamen, zijn kasteel omringden en het
belegerden. De nood op het slot steeg dermate, dat de wreedaard geen
ander uitzicht had, dan zich aan het woedende volk over te geven,
hetwelk hem in stukken zou hebben gescheurd. Daar verscheen op een
der kanteelen een liefelijke gestalte, de vrouw van den slotheer. Was
haar echtgenoot slecht voor zijn onderdanen, zij daarentegen was
steeds een moeder voor hen geweest; geen arme, die haar om hulp had
gevraagd, zou zij weggezonden hebben; zieken en nooddruftigen had zij
verzorgd. Zoodra het volk haar zag, liet het de armen slap hangen,
die het reeds had opgeheven, om den pijl te richten, welke het hart van
den krijgsknecht moest doorboren, die 't wagen durfde, op den trans te
verschijnen. "Ik ben altijd goed voor u geweest," zeide zij. "Welnu,
veroorloof mij een vrijen uittocht en sta mij toe, zooveel van mijn
kostbaarheden mede te nemen als ik op mijn schouders kan dragen." "Dat
is u toegestaan," riep men haar toe.--De poort gaat open, en daaruit
komt de burchtvrouw, die op haar schouders torst.... Wat denkt gij?"
"Wel, haar juweelen en beste kleederen," zeide Karel.
"Neen--haar snooden echtgenoot, den wreeden burchtheer," hervatte
Frits. "En haar daad was des te mooier, daar de wreedaard ook voor
haar steeds een tiran geweest was."
"En wat deed het volk nu?" vroeg Peter.
"'t Was getroffen door die edele daad en liet den burchtheer vrij;
maar het kasteel werd vernield."
"Kom, dat is nooit gebeurd!" riep Karel Schimmel uit. "Hoe zou een
zwakke vrouw zoo'n grooten kerel hebben kunnen dragen!"
"Nu, de vrouwen van Weinsberg hebben het toch ook wel gedaan,"
verzekerde Frits.
"Ik geloof het wèl," zeide Jacob Poot. "Ik ten minste zou geen vrouw
willen hebben, die niet hetzelfde voor mij zou doen."
"Ik zou haar beklagen, Jacob," antwoordde Peter lachend, "indien zij
zulk een vracht moest dragen als jij bent. Drie man zouden werk hebben
om je voort te sjouwen."
"Nu dan, 't zou mij genoeg zijn, als zij 't wilde doen," hervatte
Jacob.
"Dus zou je den wil voor de daad nemen?" vroeg Peter. "Doch wie weet
er nog een historie, Haarlem betreffende?"
"Meen je van het beleg?" zeide Lodewijk.
"O, neen, daar hebben we in het boekje van Andriessen [6] reeds
zooveel van gelezen, dat het voor ons geen nieuws meer is."
"Ik weet nog iets, dat ik eens in een boek gelezen heb," zeide
Jacob. "'t Is een heel mooie historie."
"Nu vertel dan!" riepen allen te gelijk.
"Goed, maar dan moeten we nog wat zachter rijden," antwoordde de
dikkerd. "Anders kan ik onmogelijk vertellen."
"Best," antwoordde Peter. "Jongens! Wat meer piano aan."
"Jaren geleden woonde in Haarlem een blondharige knaap, wiens vader
den post van sluiswachter vervulde. Op zekeren schoonen namiddag in
den herfst nu, toen het knaapje omtrent acht jaren oud was, kreeg
hij verlof van zijn ouders om pannekoeken te brengen aan een blinden
grijsaard, die in den polder woonde aan den kant van den dijk. Het
knaapje bracht een uur bij zijn dankbaren ouden vriend door en ging,
nadat hij afscheid van hem genomen had, vroolijk naar huis terug.
