DE ZILVEREN SCHAATSEN
NAVERTELD DOOR
P. J. ANDRIESSEN
GEÏLLUSTREERD DOOR
JOH. BRAAKENSIEK EN J. SLUYTERS
TIENDE DRUK
A. W. SIJTHOFF'S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ--LEIDEN
INHOUD.
EERSTE HOOFDSTUK. Bladz.
Waarin verhaald wordt, hoe men, ook zonder schaatsen, toch het
ijsvermaak genieten kan 1
TWEEDE HOOFDSTUK.
Waarin wij verscheidene nieuwe kennissen ontmoeten 9
DERDE HOOFDSTUK.
Hoe een paar schaatsen en een dokter in één hoofdstuk kunnen
vereenigd worden 15
VIERDE HOOFDSTUK.
Hoe echt Hollandsche jongens zich goed houden onder tegenspoed 22
VIJFDE HOOFDSTUK.
Ongelukken in de hut van Rolf Brinker 35
ZESDE HOOFDSTUK.
Wat de jongens zoo al in Haarlem zagen 45
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Hoe goed het kan zijn, als men in een kouden winternacht zonder
dek ligt 57
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Wat onze knapen al zoo in Leiden zagen 74
NEGENDE HOOFDSTUK.
Hoe onze reizigers in den Haag ontvangen werden 83
TIENDE HOOFDSTUK.
De gevaarlijke operatie 96
ELFDE HOOFDSTUK.
De verborgen schat 106
TWAALFDE HOOFDSTUK.
De toovergodin 118
DERTIENDE HOOFDSTUK.
Het geheimzinnige horloge 128
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
De hardrijderij 142
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Wat de zilveren schaatsen al uitwerken 152
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
Besluit 163
VOORBERICHT.
Toen de geachte Uitgever mij eenige jaren geleden dit boek ter hand
stelde, om daarover een oordeel te vellen, beviel het mij zoodanig,
dat ik er volgaarne in toestemde, het voor de Nederlandsche jeugd om
te werken. Ik zeg omwerken, want er is van het oorspronkelijke weinig
meer overgebleven dan het geraamte. Had ik het boek van Mary Mapes
Dodge vertaald, ik zou tal van dwaasheden hebben moeten debiteeren,
waarvoor mijn jeugdige lezeressen en lezers mij zeker op de vingers
zouden hebben getikt en die men in den vreemde voor goede munt
opneemt, daar men 't natuurlijk niet beter weet. En toch is er veel in,
waardoor de Schrijfster haar landgenooten met vrij wat bijzonderheden
van ons land en ons volk bekendmaakt. Ik twijfel er ook geenszins aan,
of deze zilveren schaatsen zullen mijn jongen vriendinnen en vrienden
wèl bevallen. Het werk kan hun tot een aangename afwisseling strekken
van de meer ernstige lectuur mijner historische verhalen.
Dat dit boek in zoo betrekkelijk korten tijd telken male herdrukt moest
worden, heeft mij niet verwonderd. De goede manier van uitgeven, het
echt nationale, dat er in het schaatsenrijden is, en de vriendelijke
inhoud van het verhaal stonden mij daarvoor borg.
P. J. Andriessen.
EERSTE HOOFDSTUK.
WAARIN VERHAALD WORDT, HOE MEN, OOK ZONDER SCHAATSEN, TOCH HET
IJSVERMAAK GENIETEN KAN.
Wanneer gij, mijn lieve lezeressen en lezers, eenige jaren geleden
op een helderen December-ochtend de vaart van 't Schouw naar het
Noordhollandsche dorp Broek waart opgewandeld, dan zoudt gij aan den
kant van het bevroren water twee dun gekleede kinderen op hun knieën
hebben zien liggen.
't Was heel vroeg in den morgen: de zon was zooeven eerst opgegaan en
de horizon zag rood door den nevel, die nog moest optrekken voor den
gloed van haar stralen. De meeste bewoners van Broek en zijn omtrek
waren nog warm in het dons hunner bedden gedoken en schrikten er
voor om uit de veeren te komen: want het was aardig koud en had dien
nacht geducht gevroren. Slechts een enkele boer of boerin, die naar de
stad ging, of een werkman, die wat ver van huis op karwei moest zijn,
reed op de gladde spiegelvlakte en wierp een vriendelijken blik op het
tweetal, dat daar aan den kant geknield lag en zich bezighield met iets
aan te binden, hetwelk schaatsen moesten verbeelden en dat bestond
uit stukken hard hout, die naar onderen spits toeliepen en waarin
gaten waren geboord, om ze met touwen aan de voeten te bevestigen.
