"'t Is goed dat je er van spreekt," gaf Peter ten antwoord. "Vader

zal je terstond helpen. Je mooie ketting beviel hem zeer. "Die jongen

snijdt machtig mooi in hout," zeide hij. Vader wil van den winter

onzen nieuwen koepel van snijwerk voorzien; misschien durft hij 't

jou wel opdragen: er is geld aan te verdienen. De teekeningen liggen

bij ons aan huis."

"God is goed!" riep Hans opgetogen uit. "O, jongeheer.... dat zou

al te veel geluk zijn! Ik heb nog wel nooit groot werk onder handen

gehad--maar ik zou 't gerust durven wagen, en ben ik er zeker van,

dat het mij gelukken zal."

"Nu, ik zal mijn vader zeggen, dat hij 't jou moet laten doen. Hij

zal je zeker gaarne helpen."

Hans keek Peter aan.

"Ik dank u, jongeheer," zeide hij.

"Kom, kapitein," riep Karel. "Hier zijn we nu midden in Haarlem,

en we hebben nog geen woord uit je mond vernomen. We wachten allen

ongeduldig op je bevelen."

"Goed, jongens! Dan de schaatsen maar afgebonden!" riep Peter. "Jij

zult toch meegaan, om iets te eten, Hans," ging hij voort, zich tot

den knaap wendende, "daarna zal ik je niet langer ophouden."

Een oogenblik flikkerden de oogen des knapen van genoegen en Peter was

verwonderd, dat hij er niet eer aan had gedacht, dat de arme jongen

wel honger moest hebben. Maar 't was ook slechts een oogenblik,

dat Hans er zich in verheugde, het andere hernam hij op treurigen toon:

"Ach, jongeheer! hoe gaarne ik uw vriendelijk aanbod zou willen

aannemen, ik mag mij niet langer ophouden. Moeder mocht mij noodig

hebben. Vaarwel! God zegene u!"

Dit zeggende, knikte hij Peter vriendelijk toe en--verdween.

Wij willen onze vroolijke knapen een oogenblik verlaten en met Hans

naar Broek terugkeeren. Wij moeten daar, vooral ten gevalle onzer

lieve lezeressen, eens een kijkje nemen bij de meisjes, die wij

reeds vroeger ontmoet hebben, een kijkje in de jeugdige hartjes,

die zoo warm en zoo snel onder de nauwe keursjes klopten.

Hilda de Bruyn--haar kent gij reeds, met haar warm, edel hart. Truida

Korbes was vrij wat mooier dan Hilda, veel aanvalliger en zelfs

meer gezocht, maar toch niet half zoo zonnig van binnen. In dat

jonge hart hingen wolken van trots, ontevredenheid en wangunst,

die dagelijks donkerder warden. 't Was natuurlijk, dat die wolken

zich nu en dan evenals die aan den hemel ontlastten. Maar wie zag die

tranen? Slechts haar dienstmaagd, haar ouders, haar jongere broeder,

die haar zoo hartelijk liefhadden. Anderen bespeurden weinig van

hetgeen er in dat jeugdige hart omging. In haar oog was het arme

boerenkind Griete geen menschelijk wezen, niet evengoed een schepsel

van God als zij--het was een onding, waaronder men niets dan armoede,

lompen en morsigheid verstond. Zoo'n kind als Griete had geen recht om

te gevoelen of te hopen; bovenal moest zij haar meerderen nooit in den

weg komen, ten minste niet op een onaangename manier. Zulk volk mocht

voor haar en haar gelijken werken en zwoegen, maar op een eerbiedigen

afstand; zij mochten haar bewonderen, als zij 't met gepasten eerbied

deden--meer niet. Verheffen zij zich--dan sla ik ze neer; lijden zij,

wat gaat mij dat aan--dat was de leer van Truida Korbes. En toch--hoe

mooi zij altijd gekleed was en hoe lief zij zich voordeed, jongens met

een echt Nederlandsch hart, zooals Frits Verdam en Peter en Lodewijk

van den Helm, konden haar niet velen.