"Terwijl hij zoo over den dijk ging, bemerkte hij, hoezeer het water
daar langs gezwollen was, en dacht hij aan de stevige sluisdeuren van
zijn vader en hoe boos het water op dezen moest zijn, dat hij het zoo
tegenhield. O, als het eens losbrak en den dijk vernielde of de sluizen
doorbrak, en dat schoone vruchtbare land overstroomde; hoe zou 't dan
met vader of moeder gaan? Vreeselijk zou het dan wraak nemen op zijn
vader, die het zoo lang in toom had gehouden. Nu eens hield hij stil,
om een paar bloempjes te plukken, die daar in het wild groeiden, dan
weder plukte hij een kaars, die hij in de lucht blies, dan bleef hij
stilstaan, om nog eens terug te zien naar het hutje van zijn ouden
vriend, waarvan de glazen gloeiden in het rood der ondergaande zon,
alsof het in lichtelaaie stond.
"Eensklaps bemerkte ons knaapje tot zijn verdriet, dat hij zich te lang
had opgehouden en dat de zon op het punt was van onder te gaan. Hij
was nog een heel eind van huis verwijderd en reeds werden de blauwe
bloempjes op den dijk grauw en zag hij, dat zijn lange schaduw niet
meer op het gras viel. Hij verhaastte dus zijn stap, om gauwer thuis
te zijn. Op eens echter bleef hij weder staan, daar hij iets gehoord
had, dat hem het bloed in de aderen deed stollen. 't Was het geluid
van neersijpelend water. Waar kwam dat vandaan? Hij onderzocht het en
zag een klein gat in den dijk, waardoor het water als door een smal
gootje liep. Men moest het kind van een sluiswachter zijn, om te weten,
wat er in dat woord lag opgesloten: een gat in den dijk! Als het water
bleef doorsijpelen, dan zou het gat grooter en grooter worden en een
vreeselijke overstrooming ten gevolge hebben.
"Dadelijk begreep de achtjarige knaap wat hem te doen stond. Hij
wierp zijn bloemen weg en klom van den eenen steen op den anderen,
totdat hij aan het gaatje kwam. Bijna onwillekeurig stopte hij er zijn
vingertje in. Het sijpelen hield op. "Ha!" riep hij met kinderlijke
vroolijkheid uit. "Dat booze water kan er nu niet door. Haarlem zal
niet overstroomd worden, zoolang ik hier ben."
"Dit ging in 't eerst wel goed; maar de nacht viel al meer en meer,
er kwam een vochtige damp op. Onze kleine held begon van koude en
angst te beven. Hij schreeuwde luid: "Komt hier, komt hier!" maar
niemand kwam. Hij werd hoe langer hoe kouder, een verstijving,
beginnende met zijn vinger en voortgaande over zijn hand en arm,
maakte dat hij spoedig pijn over zijn gansche lichaam voelde. Hij
riep nogmaals: "zal er dan niemand komen? Moeder! Moeder!" Helaas,
zijn moeder, zijn goede lieve moeder, had de deur reeds gesloten en
besloten, haar zoon morgen braaf te beknorren, omdat hij den nacht
bij den ouden blindeman was gebleven. Hij wilde fluiten--misschien
zou de een of andere rondzwervende knaap het teeken hooren, maar zijn
tanden klapperden zoo, dat het hem niet doenlijk was. Toen bad hij
God om hulp en nam het vaste besluit: "Ik wil hier tot morgen blijven."
"De maan kwam op en bescheen de kleine gedaante, die daar eenzaam
en verlaten op een steen zat, halfweg de glooiing van den dijk. Zijn
hoofdje hing hem op de borst, doch hij sliep niet; want nu en dan wreef
hij den uitgestrekten arm, die als vastgeketend was aan den dijk--en
meermalen keerde zich het bleeke, betraande gelaat plotseling om,
bij een wezenlijk of denkbeeldig geluid.
"O, wat leed de knaap in dien langen en vreeselijken nacht. Hoe
dikwijls wankelde hij in zijn voornemen, als hij aan het warme bedje
bij zijn ouders dacht, aan zijn broertjes en zusjes, die al gerust
sliepen, en daarbij aan den kouden treurigen nacht! Maar als hij
zijn vinger wegtrok, dan zou het verbolgen water, dat hoe langer
hoe toorniger werd, weer doorsijpelen, het gat zou grooter worden en
niet tevreden zijn, vóór het de stad overstroomd had! Neen, hij zou
het tegenhouden, tot het daglicht aankwam, indien hij ten minste zoo
lang leefde. Hij was er niet zeker van, of dat zoo lang zou duren;
want wat beteekende dat vreemde gesuis in zijn ooren? En was 't niet
of hij van hoofd tot voeten met messen werd geprikt?
