gepast geld mee en dan--met moed op het ijs."
"Nu mama zal maar niet in haar schik zijn, als zij hoort, dat
wij zuster Van Gent gaan opzoeken," zeide Lodewijk tegen zijn
broeder. "Maar we moesten naar huis gaan; anders bevriest mijn neus
nog aan mijn aangezicht."
"Koukleum!" riep Karel Schimmel uit.
"Dat dankje den drommel, als je hier zoo stilstaat," zeide
Lodewijk. "Ik heb het tenminste koud gekregen."
"'t Is dan ook buitengemeen koud," merkte Jacob Poot op. "En 't zal
nog wel eenigen tijd aanhouden: want wij hebben wassende maan."
"Des te beter voor onze reis," zeide Frans van Bree.
"Nu, jongens! Tot morgen om acht uren. Goeden nacht."
Met deze woorden stoven zij uit elkander--ieder naar zijn huis met
de blijde gedachte aan de aanstaande pret, die hen nog in den droom
bezighield.
En waar waren Hans en Griete?
Die hadden ongeveer een uur gereden, terwijl zij zich op een afstand
van de anderen hielden en zich met elkanders bijzijn vergenoegden. "O,
hoe heerlijk is toch het denkbeeld, dat wij nu beiden schaatsen
hebben!" riep Griete uit.--Daar hoorden zij iets.
't Was een gil, een akelige gil. Niemand op de vaart had dien gil
opgemerkt; maar Hans voelde er de beteekenis van. Hij werd zoo bleek
als een lijk, deed zoo spoedig hij kon zijn schaatsen af en snelde
naar huis.
"'t Is vader," zeide hij tegen Griete. "Hij heeft moeder doen
schrikken."
En Griete bond ook haar schaatsen los en volgde Hans naar binnen.
"Allen present?" riep Peter van den Helm, toen men zich den volgenden
morgen om acht uren, geheel uitgerust tot den grooten tocht, dien
men wilde ondernemen, op de vaart verzamelde. "Ik zal de namen
oproepen. Ieder antwoorde op zijn beurt en stelle mij het geld ter
hand. Hier zijn vijf gulden voor mij en vijf voor Lodewijk."
Dit zeggende, legde hij een muntje van tien gulden op zijn vlakke
hand en stak dat daarop in zijn portemonnaie.
"Karel Schimmel!"
"Present!" antwoordde deze, terwijl hij den kapitein twee blanke
rijksdaalders ter hand stelde.
"Jacob Poot!"
"Present! Tien gulden voor mij en mijn neef."
"Benjamin Dobbs!"
"Present!"
"Frits Verdam!"
"Present!"
"Gelukkig, dat jij er bent," hernam Peter. "Jij bent zoo'n halve
Engelschman en jij kunt dus onzen vriend Ben wat voorthelpen."
"But ik doe kennen wel een beetje Hollandsch!" riep Benjamin.
"Ferrie koed," hernam Peter. "Lodewijk van den Helm"
"Present!"
"Jij hebt al betaald."
"Frans van Bree!"
Geen antwoord.
"Dat 's jammer. De kleine schelm mag zeker niet mee. Zijn moeder is
vast bang, dat hij kou zal vatten. Nu jongens! Allen klaar! Daar slaat
de klok van Broek acht! Ferm er op los, dan zijn we in een half uur
te Amsterdam! Eén, twee, drie, vooruit!"
En voort ging ons zestal, met oogen schitterend van genoegen.
Binnen het half uur waren zij aan de Nieuwe Stads-Herberg te Amsterdam,
waar zij hun schaatsen afbonden en zoolang ter bewaring gaven aan den
kastelein. Ofschoon de meeste jongens reeds meer van Amsterdam gezien
hadden, had men toch besloten, ter wille van Benjamin de stad eens door
te wandelen en het paleis op den Dam en het museum van schilderijen in
het Trippenhuis te bezichtigen. Daar het voor laatstgenoemd gebouw nog
wat te vroeg was, stapte men de Martelaarsgracht op, den Nieuwendijk
over en bewonderde intusschen de mooie winkels, vooral dien van Sinkel,
Wille en Bahlman.
"O, die moest je 's avonds eens zien bij het electrische licht!" zeide
Peter, die wel eens op dien tijd in Amsterdam was geweest.