Hoezeer Karel Schimmel 't meest in karakter met haar overeenkwam,

hield die toch veel meer van de levendige Kato Lammers, wier aard

veel had van de rinkelende bellen eener narreslede. Reeds als kind

was Kato een coquette, als schoolmeisje was zij zoo coquet als

ooit. Zij was coquet op haar moeder, op haar kleine broertje, zelfs

op haar blonde krullen, die zij verachtelijk in den hals wierp, als

ze haar verveelden. Iedereen mocht haar graag lijden, niemand hield

van haar. Nooit kwam er een ernstig woord over haar lippen. De arme

Kato! Met haar lief gezichtje, haar vroolijk hartje, haar aangename

manieren, kon zij slechts een uur boeien. Wat zou er later van haar

worden, als het werkelijke leven vol ernst kwam en de rinkelende

bellen één voor één dof zou maken!

Karel Schimmel had dus wel gelijk, toen hij gezegd had, dat Kato en

Truida woedend waren, omdat Griete mee zou doen in de harddraverij

op schaatsen. Hij had Truida hooren zeggen, dat het "schandelijk,

onteerend, gemeen" was. Kato had haar lieve kopje geschud en zachtkens

nagepraat, dat het "schandelijk, onteerend, gemeen" was, ofschoon met

zulk een lief stemmetje, dat men het nauwelijks met den naam van toorn

zou mogen bestempelen. Dat was voor hem genoeg. Hij bedacht niet, dat,

als Hilda en niet Truida haar 't eerst over de zaak had gesproken,

dat zelfde stemmetje zou gezegd hebben: "zeer goed, opperbest,

allerliefst". Maar nu oordeelde Kato, dat een boerenkind als Griete

in staat was, de geheele pret te bederven. Daar Truida rijk was en

machtig (altijd in den zin van een schoolmeisje) had zij een menigte

volgelingen onder haar schoolkameraden, die òf te laf òf te zorgeloos

waren, om voor zich zelf te denken.

Arme Griete! Zij en Hans hadden de geheele schaatsenpartij reeds

uit hun hoofd gezet. Zij hadden wel aan wat anders te denken dan

aan zilveren schaatsen! Ach! de hut van Rolf Brinker was tegenwoordig

treurig en somber genoeg. De arme krankzinnige lag kermend op zijn hard

bed en zijn vrouw bette zijn brandend voorhoofd en zijn droge lippen

met koud water, weenend en biddend, dat hij niet mocht sterven. Hans

was, zooals wij weten, in wanhoop naar Leiden gereden, om daar dokter

Broekman op te zoeken en hem te smeeken, als 't kon, terstond bij

zijn vader te komen. Griete, door een zonderlingen angst bevangen,

had haar werk zoo goed verricht als zij kon, zij had de steenen vloer

opgedaan, brandstof gehaald om het vuur te onderhouden, en zat nu

op een laag stoeltje naast het bed, terwijl zij haar moeder smeekte,

om toch een uur of wat te gaan slapen.

"Gij zijt zoo vermoeid, moeder," zeide zij. "Den geheelen nacht hebt

gij geen oog geloken. Ik heb mijn bed voor u opgemaakt. Hier is uw

jak. Doe die mooie japon uit, dan zal ik ze opvouwen en in de kast

bergen, vóór gij gaat slapen."

Vrouw Brinker schudde treurig het hoofd, zonder heur oogen van haar

man af te wenden.

"Ik kan immers wel op vader passen," hernam Griete, "en ik zal u

dadelijk wakker maken, als hij zich beweegt. Gij ziet zoo bleek en

uw oogen zijn zoo rood. Toe, moeder! doe 't maar!"

Het kind smeekte tevergeefs. Vrouw Brinker wilde haar post niet

verlaten.

Griete keek haar aan met een onrustig stilzwijgen, terwijl zij dacht,

dat het toch heel slecht van haar was, dat zij meer van haar moeder

hield dan van haar vader, voor wien zij bang was.

"En Hans houdt zoo veel van vader," zuchtte zij.