"Met het aanbreken van den dag kwam er een geestelijke, die dien
nacht aan het bed van een stervende gewaakt had, den dijk langs en
meende een zacht gekerm te hooren. Hij boog zich voorover om te zien
wat het was en zag een kind, dat van pijn in elkander kromp.
"In 's Hemels naam, jongen! Wat doe je daar?" riep hij uit.
"Ik houd het water tegen, dat door den dijk sijpelt," antwoordde het
kind met flauwe stem. "Zeg, dat zij gauw komen." [7]
"Ik behoef u niet te zeggen, dat er spoedig hulp kwam en dat Haarlem
zoo door een kleinen knaap gered was," eindigde Jacob.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
HOE GOED HET KAN ZIJN, ALS MEN IN EEN KOUDEN WINTERNACHT
ZONDER DEK LIGT.
Nadat Jacob Poot zijn verhaal geëindigd had, gaf de kapitein bevel om
harder te rijden, en voort ging het langs de gladde baan als hadden
zij de vleugels van Mercurius onder de voeten gebonden. Hoe verder
zij van Haarlem zich verwijderden, hoe minder het ijs bevolkt was;
doch toen zij de Piet-Gijzenbrug waren doorgereden, bemerkten zij
door het meer en meer aanwassend aantal schaatsenrijders, dat zij
langzamerhand Leiden naderden. Onder vroolijke gesprekken, nu eens
twee aan twee dan tusschen drie, dan door alle zes te gelijk gevoerd,
kwamen ze al dichter en dichter bij de stad, toen er iets gebeurde,
dat de pret in treurigheid dreigde te veranderen. Jacob Poot, die
zeker eenige ponden meer had mee te dragen dan zijn makkers, had
reeds een paar malen in stilte aan zijn neef geklaagd, dat hij zoo
moe werd, en om zijnentwil hadden de anderen ook al eens hun vaart
ingekort. Maar zooals het gaat met jongens, die schaatsen rijden en
nog geen vermoeienis gevoelen, zoolang zij ten minste op het ijs zijn,
telkenmale waren zij weer vlugger aan 't rijden gegaan, toen op eens
Frits Verdam, die zich onwillekeurig omkeerde, uitriep:
"Goede Hemel! Daar gaat Jacob van zijn stokje."
Bij dien kreet hielden al de jongens eensklaps op en snelden naar
Jacob toe, die bleek en roerloos als een lijk op het harde ijs was
neergevallen.
"Jacob! Jacob! Wat scheelt je?" riep Ben in 't Engelsch.
"Wat scheelt je, Jacob?" herhaalde Peter in 't Nederlandsch.
"Maar, al hadden ze Sanskritsch gesproken, de arme Jacob Poot zou
het evenmin verstaan hebben als hij het Engelsch of Nederlandsch
deed. Peter en Karel trachtten den bezwijmde op te helpen, maar hij
was nu nog zwaarder dan anders. Tal van menschen verzamelden zich
om hen. De een zeide dit, de ander dat; ieder wist raad, zooals het
trouwens altijd in zulke gevallen gebeurt.
"Wrijf zijn handen," riep een vrouw op schaatsen.
"Zet hem op zijn beenen," zeide een ander.
"Geef hem een slok brandewijn," riep een man. "De kou zal hem bevangen
hebben!"
"Ja, ja, geef hem wat brandewijn!" riepen wel twintig stemmen te
gelijk.
"Ja, brandewijn! brandewijn," schreeuwden Peter en Karel.
"Heeft niemand hier wat brandewijn?"
"Maakt toch maar zoo'n leven niet, jongeheeren," zeide een dikke
Leidenaar, die de hand in zijn jaszak stak als om er wat uit te
halen. "Wat doet die jongen zoo mal te zijn, om flauw te vallen als
een meissie?"
"Brandewijn!" riep Lodewijk smeekend. "Anders sterft hij nog."
"Hij is al dood!" zeide een van de omstanders.