Die schaatsen waren het fabrikaat van Hans, den oudste der twee: want
zijn moeder was een arme boerenvrouw, die geen schaatsen bekostigen
kon; en daarom had onze knaap, die zeer behendig in het snijden van
hout was, er een paar voor zich en zijn zuster Griete vervaardigd, op
welke zij reeds menig gelukkig uurtje op het ijs hadden gesleten. Met
hun van de kou roode vingers trokken zij aan de touwen, terwijl hun
gezichten zoo ernstig stonden, als moesten zij zich het beste paar
Friesche schaatsen aanbinden.
"Kom, Griete," zei Hans, toen hij opstond en een prachtige streek op
de vaart maakte, niet zonder beide armen geducht te bewegen.
"Ach, Hans!" riep Griete op verdrietigen toon. "De touwen hebben
mij gisteren zoo geducht gekneld, en nu kan ik ze niet op dezelfde
plaats velen."
"Bind ze dan wat hooger," gaf Hans ten antwoord, terwijl hij op zijn
manier een sierlijken zwaai maakte.
"Dat kan ik niet doen: want het touw is te kort."
Hans had toch deernis met zijn zusje en reed naar haar toe.
"Waarom heb je ook die dunne schoenen aan je voeten, malle meid?" zeide
hij. "Wie trekt zulk dun schoeisel aan, als hij er dikker heeft? Had
dan liever je klompen aangehouden."
"Maar, Hans! Weet je dan niet, dat vader mijn beste schoenen in 't
vuur heeft gegooid? Eer ik nog wist, wat hij gedaan had, waren ze al
heelemaal omgekruld en bedorven. Met die schoenen kon ik wel rijden,
maar niet met mijn klompen."
Hans had intusschen een touw uit zijn zak gehaald en knielde voor
Griete, terwijl hij zijn best deed om haar schaats vast te maken.
"O, je doet me zeer!" riep zij uit.
Hans werd bijna boos, maar hij zag een traan in Griete's oog en
bedwong zijn toorn. Integendeel hernam hij op vriendelijken toon:
"Ik kan 't niet helpen, Griete. Maar ik moet de schaats toch
vastmaken. En je weet zelf, dat we weinig tijd hebben: want moeder
zal ons wel gauw roepen."
Hierop keek hij rond of hij niets zag, waarmede hij zijn zuster kon
helpen, bedacht zich even, nam zijn pet af, haalde uit de gescheurde
voering een dotje watten, legde dat op de plaats, waar hij het touw
moest binden, en bond toen de schaats vast, zoo schielijk als hij
't met zijn van kou verstijfde vingers doen kon.
"Kijk, nu zal 't je geen pijn meer doen, Griete," zeide hij, "want
nu zal je wel eenige drukking kunnen velen."
Griete beet zich op de lippen, als wilde zij zeggen: "'t doet mij
toch nog zeer," maar zij zweeg en liet hem begaan.
Eenige oogenblikken later reden zij lachend en vroolijk, hand aan hand
over de vaart, zonder zich er over te bekommeren, of hun schaatsen
al dan niet met ijzer beslagen waren. Maar eensklaps begonnen de
schaatsen van Hans een raar soort van geluid te geven, zijn streken
werden al korter en korter, flap! daar lag hij zoo lang als hij was
op het ijs te spartelen.
"Ha, ha," riep Griete lachend. "Daar ben je mooi te land gekomen." Maar
even snel kwam het liefderijke zusterhart weer boven, en met een
fikschen omzwaai stond zij, ofschoon nog altijd lachend, vóór haar
gevallen broeder.
"Je hebt je toch niet bezeerd, Hans?" vroeg zij medelijdend. "O, je
lacht. Dan is 't niets." En terwijl zij weer voortreed met wangen,
gloeiend van de warmte, die de beweging haar had gegeven, en oogen,
schitterend van genoegen, riep zij: "Hans je kunt mij niet krijgen!"
Hans sprong weer op de beenen, maar 't was geen gemakkelijke zaak om
Griete in te halen: want zij was hem reeds een heel eind vooruit. Toch
was zij nog niet ver, toen zij voelde, dat ook haar schaatsen begonnen
te krassen. Daar zij nu de eer aan zich wilde houden, keerde zij zich
om en reed haar vervolger in de armen.
"Gevangen!" riep Hans, terwijl hij haar stevig in zijn armen pakte.
"Ik heb jou gevangen," antwoordde Griete, die poogde zich uit zijn
armen los te maken.
Juist op dit oogenblik klonk er een luide stem over de vaart:
"Hans! Griete!"