"Waarom kan ik 't niet doen? Toch was ik zoo bedroefd, toen hij

verleden week dat mes beetpakte en zich zoo vreeselijk sneed

en zoo bloedde. En 't gaat mij door de ziel, nu ik hem zoo hoor

steunen. Misschien houd ik toch veel van hem en ben ik niet zulk een

slecht kind als ik dacht. Ja, ik houd van mijn armen vader--bijna

zooveel als Hans; want Hans is sterker en is niet bang voor hem. O,

zal dat gesteun dan nooit ophouden! Arme moeder! Wat is zij

geduldig! Nooit mort zij over het geld, dat op zoo'n zonderlinge

manier is weggeraakt. O, kon vader maar eens voor een oogenblik

zijn oogen opslaan en ons aanzien zooals Hans doet, en zeggen,

waar de guldens gebleven zijn--dan kon mij de rest niet schelen--de

rest.... ja toch. Ik zou niet graag zien, dat mijn arme vader stierf."

Diep in gedachten staarde zij naar de zonderlinge figuren, welke de

vlammen aan den haard vormden, daarop telde zij de gebroken en geplakte

ruiten van het bouwvallige raam, eindelijk bleven haar oogen rusten op

een fraai gesneden plank, waarop de quarto-bijbel met koperen sloten

stond, nog een erfstuk van vrouw Brinker's vader.

"Wat is die Hans toch knap!" zeide zij. "En zoo sterk! Als hij

hier was, kon hij vader eens omkeeren en dan hield het gesteun

op. Ach! Ach! Als vader zoo ziek blijft, zal ik nooit meer schaatsen

rijden. Ik zal mijn schaatsen maar teruggeven aan die mooie jonge

dame. Hans en ik zullen de harddraverij wel niet zien."

En Griete's oogen vulden zich met tranen.

"Huil maar niet, Griete," zeide vrouw Brinker. "Je vader is wel eens

meer zoo ziek geweest."

Griete barstte in tranen uit.

"O moeder, dat is het niet alleen! Gij weet nog niet alles--ik ben

zeer slecht en goddeloos!"

"Jij Griete, jij, die zoo geduldig en zoet zijt? Maar huil zoo hard

niet, kindlief, of je zoudt vader wakker maken."

Griete verborg haar gelaat in den schoot harer moeder en poogde niet

hard te schreien.

Zij legde haar klein, mager bruin handje in de ruwe hand harer

moeder. Kort daarna keek zij op met een vriendelijken, rustigen blik

en zeide met een bevende stem:

"Vader heeft u willen verbranden--ik heb het gezien en hij lachte

er om."

"Zwijg, kind!"

Vrouw Brinker zeide die woorden op zulk een snellen en scherpen toon,

dat Rolf Brinker, levenloos als hij was voor al wat om hem voorviel,

zich zacht op zijn bed bewoog.

Griete sprak geen woord meer, maar plukte treurig aan het brandgat

in haar moeders japon. Gelukkig, dat de japon van wollen stof was!

ZESDE HOOFDSTUK.

WAT DE JONGENS ZOO AL IN HAARLEM ZAGEN.

Verzadigd en verkwikt kwamen onze knapen uit het koffiehuis, waar

zij zich van het noodige voorzien hadden, juist toen de klok twee

uren sloeg.

"Heb je je slaapmuts niet vergeten, grootvader?" riep Lodewijk van

den Helm tot den kapitein, die in gedachten verzonken was over de

treurige historie, welke Hans Brinker hem had medegedeeld, en daardoor

half droomend medeliep.

"Volstrekt niet, Lodewijk," antwoordde Peter, en zich tot de anderen

richtende, commandeerde hij: "Vooruit, jongens! Deze straat in!"

"Zie je dat aardige, roode speldenkussentje daar wel aan die deur

hangen?" vroeg Frits Verdam aan Ben.

"Ik doe het zien. Maar wat is de meening van het?" vroeg de

aangesprokene.

"Wel, dat zal ik je zeggen. Zoo'n ding noemen ze een klopper, en die

beteekent, dat daar een kind geboren is. Is het kussentje geheel en

al effen, zooals dit, dan wil 't zeggen, dat het een jongetje is. Is

er daarentegen een wit papiertje ingeschoven, dan kan men er op aan,

dat er een dochter is geboren."

"Very vreemd!" riep Ben uit, terwijl hij naar den klopper bleef kijken,

die rijk met kant omzoomd was. "En doet gij kennen den oorsprong van

dat gebruik?"