"Dat ik kan gelooven," zeide Ben. "But bij ons in Londen daar zijn
still grooter shops!"
"Zoo, ben je wel eens in Londen geweest?" vroeg Lodewijk.
"Certainly. Dat is een groot stad, much grooter dan Amsterdam."
"Daar heb je nu 't paleis," zeide Jacob Poot tot zijn neef. "Vind je
dat geen mooi gebouw?"
"Voor een paleis, neen," antwoordde Ben. "Bij ons in Londen je heb
meer schoone paleizen."
"Dat wil ik wel gelooven," antwoordde Jacob. "Dit huis werd gebouwd
voor een stadhuis."
"Voor een stadhuis? Wat doe je meen?"
"A townhuis," verbeterde Peter, die het Engelsch, zooals wij reeds
gezien hebben, zeer slecht uitsprak. "'t Is gebouwd op 13659 palen,
die alle in den grond geheid zijn."
"Ik doe 't niet begrijpen," antwoordde Ben.
Frits Verdam vertolkte 't hem.
"En als je het paleis zien wilt, dan is daar wel de gelegenheid toe,"
voegde hij er bij. "Ik ken den zoon van den concierge en die heeft mij
al zoo lang uitgenoodigd, om het eens te komen zien. Je moet echter
niet denken, dat je er een machtig mooi ameublement zult vinden. Het
stadhuis werd in den tijd van Koning Lodewijk van Holland voor 't
eerst tot paleis ingericht, en sedert dien tijd geloof ik, dat er
niet veel aan veranderd is, zoodat alles er zeer ouderwetsch uitziet."
"En dat voor een koninklijk paleis!" riep Ben uit.
"Maar de koninklijke familie logeert slechts eenige dagen in het jaar
in de hoofdstad," hernam Frits.
"Is dan bij u het hoofdstad geen residence?" vroeg Ben met verbazing.
"Neen, Ben! En hierop maakt ons land een uitzondering op andere
landen. Londen, Parijs, Brussel, Berlijn, Weenen, Petersburg, Madrid,
ja, zelfs Konstantinopel--alle hoofdsteden in Europa zijn te gelijk
hoofd- en residentiesteden: hier alleen geniet de hoofdstad slechts
een vijftigste gedeelte van het jaar de eer, de vorstelijke residentie
te zijn."
"O, ja, nu ik herinner, The Hague is het residence."
Intusschen was men het gebouw omgegaan en stonden onze vrienden achter
het paleis, vlak tegenover het postkantoor.
"Our postoffice," zeide Frits Verdam.
"Niet zoo groot als dat van Londen," verzekerde Ben. "Dat moest je
eens zien."
't Kostte Frits Verdam niet veel moeite, voor hem en zijn makkers
den toegang tot het paleis te krijgen. Recht veel schik hadden onze
knapen in de groote danszaal met haar mahoniehouten vloer, onder
welken een keurige marmeren ligt, waarin kunstig een aard- en een halve
hemelglobe zijn ingelegd. De zaal zelf is 34 ellen lang, 15.6 el breed
en 28 ellen hoog, zonder dat het dak door een enkelen pilaar wordt
gesteund. Aardig lieten zij zich verschalken door de twee fresco's
boven de deuren der voorzaal, welken men den naam van "grauwtjes"
geeft. Jacob Poot wilde maar niet gelooven, dat zij geschilderd waren,
totdat hij er vlak onder stond en zag, dat het geen beeldhouwwerk was.
Ook het ruime uitzicht op den toren boeide hen allen zeer, en daar het
helder weer was, konden zij met hun jonge oogen den Dom van Utrecht
zien schemeren en ....
"Bless me!" riep Ben uit, toen eensklaps de klok haar negen slagen
begon te brommen.
"Ben je verschrikt?" vroeg Jacob, die nog hijgde van het trappen
klimmen.
"Ik was niet verdacht op het," hernam Ben.
"Dat komt, omdat het speelwerk gerepareerd wordt," zeide Karel
Schimmel. "Anders waarschuwt je dat."
Van het paleis wandelden zij de Kalverstraat door tot op de Botermarkt,
waar zij het standbeeld van Rembrandt van Rhijn beschouwden.