Benjamin lag bij zijn neef neergeknield en ondersteunde met tranen
in de oogen diens hoofd.
't Was akelig om te zien hoe doodsbleek dat anders zoo blozende
gelaat was en hoe pijnlijk die straks nog zoo vriendelijke en goedige
trekken stonden.
"Hier," zeide de dikke Leidenaar, die eindelijk zijn veldflesch met
brandewijn had gevonden. "Giet hem daarvan wat tusschen de lippen."
Dankbaar nam Peter de veldflesch aan en deed wat de man zeide. En
die brandewijn deed goede uitwerking. Jacob loosde een diepen zucht,
deed de oogen open en keek verwilderd rond. Toen hij echter Ben zag,
die hem met tranen in de oogen aanstaarde, en zijn makkers, die rondom
hem stonden, scheen hij te begrijpen, wat er met hem gebeurd was. Met
behulp van Peter en Karel richtte hij zich op.
"'t Was de vermoeienis," zeide hij flauw.
"We moeten zien, dat we hem in een dier groote sleden krijgen, die
hier telkens voorbijrijden," zeide Karel.
Over 't algemeen is onze natie een hulpvaardig volk. Vooral vindt men
onder de geringere burgerklasse een medelijden, dat inderdaad treffend
is. Laat iemand op straat wat overkomen, terstond zijn er tien, twintig
handen gereed, om hem bij te springen, al is ook de ongelukkige in
lompen gewikkeld--en 't is aardig om te zien, hoe ieder volgaarne zich
inspant, om toch maar te helpen of om raad te geven. Nauwelijks had
Karel den wensch geuit, of reeds waren er drie sleden aangehouden,
van welke een ledig en groot genoeg was, om ons zestal te bevatten:
want zij wilden hun makker niet alleen laten--en, om u de waarheid te
zeggen, "zij waren niet moede, behalve in hun beenen," en vonden 't
dus niet onaardig, op zulk een gemakkelijke wijze in Leiden te komen.
Zij lieten dus hun Spartaansch besluit, om Leiden op schaatsen te
bereiken, varen, om een ander Spartaansch besluit uit te voeren, dat
zij wel eenigszins hoog opvijzelden: "hun makker niet verlaten". Zij
bedankten dus den dikken Leidenaar, die voor zijn brandewijn geen geld
wilde aannemen, vriendelijk, en stapten in de slede, een kales, waarvan
de wielen waren afgenomen en die op twee met ijzer beslagen balken
was bevestigd. Zooals zij vernamen, had de voerman er eenige heeren
en dames mee naar een buitenplaats gebracht en keerde hij ledig naar
Leiden terug. Voor een gulden zou hij de knapen naar de stad brengen.
"Hoe is 't nu, Jacob?" vroeg Benjamin, toen men eenige oogenblikken
zat en de paarden in vollen draf waren.
"O, veel beter," antwoordde deze met een paar oogen, zoo lodderig
als van een kabeljauw, die op een warme stoof zijn testament maakt.
"Je moet niet gaan slapen, Jacob," zei Frits. "'t Is te koud om in
de open lucht te slapen. Je weet zelf zoo goed als ik, hoe gevaarlijk
dat is."
"Ik denk aan geen slapen," antwoordde Jacob op goedigen toon, en twee
minuten later sliep hij als een os.
Peter en Lodewijk moesten er om lachen.
"We moeten wakker maken hem," zeide Ben, terwijl hij den dikkerd aan
den arm schudde. "Jacob! Jacob!"
Daar drie van de jongens Ben hielpen om Jacob wakker te schudden,
begreep kapitein Peter, dat hij er zich mee bemoeien moest.
"Laat hem slapen, jongens! Ben je mal, om hem zoo te schudden. Zóó
snurkt men niet, als men doodvriest. Bedekt hem met iets
warms. Koetsier," zeide hij, "geef den pijjakker eens waar je op zit,
om dien jongeheer voor de kou te beschutten."
Deze voldeed hieraan.
Peter bedekte Jacob met den pijjakker.
"Ziezoo," zeide hij, "laat hem nu maar slapen. Als hij wakker wordt,
zal hij geheel en al beter zijn. Hoever zijn wij nog van Leiden?"