"Ieder Haarlemmer," zeide Frits Verdam, die er bij was gekomen, "zal

u kunnen vertellen, dat dit afstamt van het jaar 1573, toen Haarlem,

na een hardnekkige en moedige verdediging van zeven maanden, zich

eindelijk aan den Spanjaard moest overgeven. De Spaansche bevelhebber,

Frederik van Toledo, zou, naar men zegt, aan de bewoners van elk huis,

waar zich een kraamvrouw bevond, veroorloofd hebben om een lint aan hun

klopper te winden, welk huis daardoor van plundering zou verschoond

blijven. Dat is echter slechts een sprookje: 't is niets anders dan

een gewoonte, die, eenigszins gewijzigd, in geheel Noord-Holland in

zwang is."

"Komt, jongens!" riep nu de kapitein. "Je weet wat de kastelein gezegd

heeft: dat het groote orgel vandaag bespeeld wordt en dat wij daar

naar toe moeten. Verkijkt je tijd dus niet aan wat anders."

"Je hebt deugdelijk gelijk," antwoordde Frits. "'t Is maar jammer,

dat we de damiaatjes ook niet kunnen hooren."

"De damiaatjes, wat zijn zij?" vroeg Benjamin.

"Dat zijn kleine klokjes, die in den toren hangen en elken avond van

halftien tot tien uren geluid worden, 't Is een akelig gerinkinkel,

dat tinge, tinge, tinge. 't Heeft mij wat verveeld, toen ik van den

zomer hier logeerde. Maar de Haarlemmers zijn er zeer grootsch op en

weten u te vertellen, dat de stad die klokjes present heeft gekregen

van Graaf Willem I, die in 1219 Damiate, aan den Nijl gelegen, op

Sultan Saladijn veroverde, bij welke verovering hun voorvaderen zich

zoo dapper moeten hebben gedragen."

"Niet minder dan de Dokkumers," viel Jacob Poot hem in de

rede. "Daarboven heb ik altijd gehoord, dat de tegenwoordige damiaatjes

niet meer die zijn, welke de Haarlemmers van Graaf Willem hebben

gekregen, maar nog overblijfsels van de zilvervloot van Piet Hein."

"Van Piet Hein?" vroeg Ben.

"Een onzer grootste zeehelden, die in 1628 de Spaansche zilvervloot

veroverde en het volgende jaar in een gevecht tegen de Duinkerkers

sneuvelde," zeide Peter van den Helm. "En wat die verovering van

Damiate aangaat, daar hangen nog kleine scheepjes tot gedachtenis

van dat feit in de kerk, die modellen moeten zijn van de bij deze

verovering gebruikte vaartuigen. Over 't geheel zijn de Haarlemmers

zeer trotsch op hun stad en weten u verscheidene bijzonderheden te

vertellen, van welke er eenige slechts op overleveringen berusten."

"Nu, de Haarlemmers hebben wel recht om trotsch op hun stad te zijn,"

meende Lodewijk. "Voor zulk een kleine plaats is zij waarlijk rijk

aan bijzonderheden."

"Ha! wiens beeld is dat?" riep Benjamin uit, toen zij op de Groote

Markt kwamen.

"Dat is het standbeeld van den uitvinder der boekdrukkunst, Laurens

Janszoon Koster, die in 1423 of 1425 deze nuttige kunst voor 't

eerst uitoefende. Behalve dit standbeeld heeft men een gedenkteeken

voor hem in den Hout opgericht, dat echter door leelijkheid uitmunt,

ofschoon de Haarlemmers het fraai noemen om zijn eenvoudigheid."

"Wij Engelschen willen gaarne toegeven u, dat uw Koster heeft uitgevind

drukkunst," zeide Benjamin. "Maar de Duitschers doen betwisten die

eer aan u."

"Zij zeggen, dat Gutenberg de uitvinder was, en hebben hem te Mainz

een metalen standbeeld opgericht," antwoordde Frits. "De Franschen

daarentegen geven die eer aan hun Faust, dien ze te Straatsburg door

een standbeeld vereerd hebben. Doch wij Hollanders houden er onzen

Laurens Janszoon Koster voor, ofschoon 't wel jammer is, dat het eerste

werk, hetwelk hij gedrukt heeft, "de Spiegel onzer behoudenis", van

geen jaartal voorzien is. Kijk, daar, waar dat borstbeeld in den gevel

staat, zegt men, dat zijn huis is geweest. Volgens de overlevering

was hij koster van deze kerk en een aanzienlijk man."