"Moeder roept ons," zeide Hans, terwijl hij zijn zusje losliet.
Op dat oogenblik werd de vaart door de nu geheel en al opgekomen
zon beschenen en begonnen er al meer schaatsenrijders te komen. 't
Was een hard gelag, om nu juist te moeten uitscheiden. Maar Hans en
Griete waren gehoorzame kinderen. Terstond bonden zij hun schaatsen af
en lieten de vaart aan de liefhebbers over. Statig liep Hans met zijn
breede schouders en zijn weerbarstig blond haar naast zijn blauwoogige
zuster voort, terwijl zij huiswaarts togen. Hij was vijftien en
Griete twaalf jaar. Hij was een stevige, vriendelijke jongen met een
hart van goud en een paar oogen, die hij nooit neersloeg, als hij u
aankeek. Griete was een klein, tenger ding, met een paar levendige
blauwe oogen, die u zoo vriendelijk konden aankijken, en zulk een
lief gezichtje, dat gij, als gij haar aanzaagt, heur armoedig en
verschoten gewaad schier vergeten zoudt hebben.
Toen de kinderen thuis kwamen, was moeder Brinker weer binnen en zat
hun vader bij het vlammende vuur. Die vader was in vroegeren tijd een
stevig werkman geweest, die voor vrouw en kinderen een eerlijk stuk
brood verdiende. Maar jaren geleden, toen er midden in den nacht gevaar
voor overstrooming was en de man zich aan het werk had bevonden aan
den dijk, die dreigde te bezwijken, was hij gevallen, en bewusteloos
thuis gebracht. Sedert dat oogenblik had hij niet meer gewerkt, en,
ofschoon hij nog leefde, waren zijn verstand en geheugen weg.
Griete kende hem niet anders dan als "den zonderlingen, stillen man",
wiens oogen haar volgden, waar zij ook ging; maar Hans herinnerde
zich nog een hartelijken, vroolijken vader, die hem zoo pleizierig
op zijn schouder kon dragen en die zoo mooi kon zingen, als hij
's avonds wakker lag en naar hem luisterde.
De arme vrouw Brinker had sedert dien tijd hard gewerkt. Zij toch
moest den kost verdienen voor haar zelf, haar hulpeloozen man en haar
niet minder hulpelooze kinderen. Met spinnen en breien trachtte zij
daarin te voorzien, zelfs had zij zich tusschenbeide verhuurd, om
in het zeel te loopen voor een schuit; maar sedert Hans sterk genoeg
was geworden, had hij haar plaats vervuld. En het was ook wel noodig,
dat vrouw Brinker thuis bleef: want, hoe hulpbehoevend Brinker ook was,
hoewel hij niet meer verstand bezat dan een kind van drie of vier jaar,
had hij toch de kracht van een man, en het kostte der arme vrouw vrij
wat moeite, om hem in bedwang te houden.
"Ach, kinderen," zeide zij somtijds, "hij was zoo goed en zoo
verstandig! Zoo knap als een advocaat! Zou je wel willen gelooven,
dat de burgemeester hem soms staande hield, om hem het een of ander te
vragen. En nu, ach, lieve Hemel! nu kent hij zijn vrouw en kinderen
niet meer! Jij kunt je uw vader nog wel voorstellen, niet waar,
Hans, toen hij nog de goede Rolf Brinker was, hè? Wat een ferm,
knap man! Weet je 't nog wel?"
"Ja, moeder," antwoordde Hans. "En wat wist hij alles, en wat kon
hij mooi zingen! Ik weet het nog best, hoe gij wel eens zeidet,
dat hij door zijn stem alleen al de windmolens aan het draaien zou
hebben gemaakt."
"Ja, dat heb ik dikwerf gezegd. Wat die jongen toch een geheugen
heeft! Griete, kindlief, neem je vader die breinaald af, anders steekt
hij er mee in zijn oog. Doe hem zijn slof aan, want zijn voeten zijn
zoo koud als ijs, en ik kan ze niet warm houden," en dan liet vrouw
Brinker haar spinnewiel weer snorren, als gaf dat geluid afleiding
aan haar smart.