"Een klein half uurtje," antwoordde de voerman.
Toen zij Leiden's toren in 't gezicht kregen, werd Jacob wakker.
"Hoe is 't nu, Jacob?" vroeg Ben.
"O, ik ben weer beter, maar doodmoe," antwoordde hij.
"Nu, dat zijn wij ook," zeide Frits openhartig. "Zoolang wij op
schaatsen waren, voelden wij geen vermoeienis; maar nu wij gezeten
hebben, voelen wij onze beenen."
"Weet je een goed logement, niet te duur, koetsier?" vroeg Peter.
"In "De Roode Leeuw," gaf de voerman ten antwoord. "Daar heeft men
't goed en ze halen je het vel niet over de ooren."
"Kun je ons tot zoover brengen?"
"Tot bijna voor de deur."
"Goed zoo, dan zul je een fooi extra hebben."
Het duurde niet lang, of de knapen stapten de slede uit en het hotel
in, waar "De Roode Leeuw" uithing.
De kastelein, een klein, dik mannetje, stond met zijn lange pijp in
de deur van zijn logement en groette onze jonge reizigers beleefd,
die zulk een grooten honger hadden, dat hun eerste vraag was:
"Kastelein, heb je wat voor ons te eten?"
"Om de heeren te dienen. Wat zullen de heeren gebruiken?"
"Maak maar wat klaar," antwoordde Peter, die vrij wat in zijn schik
was, dat zij heeren genoemd werden.
"Mag ik dan den heeren maar verzoeken binnen te gaan," hernam de
kastelein, terwijl hij de gelagkamer opendeed, waar de kachel lekker
gloeiend stond.
"Ik kan niet zeggen, dat de koetsier ons juist een fijn logement
heeft aangewezen," zei Peter, toen de kastelein vertrokken was. "'t
Lijkt hier wel zoo'n voermanslogies."
"Wanneer wij gegeten hebben, kunnen wij hem betalen en een ander
logement opzoeken," meende Lodewijk.
"Laat ons maar hier blijven," zeide Jacob, die weinig lust gevoelde,
om over de straatsteenen te gaan en een ander logement op te zoeken.
"'t Is misschien een aardig avontuur op onzen tocht," zeide Frits.
"'t Is juist niet altijd het aardigst, als men alles zoo tout-à-fait
heeft."
"Kom, laat ons dan de stemmen opnemen," zeide Peter. "Waarvoor stem
jij, Lodewijk?"
"Voor hier blijven."
"Jacob Poot?"
"Vóór, sterk vóór!"
"Benjamin Dobbs?"
"Buiten stemming."
"Frits Verdam?"
"Vóór!"
"Karel Schimmel?"
"Tegen."
"En ik ben er vóór. Alzoo vier stemmen vóór, één tegen, één buiten
stemming. Dus blijven we hier."
"Uitmuntend," zei Frits. "Jammer echter, dat wij niet aan het
spreekwoord gedacht hebben, hetwelk hier inderdaad te pas komt, dat
men niet buiten den waard moet rekenen. Wij hebben buiten den waard
gerekend en zullen dus eerst moeten wachten, of hij ons logeeren kan."
Frits schelde.
"Zeg eens, kastelein," zeide Peter. "Kunnen wij hier van nacht
logeeren?"
"Indien de heeren zich met drie bedden willen vergenoegen, dan heb
ik een mooie kamer voor hen."
Peter keek een weinig bedenkelijk en zeide:
"Hoor eens, kastelein, op voorwaarde, dat we je kamer eerst eens zien
en de bedden inspecteeren mogen."
"Als de heeren eerst willen eten, dan zal mijn vrouw in dien tijd de
bedden opmaken, antwoordde de kastelein.
"Heel goed," antwoordde Peter.
De kastelein vertrok met een buiging.
"Daar heb je verstandig aan gedaan, Peter, dat je de conditie maaktet
om eerst de kamer te zien en de bedden te inspecteeren," zeide Frits.
"Wel zeker; al zijn we 't beter gewend, is 't niet onaardig om ons
eens te behelpen. Maar zij moeten ons in geen smerige bedden stoppen,
daar zou ik voor bedanken," antwoordde Peter.