"En wat is dat voor een antiek gebouw?" hernam Ben.

"Dat is het oude stadhuis van Haarlem, thans tot hoofdwacht gebruikt,"

zeide Lodewijk. "Zie maar, daar staat nog het opschrift in den gevel:

"Wanneer de graef hierop het sant,

Syn princenwoning had geplant,

Soo was dit loflick out gesticht,

Tot Haerlems raethuis ingericht."

"Het zand is de tegenwoordige Groote Markt, die toen door een smal

watertje, de Beek genaamd, werd doorsneden en op hetwelk menig tornooi

is gehouden."

"En welk gebouw is dat, met die groote hardsteenen trap?"

"Dat is het tegenwoordige stadhuis," antwoordde Frits, "vroeger

het paleis der graven, in de dertiende eeuw door Graaf Willem II

gesticht. Er zijn mooie schilderijen in, van groote meesters en van

hooge waarde."

Thans traden zij de Groote Kerk in, waar het orgel reeds aan den

gang was.

"Dit orgel," zeide Karel Schimmel, die nu toch ook eens wat vertellen

wilde, "heeft een Europeesche vermaardheid. Het is dertig meters

lang en veertien breed. In 1735 door den Amsterdamschen orgelmaker

Christiaan Muller vervaardigd, munt het door zijn grootte en zijn

rijkdom van tonen boven alle andere uit. Het moet 8000 pijpen hebben,

van welke er sommige zóó dik zijn, dat er wel een man kan doorkruipen,

andere zoo dun als het fluitje aan de zilveren bel van een klein

kind. Er zijn niet minder dan zestig registers op."

"Vooral de vox humana (een nabootsing van de menschelijke stem)

is mooi," zeide Frits. "Maar laat ons intusschen de kerk eens

rondwandelen. Ik ben hier nogal bekend en zal dus maar voor cicerone

[2] spelen."

"Dat is goed," zeiden Lodewijk en Peter.

"Als je 't mij niet kwalijk neemt, ga ik een beetje in die bank

rusten," zeide Jacob Poot. "We hebben nog een heelen tocht te doen

en ik wou me niet graag te veel vermoeien. Daarenboven, ik heb de

St. Bavo [3] al meermalen gezien."

"Hier heb je nu de scheepjes," begon Frits, "opgehangen ter herinnering

aan de verovering van Damiate. Ziet gij op die geelkoperen grafplaat

wel dat roode spijkertje?" vroeg hij een oogenblik later.

"Welnu, wat zou dat?"

"Dat spijkertje wijzen alle oprechte Haarlemmers aan hun jonge kinderen

en vertellen daarbij, dat onder dit graf een kindje begraven is,

hetwelk zijn moeder geslagen heeft, en dat nu tot straf het vingertje,

waarmede het haar heeft aangeraakt, niet is kunnen verrotten, maar

door het koper is heengekomen.--Hier op den muur ziet gij een steen,

aan onzen grootsten dichter, Willem Bilderdijk, gewijd; die twee

afmetingen daar zijn van den grootsten en den kleinsten man, die

Haarlem heeft opgeleverd: den grootsten, langsten, namelijk Cajanus en

den kleinsten, Simon Jane Paap, die echter te Zandvoort geboren was."

"Papa heeft mij wel eens verteld, dat hier in vroeger tijd ook een

Sparenwouder reus rondgewandeld heeft, die Klaas van Kieten heette

en familiaar zijn pijp aan de stadlantaarns aanstak," zeide Peter.

"Ik doe niet recht verstaan dat woord," zeide Ben. "Wat is dat voor

een soort van reus, een Sparrewou?"

"Dat wil zeggen een bewoner van het naburige dorp Sparenwoude, hetwelk

wij in de verte aan onze rechterhand zagen liggen, toen wij over de

vaart reden."