Hans en Griete deden al wat zij konden, om hun arme moeder in haar
zware taak te ondersteunen. Waar het lieve kind in het huishouden
hielp en den kleinen moestuin bebouwde, die bij het huisje lag,
waar zij reeds menig paar sokken breide en al de boodschappen deed,
die er noodig waren, verdiende Hans geld met het jagen der paarden
voor de pakschuiten en kleine vrachtschepen, die door de vaart kwamen;
ook was hij vrij bekwaam in het houtsnijden, in hetwelk hij, als men
de slechte werktuigen, welke hij bezat, en het volslagen gemis aan
onderricht daarbij in aanmerking neemt, al een heel aardige hoogte
bereikt had. En niet alleen in deze werktuigelijke kunst muntte Hans
uit. Ook op de school kon geen enkele hem bijhouden. Hoe hard hij soms
moest blokken, eer hij iets wist, hij rustte niet, vóór hij het onder
de knie had, en menigeen, die zijn neus optrok voor zijn armoedige
plunje en zijn gelapte broek, moest voor hem de vlag strijken en
aan den jongen uit de hut de hoogste plaats afstaan. Jammer genoeg,
dat hij nu sedert een jaar niet meer had kunnen schoolgaan, daar,
bij de verergering van Brinker's toestand, de behoeften van het gezin
waren toegenomen en Hans geld moest verdienen om in die behoeften te
voorzien. Griete was zoo vlug niet in het leeren. Als 't op zingen
aankwam, kon zeker niemand haar overtreffen, en als zij een liedje
tweemaal hoorde, zong zij het zonder fout; maar--boeken waren haar
een gruwel, het schoolbord een verdriet en de school zelf een soort
van gevangenis, die zij met looden schoenen betrad. Des te meer
jammer voor het lieve kind, dat moeder ook haar moest thuis houden:
want wat moest er van haar worden, als zij op lateren leeftijd niet
zou kunnen lezen of schrijven?
Terwijl onze beide kinderen druk bezig waren, hun moeder binnenshuis
te helpen, kwam er een vroolijke hoop meisjes en jongens over de
vaart rijden. Daar waren goede rijdsters en rijders onder, en als
men hen in hun bonte kleeding op een afstand zag komen aanrijden,
dan zou men zich verbeeld hebben, dat het ijs eensklaps gesmolten
was en er een veelkleurig bed met tulpen op den stroom kwam aandrijven.
Voorop rijdt Hilda, de dochter van burgemeester De Bruyn, in haar
fluweelen, met bont omzet jacketje en haar met pels omboorde jurk,
en naast haar Annie Bouman, de dochter van een rijken boer, met haar
scharlaken rood jacketje, van stevige wol gebreid, en haar keurig
blauw rokje, kort genoeg om haar nette voetjes te doen zien. Verder de
trotsche Truida Korbes, de dochter van den rijken aannemer te Broek,
Karel Schimmel, Peter en Lodewijk van den Helm, Jacob Poot en een heel
kleine jongen, die den naam van Frans van Bree voert. Er waren ruim
twintig jongens en meisjes bij elkander, en zij maakten vrij wat pret,
dat kan ik u verzekeren.
Zij reden herhaalde malen de vaart op en neder, en het was wèl te zien,
dat er flinke schaatsenrijders onder hen waren. Menigen vriendelijken
groet wisselden zij met andere dorpelingen, die hen voorbijreden, om
zich naar Amsterdam of elders te begeven, en ook diegenen, aan wie zij
ten eenen male onbekend waren, konden niet nalaten, met genoegen naar
het vroolijke troepje te zien en het een groet toe te werpen. Ook van
den wal af hadden zij bekijks genoeg van de kinderen, die te voet naar
school gingen, en bij wie zich de meesten van hen straks zouden voegen.
Eensklaps echter scheen hen iets in hun vaart te belemmeren en allen
bleven stilstaan rondom een klein aardig meisje, dat er allerliefst
uitzag en van den kant van Monnikendam was komen aanrijden.
"Waar moet jij zoo vroeg reeds heen, Kato?" riep de een.
"Wat kom je hier jagen?" vraagde de ander.
"Je doet toch ook mee met den wedstrijd op den dertigsten?" zeide
een derde.
"Je moet stellig meedoen, Kato," bevestigde een vierde.
"Maar, lieve vrienden," zeide de aardige Kato. "Je brengt me heelemaal
in de war. Spreekt als het u belieft één voor één: want als je allen
te gelijk praat, kan ik je onmogelijk antwoorden."
"Je doet toch mee met den wedren op den dertigsten?" herhaalde Truida
Korbes, die 't eerst het woord nam.
"Een wedren? Denk je, dat ik paard kan rijden, Truida?" vroeg Kato
glimlachend.
"Nu, dat begrijp je toch wel beter, Kato."
"Kom, zij weet er even goed van als wij," zeide Annie Bouman. "Zoo
ver woont ze niet van Broek af, dat ze het niet zou weten."
"Inderdaad, ik heb niets van een wedren gehoord," verzekerde Kato
met het onnoozelste gezicht ter wereld.