"Dat was een groot schilder," zeide Peter tegen Ben. "Je zult straks
een schilderij van hem op het Trippenhuis zien, dat de Nachtwacht
heet."
Door de Halvemaansteeg gingen zij den Kloveniersburgwal over tot
aan het Trippenhuis, waar zij de heerlijke schilderijen bezagen,
daar ten toon gesteld.
"Er zijn hier, behalve dit museum, nog twee schoone verzamelingen
van schilderijen," zeide Frits Verdam tot Ben, "een museum Van der
Hoop en een museum Fodor, beide door genoemde heeren aan de stad
per legaat vermaakt. Dit is echter het voornaamste en oudste, en,
daar wij geen tijd hebben ze alle drie te bezien, zullen we ons met
het bekijken van dit vergenoegen."
"Kijk eens hier, Ben," zeide Peter. "Dit kleine stukje, de Avondschool
van Gerard Dou, is in het jaar 1808 te Rotterdam voor f17.500
verkocht."
"Ontzaglijk!" riepen verscheidene jongens te gelijk uit.
Toen onze knapen genoeg naar hun zin van het museum hadden gezien,
begaven zij zich terug naar de Nieuwe Stads-Herberg, waar zij zich de
schaatsen weder onderbonden en het IJ opreden tot aan halfweg Haarlem,
alwaar zij den dijk overklommen om langs de trekvaart hun weg naar
de Spaarnestad te vervolgen.
Juist toen zij eenige oogenblikken op die vaart waren, kwam de
spoortrein van Amsterdam aanrijden.
"Wie van ons kan de locomotief bijhouden?" riep Peter.
Allen beproefden het; doch spoedig zagen zij de vruchteloosheid hunner
pogingen in. Zij reden dus wat meer op hun gemak.
"Vertel Ben wat van de tulpen, Frits," zeide Peter.
"Van de tulips?" vraagde Ben. "O, ja, Haarlem is het groot kweekplaats
van tulips. Men zendt every year duizend to England."
"Juist," antwoordde Frits. "En daar is een tijd geweest, 't was in
1632, dat hier te lande een dwaze handel in tulpen werd gedreven. Men
had menschen, die er zóóveel goud voor betaalden als zij op de
schaal wogen."
"De menschen?" vroeg Ben.
"Wel neen, de tulpen. De eerste kwam hier uit Konstantinopel, omtrent
het jaar 1560. Men vond die zoo mooi, dat de rijken kooplieden naar
Turkije zonden om er meer te halen. Langzamerhand werd de liefhebberij
in tulpen een ware woede. Enkele bollen werden voor drie à vier
duizend gulden verkocht; één bol zelfs, de Semper Augustus, bracht
vijf duizend vijfhonderd gulden op."
"Nu, dat is geld genoeg," vond Jacob Poot. "Ik heb mij wel eens
laten vertellen, dat de kerk te Sassenheim van de opbrengst van twee
tulpebollen gebouwd is."
"Ik herinner," zeide Ben in zijn gebroken Hollandsch, "dat ik een
duizend six honderd en dertig six een Maniabol is verkocht geweest
voor seventy pound, d.i. achthonderd veertig guldens."
"'t Moet een rare tijd zijn geweest," merkte Lodewijk van den
Helm aan. "Iedereen speculeerde in tulpen: de rijke koopman en de
voddenraper, de echtgenoote van den Burgemeester en haar waschvrouw,
de molenaar en de schoorsteenveger. Land, vee, juweelen, niets was te
goed om tulpen voor te koopen. Eindelijk bemoeiden de Staten-Generaal
er zich mede. Nu begonnen de prijzen te dalen. Duizenden werden in
weinige dagen doodarm."
"Maar, jelui Hollanders doet nog beminnen de tulips very much,"
zeide Ben, "zooals ik heb gehoord."
"Zeker. Geen tuin, of wij moeten er tulpen in hebben," zeide Karel
Schimmel. "Maar heb je de historie wel eens gehoord van dien matroos?"
"Vertel ons die," riepen allen.