"Die kogel daar in den muur is nog van den tijd van het beleg in

1573," zeide Frits. "De Haarlemmers vertellen u, dat de Spanjaards,

die hun kanonnen op het huis te Kleef geplant hadden, aan een boer

vroegen, waar de preekstoel was, omdat zij dan zoo den dominee konden

doodschieten. De boer wees opzettelijk een pilaar te ver en daardoor

schoten zij mis. Gij begrijpt echter wel, dat het een sprookje is:

het huis te Kleef is veel te ver, om hier te raken. De kogel is

echter wel van den tijd van het beleg, maar tot gedachtenis hier in

den muur gemetseld."

Intusschen bespeelde de organist het orgel, terwijl de knapen,

evenals het Haarlemsche publiek, door de voetpaden wandelden en naar

de muziek luisterden.

't Was een schoon stuk, dat de kunstenaar uitvoerde: een heerlijken

zomermorgen moest het voorstellen, waarbij het orgel zijn liefelijkste

tonen deed hooren, afgewisseld door het gefluit der vogelen en

de zuiverste akkoorden, die vriendelijk door de kerkgewelven

rolden en waarbij de wandelaars als onwillekeurig stilstonden,

om door het geslijfer hunner voetstappen zich zelf en anderen niet

te hinderen. Maar eensklaps veranderde dat tooneel. 't Was of de

stormwind door het kerkgebouw begon te loeien, de vogels zwegen, luider

en luider werd de storm, vreeselijk rommelde de donder en daarbij

hoorde men duidelijk het luiden der noodklok. De knapen hielden hun

adem in en staarden elkander verbaasd aan. Want daar klonken op eens

de stemmen der vox humana, en 't was of duizend angstkreten door de

St. Bavo weergalmden.--Maar--daar ruischt een zacht geluid, als een

stem des engels--de storm bedaart--de liefelijke tonen zwellen als

op de vleugelen der zefirs--de vogelen beginnen weder te zingen en

alles wordt besloten met een psalm van lof en dank, die de harten

tot aanbidden stemt.

Het orgel zweeg--en nog stonden de knapen daar beweging- en

sprakeloos. 't Was alsof zij aan den grond genageld waren. Karel

Schimmel was de eerste, die het stilzwijgen afbrak.

"Hoe lang zul je daar nog staan kijken, kapitein?" vroeg hij, terwijl

hij Peter aanstiet, "'t Wordt hoog tijd, om op te stappen."

"Je hebt gelijk," antwoordde de aangesprokene, terwijl hij op zijn

horloge keek. "Laat ons Jacob dan in het voorbijgaan aanroepen."

De dikke Jacob Poot echter was niet meer op de plaats, waar zij hem

gelaten hadden. De bank, waarin hij was gaan zitten, was hem niet

gemakkelijk genoeg en hij had een andere, meer afgezonderde opgezocht,

waar zijn kameraads hem vonden, in de armen van Morpheus gezonken.

"Slaapkop!" riep Peter, terwijl hij hem wakker schudde. "Hoe kun je

bij zulke heerlijke muziek snurken, Jacob?"

"Algemeen zelfstandig naamwoord, vrouwelijk enkelvoud eersten naamval,"

antwoordde Jacob, die gedroomd had, dat hij op school bezig was aan

het grammaticaal analyseeren.

"Als aangesprokene," voleindigde Peter, "behalve, dat Jacob een eigen

naamwoord en mannelijk is."

Jacob was nu geheel wakker geworden en moest lachen om zijn eigen

dwazen praat.

Benjamin was zóó verrukt over hetgeen hij gehoord had, dat hij niets

kon zeggen dan: "Glorious! Glorious!"

"Ja, Ben," hernam Peter, terwijl zij de kerk verlieten, "'t is

inderdaad heerlijk. Je hebt zeker wel eens gehoord van Händel,

den grooten componist. Nu, die bezocht Haarlem eens en wenschte

natuurlijk het orgel te bespelen. Hij kreeg daartoe vergunning en was

druk aan den gang, toen de gewone organist, die verre van onbekwaam

was in zijn vak, de kerk binnentrad. Zulke muziek had hij nog in zijn

leven niet gehoord. "Wie is daar op het orgel?" riep hij uit. "Als 't

geen engel of duivel is, dan moet het Händel zijn." En toen hij zag,

dat het Händel was, stond hij nog meer verwonderd.