"Welnu," hernam Truida, "als je 't dan werkelijk niet weet, zal ik 't
zeggen. Mevrouw De Bruyn van Broek is op den dertigsten van deze maand
veertig jaar en heeft besloten dien dag feestelijk te vieren. Daartoe
zal zij een wedren op schaatsen geven, waaraan al de kinderen van
Broek en den omtrek, mits ze beneden de zestien jaren zijn, mogen
deelnemen. Dat is alles het werk van Hilda."
"En zullen er mooie prijzen zijn?"
"Een paar beeldige mooie Engelsche schaatsen," riepen wel zes stemmen
te gelijk.
"Met zilver ingelegd," voegde een ander er bij.
"En met zilveren neuzen en hielstukken," vervolgde een derde.
"En er zijn zilveren belletjes ook aan," voegde Frans van Bree er bij.
"Hoor me zoo'n kleinen betweter eens aan!" riep Jacob Poot uit. "Bellen
aan schaatsen! Dan zou een mensch veel van een paard voor een
Narreslede hebben."
"Of van een katje, dat men niet wil trappen," meende Truida.
"Je hebt je wat laten wijsmaken, Frans," zeide Lodewijk van den Helm,
terwijl hij het kleine kereltje medelijdend aanzag.
"Hij heeft het toch zoo geheel en al niet mis," verzekerde
Hilda. "Er zijn twee paren schaatsen, één voor de meisjes en één
voor de jongens. Het paar van de meisjes is met zilveren plaatjes
aan de hielstukken, die bij het stampen een rammelend geluid maken
als belletjes."
"En wie zullen er rijden?" vroeg Kato.
"Wel, wij allen," gaf Truida ten antwoord. "'t Zal een pret zijn! Je
doet toch ook mee, Kato? Maar het is nu tijd, om naar school te
gaan. Kom, ga mee, dan zal ik 't je onderweg verder vertellen."
En zonder zich om de overigen te bekommeren, maakte zij een sierlijken
zwaai en reed, door Kato vergezeld, naar de school met een vlugheid,
dat de anderen werk hadden om haar te volgen.
TWEEDE HOOFDSTUK.
WAARIN WIJ VERSCHEIDENE NIEUWE KENNISSEN ONTMOETEN.
't Was op den namiddag van dien zelfden dag, dat onze jongelieden,
na afgeloopen arbeid, weder een uurtje op het ijs reden.
"Kijk eens," riep Karel Schimmel spottend tegen Hilda, die vlak
naast hem stond. "Kijk eens, welk een mooi paar daar over het ijs komt
aanrijden. 't Zijn zeker de voddenrapers uit de hut. Hun schaatsen zijn
zeker een geschenk van Hare Majesteit de Koningin in eigen persoon."
"Foei, Karel," zeide Hilda. "Je moest je schamen, dat je zoo over hen
spreekt. 't Zijn arme kinderen en de schaatsen, op welke zij rijden,
heeft de knaap misschien zelf gemaakt."
Karel keek mal op zijn neus.
"Ik weet niet wat zij met zulk tuig op de baan doen," bromde hij,
terwijl Hilda naar de beide kinderen toereed, "maar ik zou, dunkt
mij, even goed op een oud verroest mes kunnen rijden als op zoo'n
paar schaatsen."
Deze uitval wekte het gelach van verscheidene andere der rijders. Hilda
stoorde zich daaraan niet en vroeg aan Griete:
"Hoe heet je, kindlief?"
"Griete, juffrouw," antwoordde het kind, min of meer verlegen, dat
de juffrouw van den burgemeester haar aansprak, al was die dan ook
nog geen twee jaar ouder dan zij.
"En hoe heet je broer?"
"Hans, juffrouw!"
"Nu, 't is een ferme jongen, die Hans. Die heeft zeker een warm
kacheltje in zijn lijf; want hij ziet er zoo gezond uit als een
visch. Maar jij bent koud. Waarom kleed je je ook niet wat warmer,
klein ding?"
Griete deed haar best om te glimlachen.
"Ik ben zoo klein niet als u wel denkt," zeide zij. "Ik ben ruim
twaalf jaar oud."
"Nu, je zult wel grooter worden," hervatte Hilda, meesmuilende
over het antwoord van Griete. "Maar dan moet je je ook wat warmer
kleeden. Meisjes, die kou lijden, worden nooit groot."
Hans kreeg een kleur als bloed, toen hij zag, dat er waterlanders in
Griete's oogen kwamen.
"Hoor eens, juffrouw! Mijn zuster heeft nog nooit over de kou
geklaagd. Maar 't vriest nu ook zoo hard."