"Wel, een matroos, die niet wist van den tulpenhandel, was met zijn
schip te Amsterdam aangekomen en had een boodschap aan een der heeren
van de Oostindische Compagnie te doen. Toen hij daar kwam, was er
niemand op het kantoor; maar mijnheer zou dadelijk bij hem komen,
zeide de dienstmaagd. Nu lag daar een tulpebol van groote waarde op
den lessenaar. De matroos, meenende dat het een ui was, nam dien op,
rook er aan en zeide: die is zeker voos. Daarop nam hij zijn mes,
sneed den bol door, proefde er van en spoog hem uit, zeggende:
"Gemeene uien!" Denk eens, hoe raar de eigenaar van den bol opkeek,
toen hij dien vernield vond."
"Dat ik wil geloof willingly," zeide Ben. "But onze Mr. Mackay
verhaalt still een ander historie, dat ik wil u mededeelen, als gij
kunt mij understand. Een Englisch botanist kwam in een trekkas van een
rich Hollander, waar hij zag een tulp van groot value. Niet weting
zijn prijs, hij nam uit zijn pennemes en snijding het bol in twee,
hij wilde dat examineer. Eensklaps de eigenaar entered en vroeg hem,
of hij wist, wat hij deed? Ik schil een meest buitengewoon ajuin,
hij antwoordde. Maar bij hemel, 't is een admiraal Van der Eyk. Dank
je, hernam de botanist, en schreef het naam in zijn zakboekje; zeg,
zijn ze zeer gewoon in jouw country? Maar voor den duivel! riep uit
de Hollander, komt voor schout en schepens en dan zult je zien. Tot
zijn verdriet werd de arme man geplaatst in gevangenis en niet gelaten
los, vóór hij had gesteld borgen, tot schadevergoeding van de vier
duizend guldens."
Zoo pratende, waren zij in het gezicht van Haarlem gekomen, en de
jongens voelden nog niet, dat zij schaatsen hadden gereden. Van den
jongsten, Lodewijk van den Helm, die eerst veertien jaar oud was,
tot den oudsten, die geen ander persoon was dan de kapitein zelf en
naar de zeventien liep, waren ze allen zoo moedig en ferm als jonge
arenden. Alleen de dikke Jacob Poot hijgde wat naar zijn adem en zag
met welgevallen naar den toren van het oude Haarlem, bij het denkbeeld,
dat hij nu eens een paar uurtjes rusten kon. Iedere jongen had, bij
het van-huis-gaan, een paar broodjes meegenomen en die broodjes waren
reddeloos achter de kiezen der schaatsenrijders verdwenen. Maar zulk
een inspanning bij zulk koud weder had de jonge magen hongerig gemaakt,
en met een luid hoezee begroetten zij de grijze wallen van Haarlem,
waar zij zich aan een stevig ontbijt te goed hoopten te doen.
"Sakkerloot! Ik heb een honger als een paard!" riep Frits Verdam uit.
"Ik val haast flauw, zoo jeukt mijn maag," voegde Jacob Poot er bij.
"Nu jongens," zeide de kapitein. "Dan is 't goed, dat we straks voet
aan vasten wal zetten. Wij rijden nu het Buitenspaarne over, dan het
Binnenspaarne langs, daar binden we onze schaatsen af en willen een
frisch ontbijt bestellen, zoo'n Engelschen luncheon, hé, Ben!"
En dit zeggende, tastte hij in den zak, om met het geld der
Compagnieschap te rammelen, toen hij eensklaps zoo bleek werd als een
doek. Met beide handen klopte hij op zijn broekzakken, op zijn borst;
maar 't scheen, dat hem die manoeuvre niet baatte.
"Wat scheelt je, Piet?" vroeg Lodewijk.
"Hij is ziek," meende Ben.
"Neen, hij heeft wat verloren," verzekerde Lodewijk.
"Ik ben mijn portemonnaie met al ons geld kwijt!" riep Peter wanhopig
uit.
"Dat komt er van, als één al het geld heeft," zeide Karel, mooi
knorrig. "Voel nog eens in je anderen zak."
Peter voelde en voelde alweer; maar hoe hij zocht of niet zocht,
hij kon de verloren portemonnaie niet vinden.
"'t Is weg, jongens!" riep hij met bitter verdriet uit. "Had ik het
maar alles in zilvergeld meegenomen, dan zou ik 't wel gemerkt hebben,
toen ik het verloor. Nu kan je geen ontbijt, geen diner hebben! Wat
nu te doen? 't Best zal wezen, dat ik naar Amsterdam terugrijd; daar
ken ik wel menschen, die mij zooveel kunnen leenen als ik noodig
heb. Maar in dien tijd vallen we allen flauw van den honger."