"Hoe heb ik het toch?" vroeg hij, "gij hebt het onmogelijke

gedaan. Tien vingers en twee voeten kunnen de passages niet spelen,

welke gij hebt laten hooren."--"Gij hebt gelijk," gaf Händel bedaard

ten antwoord, "en daarom ben ik tusschenbeide verplicht geweest,

toetsen met de punt van mijn neus in beweging te brengen."--"Je kunt

begrijpen, hoe de organist stond te kijken." [4]

"Dat laat zich hooren," zeide Frits. "Maar waar zullen wij nu heen?"

"Hoort eens, jongens!" hernam Peter. "Wij moeten nu even

raadsvergadering houden omtrent onze verdere plannen."

"Heel goed," antwoordde Karel Schimmel. "Wat is hier nog meer te

kijken?"

"O, heel veel," gaf Frits ten antwoord. "Vooreerst de schilderijen

hier op het stadhuis, ten tweede niet minder dan acht en twintig

liefdadige hofjes, waar oude vrouwen het eind van haar leven rustig

doorbrengen en van welke het Teylers- en Staats-zen-hofje de mooiste,

en zoo ik meen, de rijkste zijn; ten derde, het physisch museum van

Teyler, waar men onder andere zulk een groot electriseermachine vindt,

dat men met één vonk een paling kan doodslaan; ten vierde, het huis

van Jan de Lapper, op het Spaarne bij de melkbrug."

"Jan de Lapper? Wie was dat?"--vroeg Ben.

"Een schoenlapper, die hier in 1652 woonde, en toen het land in nood

was, doordien wij oorlog met uw volk gekregen hadden, ter zee ging

varen en zulk een heldenmoed toonde dat de Staat hem een gouden keten

en 500 gulden vereerde. En toen het land uit den nood was, ging onze

Jan weer even bedaard aan 't schoenflikken als te voren. Later weer in

dienst getreden, stierf hij den heldendood. Een zijner nakomelingen

heeft in het huis, vroeger door den dapperen schoenlapper bewoond,

een blauwen steen met een opschrift doen plaatsen. Ten vijfde kunnen

wij naar Kraantje-Lek gaan en den Blinkert beklimmen, op welken Witte

van Haamstede [5] eens den Hollandschen liebaard plantte en van welks

top wij een heerlijk gezicht over de blauwe Noordzee hebben. Ten

zesde kunnen wij den Hout bezoeken."

"Den Hout? Wat is dat?" vroeg Ben.

"Een fraai bosch, dat met het Haagsche en Alkmaarder waarschijnlijk

één geheel heeft uitgemaakt. Het is in 1822 door den architect Zocher

in den bevalligen toestand gebracht, waarin het nu is. Ten zevende

kunnen wij in dien Hout het monument van Koster gaan kijken, of het

fraaie paviljoen, nog door een landgenoot van u, den bankier Hope,

gebouwd, later door Koning Lodewijk voor drie ton gekocht en, na het

vertrek der Franschen, domeingoed geworden. Er bevindt zich thans

een heerlijk museum van schilderijen; ten achtste...."

"Houd op!" riep Peter. "Als wij alles zouden willen bezien, dan

mochten we nog wel een dag langer hier blijven. Wij zullen ons maar

bepalen tot twee zaken: den Hout en den Blinkert, of Leiden?"

"Leiden!" riepen allen, behalve Ben, die wel lust zou gehad hebben,

om den Blinkert te beklimmen en van daar een kijkje op de zee te nemen.

"'t Is zoo maar 't best ook," zeide Frits Verdam tegen Benjamin. "Want

als je Haarlem op zijn mooist wil zien, dan moet je er in den zomer

komen, wanneer 't een groote bloemtuin is."

"Komt dan, op reis!" riep Peter uit. En men wandelde de Zijlstraat

door, het Zijlhek uit en naar de Leidsche vaart, waar zij hun schaatsen

aanbonden en den tocht naar de stad van Van der Werf aanvingen.

"Jongens! Wie weet er nu wat van Haarlem te vertellen?" zeide

Peter. "Dat kort den weg op."

De zilveren schaatsen · 第 3 / 12 段