"O," zeide Griete. "Ik ben dikwijls heel warm, dikwijls al te warm,
als ik schaatsen rijd. 't Is al heel lief van u, juffrouw, om daaraan
te denken."
"Ik wou je wat anders vragen, Griete," zeide Hilda, min of meer boos
op zich zelf, omdat zij vreesde de arme kinderen beleedigd te hebben.
"Kan ik de juffrouw van dienst zijn?" vroeg Hans.
"O neen, ik wou je alleen iets vragen over den grooten wedstrijd. Je
zult toch meedoen, niet waar? Je kunt allebei aardig rijden en iedereen
mag meedingen."
Griete zag Hans zwijgend aan; deze trok verlegen aan zijn buis en
antwoordde op eerbiedigen toon:
"Ach! juffrouw, al konden wij ook meedingen, dan nog zouden wij geen
tien slagen met de overigen doen. Zie maar," en hij liet haar een
zijner schaatsen zien, "onze schaatsen zijn slechts van hard hout, zij
worden gauw vochtig en dan willen zij niet meer voort, of wij rollen."
Griete kon niet nalaten te lachen, toen zij om het ongeval van Hans
van dien morgen dacht, en zeide:
"Neen, juffrouw, meerijden kunnen wij niet; maar wij zullen er wel
bij zijn om te kijken."
"Natuurlijk," antwoordde Hilda. "Maar je moet meedoen ook."
Zij haalde haar beursje uit en zag, dat er nog een gulden en twee
kwartjes in waren. 't Speet haar, dat zij niet wat zuiniger op haar
weekgeld was geweest, en daarom keek zij met een zucht naar de twee
paar voeten, die zoo ongelijk van grootte waren.
"Zeg, wie van je beiden is de beste rijder?"
"Griete," antwoordde Hans snel.
"Hans," was het antwoord van Griete.
Hilda glimlachte.
"Hoort eens," hernam zij. "Ik kan voor jelui elk geen paar
schaatsen koopen, zelfs niet enkel een goed paar. Maar hier heb je
een daalder. Maak 't nu onder je beiden uit, wie 't best kan rijden
en de meeste kans heeft om bij den wedstrijd te winnen, en koop dan
voor die een paar schaatsen, zoo goed als je ze voor een daalder kunt
krijgen. 'k Wou, dat ik geld genoeg had om je ieder een paar betere
te koopen."
En terwijl zij hen vriendelijk toeknikte en den verwezen Hans het geld
in de hand stopte, reed zij snel weg om zich weer bij haar gezelschap
te voegen, dat in dien tijd een heel eind vooruitgereden was.
"Juffrouw! Juffrouw De Bruyn," riep Hans, terwijl hij haar achterna
strompelde, want hij had een zijner schaatsen losgebonden, om haar
die te laten zien.
Hilda keerde zich om en was in een oogenblik weer bij hen.
"Wat is het?" vroeg zij.
"Wij mogen dit geld niet behouden, juffrouw," zeide hij. "Ofschoon
wij u hoogst dankbaar zijn voor uw goedheid."
"Kom, waarom niet?"
"Omdat wij 't niet verdiend hebben."
Hilda's snelle bevatting wist terstond raad.
"Welnu, snijd voor mij dan zoo'n ketting als je zuster draagt."
"Heel gaarne, juffrouw," antwoordde Hans. "Wij hebben beeldig wit
hout in huis en gij zult er morgen een hebben, zoo wit als ivoor." Dit
zeggende, wilde hij haar het geld teruggeven.
"Neen, zoo is 't niet gemeend," antwoordde Hilda. "Dat geld is voor
den ketting. 't Is wel wat weinig zelfs." En zonder verder een woord te
spreken, snelde zij weg en was spoedig bij de andere schaatsenrijders.
Hans keek haar met tranen in de oogen na.
"Een edel meisje, Griete," zeide hij. "En zij zal den ketting morgen
hebben, al moet ik er ook den halven nacht voor opzitten; als moeder
ten minste wil hebben, dat ik zoo lang licht brand. Morgen is de
ketting af en dan mogen wij het geld houden."
"En dan ga je naar Amsterdam om de schaatsen te koopen," zeide
Griete. "Daar kun je ze zeker beter en goedkooper krijgen dan in
Monnikendam."
Hans schudde zijn hoofd.
"De juffrouw wilde ons het geld geven om schaatsen voor te koopen. Dit
hadden wij ook moeten doen. Maar nu ik het verdien, zal ik er wol
voor koopen. Je moet een warm jacketje hebben, Griete."