"En ik," hernam Frits. "Maar de waardin zal er nu wel op passen dat
alles in orde is."
Het eten was niet slecht, en de jongens deden den maaltijd
eer aan. Koud rundvleesch, ham en warme karbonade met goede
zandaardappelen, appelmoes en andijviesla deden zich goed smaken
door ons zestal, dat sedert twee uren niets had genuttigd en hetwelk
de koude lucht en de meer dan gewone inspanning geducht hongerig
hadden gemaakt.
Toen de maaltijd gedaan was, zeide Peter:
"Nu ga ik dokter Broekman opzoeken.--Weet je ook, kastelein, waar
die logeert?"
"In "De Gouden Engel" op de Breestraat," antwoordde de kastelein. "Ik
zal mijnheer iemand meegeven; anders mocht hij den weg niet vinden."
"Dat is goed," antwoordde Peter. "Wie van jelui heeft lust, mij te
vergezellen? Dan kunnen wij Leiden eens bij den avond zien."
"Ik ga mee," zeide Ben. "Ik ben begeerig om te zien Leiden."
"Ik blijf Jacob gezelschap houden," zeide Lodewijk.
"En ik ben te lui, om nu over de straatsteenen te gaan loopen,"
voegde Karel Schimmel er bij.
"En jij, Frits?" vroeg Peter.
"Wel, laat ons deelen. Drie blijven er thuis, dan gaan er drie naar
dokter Broekman. Ik zal de derde wezen."
"Zorgt dan, dat jelui ons met een kopje thee wacht," zeide
Peter. "Schaatsenrijders zijn altijd dorstig, vooral wanneer zij zulk
een goed middagmaal hebben genoten."
"Willen de heeren niet eerst de kamer zien?" vroeg de kastelein.
"Dat is waar ook," zeide Peter. "Wie gaat er mee op dien tocht?"
Allen, behalve Jacob, vergezelden hem op de expeditie, die zeer wel
ten genoegen van het vijftal afliep.
Peter vertrok nu met Frits en Benjamin, onder het geleide van
een kleinen jongen uit de herberg, die afschuwelijk plat Leidsch
sprak en hem tot vervelens toe "menhair" noemde, maar hen toch
goed terechtbracht. Zij vonden dokter Broekman niet in "De Gouden
Engel". Hij was dien namiddag naar 's-Gravenhage vertrokken en zou
eerst den volgenden dag tegen den middag terugkomen. Peter zei den
kastelein, dat hij een brief voor den dokter zou bezorgen, dien de
logementhouder hem beloofde, dezen terstond bij zijn aankomst ter hand
te zullen stellen, wandelde met zijn makkers de Breestraat op en keerde
daarna in "De Roode Leeuw" terug, waar Jacob een tukje zat te doen
en de beide anderen hen met een lekker kopje thee zaten te wachten.
Intusschen waren onze drie jongelieden niet meer de eenigen, die zich
in de gelagkamer bevonden. Er waren twee mannen gekomen, blijkbaar
voerlieden, hetgeen men bemerkte aan de lange zweepen, die tegen
den schoorsteenmantel stonden. Peter kon niet zeggen, dat hij dit
gezelschap heel pleizierig vond, en hij zag wel aan het gelaat van
zijn makkers, dat zij er ook zoo over dachten. Frits Verdam, die
bij een boekverkooper op de Breestraat een plaat gezien had, waarop
eenige struikroovers bezig waren, een reisgezelschap uit te plunderen,
fluisterde Peter in het oor: "Die eene kerel lijkt net op den roover,
die op de Breestraat de arme dame het pistool op de borst zette." Karel
Schimmel, die dat hoorde, keek angstig naar den hoek van den haard,
waar de mannen half zaten te slapen. En inderdaad, een van de beide
nieuw aangekomenen had wel iets in zich, om vrees te boezemen. Naar
het scheen was hij de knecht van den andere, die een rond, vriendelijk
gelaat had en dapper snurkte. Of hij echter werkelijk sliep, dan of hij
zijn loerende oogen tusschenbeide op de welgekleede knapen wierp, durf
ik niet verzekeren; wel, dat zijn verwilderd haar, zijn ongeschoren
baard, zijn mager beenig gelaat, gevoegd bij zijn haveloozen pijjakker,
zijn gelapte broek en smerige klompen, bijzonder geschikt waren, de
vroolijke gesprekken der knapen te doen verstommen, zoodat zij op
't laatst bijna fluisterend spraken. Gelukkig dat beiden, na een
drietal glazen jenever gedronken, een paar pijpen stinkende tabak
gerookt en hun avondeten gebruikt te hebben, den kastelein bevalen,
hun hun slaapplaats te wijzen, en met hem de gelagkamer verlieten.