"'t Is wat te zeggen," riep Karel Schimmel uit. "Hoe kun je ook zoo
dom zijn, Piet!"
"Ja, of je daar nu al over maalt, dat helpt niemendal," hernam
Peter van den Helm. "Je zult er geen van allen een cent bij te kort
komen. Maar 't malst is, dat je dit op 't oogenblik niet helpt. Is er
niemand onder jelui, die hier in Haarlem iemand kent, die ons dertig
gulden zou willen leenen?"
Ieder van de jongens zag vijf verlegen gezichten.
"Ik ken in Haarlem wel een paar menschen, die rijk zijn," zeide Karel
Schimmel: "maar vader zou ongenadig boos zijn, als ik een cent van
hen durfde leenen."
"'t Is jammer, dat Frans van Bree niet hier is," zeide Jacob Poot
zuchtend. "Die zou wel raad weten."
"Hij was misschien een beter kapitein geweest dan ik," zuchtte
Peter. "Maar hoe nu?"
"Als je je gouden horloge eens verkocht, Piet," zeide Karel
Schimmel. "Daar zal je geld genoeg voor krijgen."
"Ik dank je," antwoordde Peter. "Dat kan ik niet doen. Mijn horloge
verkoopen, dat ik van mijn vader op mijn verjaardag heb gekregen? Dat
nooit! Dan verkoop ik liever mijn jas."
"Kom, kom, spreek niet van verkoopen," zeide Jacob Poot. "We hebben
nog wel zooveel klein geld op zak, om bij een bakker een paar broodjes
te koopen; daarmee stillen we onzen honger, dan rijden we naar Broek
terug en stellen den verderen tocht tot morgen uit."
"Jij hebt goed praten," bromde Karel. "Je zult wel weer tien gulden
krijgen, maar mijn vader is zoo scheutig niet. 't Zal bij mij wel
thuis blijven zijn."
"Ik heb je immers al gezegd, dat je er geen cent aan zult te kort
komen," hernam Peter. "Ik heb thuis nog wel tweemaal dertig gulden
in mijn spaarpot."
"En dan, na al het pleizier, dat wij ons voorgesteld hebben, met
hangende pootjes terug te komen," zeide Karel knorrig. "'t Is een
mooie pret."
"Komt, jongens!" riep Peter, "'t Geval ligt er nu toe en gedane zaken
hebben geen keer. Ik heb een goed plan."
"En dat is?" riepen allen te gelijk.
"Om ons mannelijk te houden en met een vroolijk gezicht huiswaarts
te keeren."
"Leve de kapitein!" riepen de jongens, behalve Karel, die in zich
zelf bromde van: "stommiteit, belabberd," enz.
"Kom dan, met nieuwen moed! Eén, twee, drie, voorwaarts!"
En, met even vroolijke gezichten als de knapen Haarlem begroet hadden,
verlieten zij de stad van Laurens Koster.
VIJFDE HOOFDSTUK.
ONGELUKKEN IN DE HUT VAN ROLF BRINKER.
"Voor den drommel!" riep Karel toornig uit, toen zij een twintig
ellen waren voortgereden. "Daar heb je dien voddenraper ook al met
zijn houten schaatsen en zijn gelapte broek. Die ellendige knaap is
overal, 'k wou de drommel hem haalde! Er ontbreekt nu nog maar aan,"
zeide hij tegen Jacob Poot, die bij hem reed, "dat onze kapitein ons
laat stilhouden, om hem de hand te geven."
"Dat zou wel kunnen gebeuren, Karel," riep Peter, die de laatste
opmerking gehoord had. "Maar je behoeft er niet bang voor te zijn,
man; want ik zie den armen knaap nergens."
"De blindheid komt het eerst aan de oogen," merkte Jacob op. "Kijk dan,
daar ginds komt hij aan!"
"Inderdaad, je hebt gelijk," hernam Peter. "Hij is 't. Maar wat scheelt
hem. Hij ziet doodsbleek. Zijn lippen zijn op elkander geklemd."
Op 't oogenblik, dat Hans hem wilde voorbijrijden, want hij had hem
niet gezien, riep Peter:
"Dag, Hans Brinker! Wou je mij zoo voorbijgaan?"