"Hé!" riep Griete treurig uit. "En je zoudt er geen schaatsen voor
koopen? Kom, ik heb 't zoo koud niet als je denkt. Ik ben jong
en gezond."
En er stonden haar tranen in de oogen bij de gedachte, dat Hans de
schaatsen niet zou koopen.
Hans zag haar zwijgend aan. Tranen kon hij niet zien, vooral niet in
de blauwe kijkers van zijn zuster. Griete bemerkte haar voordeel.
"Begrijp eens," ging zij voort, "hoe jammer zou 't zijn, zoo'n schoone
gelegenheid te verzuimen. 't Zou me zoo spijten, als je de schaatsen
niet kocht. Niet voor mij; ik wil ze niet eens hebben. Maar voor
jou; dan kun je er nu op rijden, en als ik grooter ben, dan zijn ze
voor mij."
Hans klemde het geld krampachtig in zijn hand. Nooit in zijn leven
had hij zoo vurig naar een paar schaatsen verlangd; want ook hij had
van den wedstrijd gehoord en zoo gaarne een kans mede gewaagd. En dat
wist hij, als hij maar een paar goede schaatsen had, dan zou hij een
menigte van jongens, die op de vaart reden, de loef afsteken. En dan
Griete's aanbod! Maar als zij, dat vlugge ding, zich eens een week op
een paar goede schaatsen oefende, dan zou zij Truida Korbes en zelfs
Kato Lammers gemakkelijk voorbijhalen. Zoodra die laatste gedachte
bij hem opkwam, stond zijn besluit vast. Als Griete het jacketje niet
wilde hebben, zou hij haar een paar schaatsen geven.
"Neen, Griete," antwoordde hij eindelijk. "Ik kan wel wachten. Ik
zal geld opsparen, en dan zal 't zoo lang niet duren, of ik kan er
ook een paar koopen. Deze zullen voor jou zijn."
Griete's oogen schitterden bij dit aanbod; maar toch zeide zij,
misschien wel wat minder krachtig:
"De jonge juffrouw heeft het geld aan jou gegeven, Hans. 't Zou mij
leelijk staan, als ik ze nam."
Hans schudde vastberaden het hoofd, en zij gingen naar de hut hunner
moeder: want bij de gedachte aan betere schaatsen, hadden zij de
hunne afgebonden.
"Weet je wat, Hans," zeide Griete onderweg. "Ik weet goeden raad. Als
je eens een paar schaatsen kocht, die te klein voor jou en te groot
voor mij waren, dan konden we ze om beurten gebruiken."
Het voorstel scheen Hans zoo aanlokkelijk toe. 't Was een heele
verzoeking; maar hij wierp die van zich.
"Dwaasheid, Griete!" riep hij uit. "Op een paar, die je te groot zijn,
kun je niet voortkomen. Weet je nog wel, hoe je net als een blind
kuiken voortstrompelde, toen deze schaatsen je te groot waren. Eerst
toen ik ze aan beide einden wat korter had gemaakt, kon je er op
rijden. Neen, je moet er een paar hebben, die je net van pas zijn,
dan kan je je elk vrij oogenblik oefenen, tot de dertigste komt,
en dan zal mijn kleine Griete de zilveren schaatsen winnen."
Griete kon zich niet bedwingen om te glimlachen bij het denkbeeld,
dat Hans haar voor oogen stelde.
"Hans! Griete!" riep moeder Brinker.
"Wij komen, moeder!" antwoordde Hans.
Den volgenden dag was er geen trotscher en gelukkiger knaap in geheel
Broek dan Hans Brinker, als hij naar zijn zuster keek, zoo flink
als ze daar reed te midden van de schaatsenrijders, die de vaart op
en neder zwierden. De goedhartige Hilda had haar een warm jacketje
gegeven en moeder Brinker had de uitgebarsten schoenen weder in hun
fatsoen gebracht.
Terwijl het kleine ding over het ijs snelde, was 't haar, of die
blinkende schaatsen onder haar voeten haar eensklaps in het land der
feeën verplaatst hadden, en in haar dankbaar hartje weerklonk het:
"Hans, lieve goede Hans!"
"Wel, sakkerloot!" zei Peter van den Helm tegen Karel Schimmel. "Kijk
dat kleine ding eens met haar roode jacketje en haar gelapten rok. Zij
rijdt drommels goed! En wat heeft zij een paar oogen in haar hoofd! 't
Zou wel aardig zijn, als zij Kato Lammers eens de loef afstak bij
den wedstrijd."