"Goddank, dat zij weg zijn!" riep Karel Schimmel uit, toen de deur
achter hen dicht ging. "Als 't zoo laat niet was en wij hadden
ons logies niet reeds betaald, dan zou ik er wel vóór zijn, om een
ander logement op te zoeken. Die eene kerel is in staat, ons allen
te vermoorden."
"Ik zou je bedanken," zeide Jacob, die zijn laarzen sedert lang had
uitgetrokken en een paar pantoffels aangeschoten, welke hij van de
dochter van den kastelein geleend had. "Ik ben waarlijk reeds blij,
dat ik niet verder dan van hier naar onze slaapkamer behoef te gaan,
en er dan nu nog op uit te snijden, om een logement te zoeken! Ik ben
zoo bang niet voor dien man. Hij is misschien niet zoo kwaad als hij
er wel uitziet."
"We moesten den kastelein, dunkt mij, maar zeggen, dat hij het
avondeten op tafel zet," zeide Peter, "ofschoon ik er niet veel van
gebruiken zal: want ik heb van middag copieus gegeten."
"Ja, dat is goed," zeide Jacob. "Ik begin mooi slaap te krijgen en
naar bed te verlangen."
"Jij slaap te krijgen!" riep Frits lachend uit. "Je hebt den ganschen
dag nog niets anders gedaan dan slapen. 't Is jammer, dat de tijd der
toovernimfen over is; anders kon je naar de schoone slaapster in het
bosch gaan en honderd jaren lang slapen."
"En dan zou ik wel de prins willen zijn, die in het bosch jaagde,"
zeide Frits.
"Om onzen dikken vrind wakker te maken," schertste Lodewijk. "Waarlijk,
daar zou niet veel eer aan te behalen zijn."
"Neen, om de schoone prinses te doen ontwaken (want er moest natuurlijk
een schoone prinses bij zijn) en dan met haar te trouwen."
"Ei, ei, je bent ook niet mal!" riep Lodewijk lachend uit. "'t Is
maar jammer, dat er op Broek geen andere prinsessen zijn dan Hilda
en Truida."
"Of Kato," voegde Peter er bij. "Maar daar komt de kastelein.--Wees
zoo goed, ons avondeten klaar te zetten, hospes!" zeide hij tot dezen.
Onder vroolijke gesprekken ging de avondmaaltijd voorbij, en, ofschoon
Peter niet veel honger had, deed hij dien toch tamelijk eer aan.
Onze knapen bleven, na het gebruik van het avondeten, niet lang
meer zitten, maar lieten zich, zoodra zij gedaan hadden, naar hun
slaapkamer brengen. Het was gansch geen vriendelijk vertrek, waar
zij hun nachtverblijf zouden houden; een donker, smerig behangsel
en een houten, lichtbruin geverfde vloer, terwijl de neteldoeksche
gordijnen voor de ramen met kleine vuile ruiten, die het licht der
maan, welke zoo pas opgekomen was, doorlieten, het kille van het
vertrek nog kouder maakten. Maar onze jongens hadden te veel slaap,
om zich lang uit te kleeden. Het duurde dan ook niet lang, of Peter,
die 't laatst was opgebleven, deed den domper op zijn kaars en stapte
in zijn bed, waarin Jacob zich reeds lekker in de dekens gerold had.
"Nacht, jongens!" zeide de kapitein, toen hij in het bed stapte.
Slechts vier stemmen antwoordden--Jacob alleen gaf antwoord door
zijn snurken.