"Jongeheer Van den Helm!" riep Hans uit, terwijl een blos van vreugde
zijn gelaat verhelderde. "Hoe gelukkig, dat ik u ontmoet!"
"Wat een onbeschaamde vlegel!" mompelde Karel tegen Jacob.
"En ik ben blij, dat ik jou zie, Hans," antwoordde de kapitein. "Maar
wat scheelt je? Kan ik je van dienst zijn?"
"Ach, jongeheer! Er is zooveel gebeurd," zeide Hans. "Maar kunt u
mij niet helpen, ik kan u wel van dienst zijn?"
"Jij?" riep Peter uit.
"Ja, jongeheer! Door u dit te geven."
Dit zeggende, haalde Hans de verloren portemonnaie uit den zak en
reikte ze Peter over.
"Hoezee! hoezee!" riepen de jongens, toen zij den verloren schat
terugzagen. Maar Peter drukte Hans de hand en zeide met bewogen stem:
"Hartelijk dank, goede Hans Brinker!"
En dat "goede Hans Brinker" en die handdruk deden den armen knaap goed.
"Hoe wist je, dat het mijn portemonnaie was?" vroeg Peter verder.
"Gij hebt mij uit die zelfde portemonnaie het geld betaald voor den
withouten ketting, dien ik voor uw zuster gemaakt had, op voorwaarde,
dat ik er schaatsen voor zou koopen. Ik herkende ze dadelijk."
"En waar heb je ze gevonden?"
"Niet ver van ons huis."
"Ja, nu herinner ik 't mij. Ik heb ze zeker verloren, toen ik mijn
zakdoek uit den zak haalde. Je redt ons uit groote verlegenheid, Hans,"
vervolgde hij, terwijl hij de portemonnaie opendeed. "We zullen het
geld deelen."
"In 't geheel niet, jongeheer!" antwoordde Hans, terwijl hij de hand
terugtrok. Peter deed de portemonnaie weder toe, terwijl hij mompelde:
"Die jongen bevalt mij al is hij nog zoo arm. "Maar," vervolgde hij,
"wat scheelt je, Hans?"
"Ach, jongeheer," antwoordde Hans. "'t Is een treurig geval. Maar
ik heb mij hier reeds te lang opgehouden. Ik ben op weg naar Leiden,
om dokter Broekman op te zoeken.
"Dokter Broekman!" riep Peter verbaasd uit.
"Ja, jongeheer, en ik heb geen oogenblik te verliezen. Goeden dag!"
"Wacht een oogenblik! Ik ga naar Leiden. Komt, jongens! we zullen
naar Haarlem terugkeeren."
"Uitmuntend!" riepen de jongens vroolijk uit, en zij keerden zich om
en reden weder naar de Spaarnestad.
"Welnu," zeide Peter, terwijl hij naast Hans ging rijden, beiden
zóó netjes en zóó licht, dat men haast niet kon zien, dat zij zich
voortbewogen. "Wij zullen van nacht te Leiden logeeren, en als je
slechts een boodschap aan dokter Broekman hebt, kan ik die wel voor
je doen. En mochten de jongens te moede zijn, om het nog vandaag tot
Leiden te brengen, dan beloof ik je, dat ik hem toch morgenochtend
vroeg zal opzoeken."
"O, jongeheer! Daar zoudt u mij een grooten dienst mee bewijzen. 't
Is niet om het eind, maar alleen omdat ik bang ben, moeder zoo lang
alleen te laten."
"Is zij dan ziek?"
"Neen, jongeheer! Maar 't is erger met vader. U zult wel gehoord
hebben, hoe vader sinds jaar en dag niet goed is. Dat is al sedert
dien zwaren storm, toen hij van den dijk is gestort en door een val
op zijn achterhoofd zijn verstand is kwijtgeraakt. Maar zijn lichaam
is nog sterk. Nu lag moeder gisteravond voor den haard geknield,
om het vuur wat op te rakelen: want hij ziet het zoo graag ferm
branden. Eensklaps springt vader op haar af, en, eer zij in staat
is zich te bewegen, houdt hij haar met een reusachtige hand vast,
terwijl hij niets deed dan lachen en het hoofd schudden. Wij waren
juist aan het schaatsenrijden op de vaart, toen ik moeder hoorde
gillen. Ik liep zoo snel ik kon huiswaarts en zag daar een vreeselijk
tooneel. Vader hield moeder vast en wilde haar niet loslaten. Haar
goed rookte al en was op 't punt in vlam te raken, en als dat gebeurd
ware, was mijn arme moeder verloren. Ik trachtte het vuur te blusschen,
maar hij duwde mij met zijn eene hand terug, terwijl hij moeder met de
andere vasthield. Er was op 't oogenblik geen water in de hut. Ik was
wanhopig, terwijl vader al dien tijd lachte--o, zulk een ijselijken
lach, niet luid, maar akelig. Ik poogde moeder weg te trekken; maar
hij hield haar te sterk vast. Toen nam ik een stoel op en sloeg er
vader mee; maar hij stiet mij van zich af. Wat er verder gebeurd is,
kan ik mij niet herinneren. Ik zag moeders rok in vlam en--later, toen
ik uit mijn bezwijming ontwaakte, lag ik in een hoek van het vertrek,
waar vader mij had geworpen; vader zat weer op zijn plaats met een bord
met eten vóór zich en moeder knielde bij mij neder. Griete heeft mij
later verteld, hoe 't gegaan was. Vader had mij met reuzenkracht tegen
een kast geworpen en bleef altijd moeder bij het vuur houden. Nog tien
tellens en onze arme moeder ware verloren geweest. Daar schoot Griete
een denkbeeld in. Snel liep zij naar de kast, waarbij ik lag, haalde
er een bord met eten uit en liet het vader zien. Als een klein kind
liet hij moeder los en kroop naar zijn stoel. Gelukkig had moeder
zich niet gebrand. Maar vader was afgemat door de buitengewone
inspanning. Den geheelen nacht heeft hij in een brandende koorts
gelegen en heeft moeder voor zijn bed gezeten en hem opgepast. Hij
sliep vast en snurkte akelig, terwijl hij tusschenbeide zijn hand
tegen zijn hoofd drukte. Moeder zegt, dat hij dat vroeger meer deed,
alsof hij daar pijn voelde. Ach, jongeheer, ik had u dat alles liever
niet verteld! Toen vader nog bij zijn verstand was, zou hij geen dier
kwaad gedaan hebben...."
Beiden zwegen eenige oogenblikken stil.
"'t Is vreeselijk!" riep Peter uit. "En hoe is je vader vandaag?"
"Doodziek, jongeheer!"
"Maar waarom ga je naar dokter Broekman, Hans? Daar zijn dokters
genoeg in Amsterdam, die hem misschien even goed konden helpen. Dokter
Broekman is een beroemd man, die slechts bij de rijken praktiseert,
en dan gebeurt het nog dikwijls, dat hij geen tijd heeft om hen
te helpen."
"Dokter Broekman heeft mij gisteren beloofd, dat hij vader binnen
acht dagen zou komen bezoeken. Maar nu die verandering is gekomen,
kan het niet wachten, anders sterft mijn arme vader. O, jongeheer,
vraag hem toch, of hij niet de geheele week wil wegblijven, want dat
vader op sterven ligt! Hij is zoo'n vriendelijk man!"
"Vriendelijk!" zeide Peter lachend. "Er is geen grooter brompot in
het gansche land."
"Dat schijnt maar zoo, jongeheer! En dat komt, omdat hij altijd zooveel
aan zijn hoofd heeft. Maar hij heeft een goed hart, dat weet ik. Vertel
hem, als 't u belieft, wat ik u verteld heb en ik ben er zeker van,
dat hij komen zal."
"Ik mag 't hopen, Hans, om jouwentwil. Maar ik zie, dat je haast
hebt om naar huis te keeren. Beloof me, dat je, als je iemand noodig
hebt, naar mijn moeder te Broek zult gaan. Zeg haar, dat ik 't je heb
gezegd. En Hans, neem deze guldens aan, niet als belooning, maar als
een geschenk."
Hans schudde vastberaden het hoofd.
"Neen, jongeheer, dat kan ik niet aannemen," antwoordde hij. "Als
ik werk kon vinden in Broek of ergens op een molen, zou ik gelukkig
zijn. Maar overal, waar ik kom, is het dezelfde historie: "wacht tot
het voorjaar."