"Praat niet zoo luid, Piet," zeide Karel. "Dat kleine meisje met
haar gelapten rok is de verklaarde gunsteling van Hilda de Bruyn. Die
schaatsen heeft zij haar gegeven."
"Ei, ei!" riep Peter van den Helm uit: want hij hield veel van
Hilda. "Dan heeft zij weer een goed werk verricht."
En hij reed naar Hilda. Wat echter wonderlijk was: nadat hij eenigen
tijd met haar gereden had, stond het bij hem vast, dat zijn zusje
ook zoo'n ketting moest hebben als Hilda.
En drie dagen later was Hans Brinker op het pad, om, nadat hij drie
eindjes kaars verbrand en zich tot slot van rekening in den duim
gesneden had, ook een paar schaatsen in Amsterdam te koopen.
DERDE HOOFDSTUK.
HOE EEN PAAR SCHAATSEN EN EEN DOKTER IN ÉÉN HOOFDSTUK KUNNEN
VEREENIGD WORDEN.
"Kom, Hans! Maak je nu klaar en ga naar Amsterdam, om een paar
schaatsen te koopen," zei vrouw Brinker, toen men den dag vóór Kerstmis
het sober middagmaal genuttigd had.
"Neen, moeder," gaf hij ten antwoord. "Gij hebt nog zooveel
noodig. Waarom zou ik nieuwe schaatsen koopen?"
"Welk een dwaasheid, kind! Je hebt het geld gekregen, om er schaatsen
voor te koopen. Al heb je het nu eerlijk verdiend, dan blijft het
toch hetzelfde. Ga nu, dan ben je nog vóór den donker terug."
"Ja, en dan kunnen wij van avond nog op de vaart rijden, als moeder
het ten minste wil hebben," voegde Griete er bij.
"Maar moeder, gij hebt nog wol noodig, en meel, en ...."
"Kom, kom! Voor dat geld kan je niet alles koopen," hernam vrouw
Brinker. "Ach! als ons gestolen geld maar terug was!" zuchtte zij. "Dan
konden wij alles koopen en waren op eens uit allen nood."
"Gestolen geld?" zeide Hans op vragenden toon. "Meent u dat geld,
waarvoor u jaren geleden de geheele hut hebt doorzocht!"
"Juist, Hans. Maar dat zal wel nooit terechtkomen."
"Misschien, als vader 't maar zeggen kon," hernam Hans.
"Ja, als die spreken kon," zuchtte de arme vrouw. "Ik ben altijd
bang, dat hij voor dat geld het mooie gouden horloge heeft gekocht,
dat wij sedert dien dag bewaren."
"Maar dat horloge was nog geen tiende part van de som waard, moeder!"
"Dat is waar. Daarenboven was je vader veel te zuinig en te verstandig
om zoo iets te doen."
"Waar dat horloge toch vandaan is gekomen?" zeide Hans halfluid.
"Dat zullen wij wel nimmer te weten komen, Hans! Ik heb het je vader
reeds zoo menigmaal laten zien, maar hij kan het niet onderscheiden
van een aardappel. Toen hij dien vreeselijken avond thuis kwam om
te eten, kort vóór hij werd opgeroepen om aan den dijk te werken,
heeft hij het mij gegeven, en bevolen er goed zorg voor te dragen,
totdat hij het terug zou eischen. Juist toen hij er nog meer van
wilde zeggen, kwam Jan Belderbos hem roepen om terstond te komen,
want dat de dijk gevaar liep. Je vader stond dadelijk op en snelde
naar de plaats des gevaars. 't Was voor 't laatst, dat ik hem bij zijn
verstand zag. Midden in den nacht werd hij thuisgebracht, bijna dood:
want hij was op zijn achterhoofd neergekomen. Hij ontwaakte wel uit
den bewusteloozen toestand, waarin hij nederlag, maar tot eigenlijk
bewustzijn--nooit. Wij zullen wel nimmer van hem hooren, wat er van
dat horloge is en waar het gespaarde geld is gebleven."
Wat vrouw Brinker vertelde, was voor Hans niet nieuw meer. Hoe dikwerf
toch had hij zijn moeder, als de nood wat hoog steeg, het horloge van
de plaats zien nemen, waar het verborgen lag, terwijl zij er reeds
naar overhelde, om het te gelde te maken; maar ook telken male had
hij haar de verzoeking zien overwinnen. "Neen Hans," had zij dan
gezegd. "Liever willen wij van honger sterven, dan ontrouw worden
aan de belofte, die wij vader gedaan hebben."
Dat alles kwam hem nu voor den geest; en daarom zeide hij, ofschoon
hij een diepen zucht loosde:
"Ja moeder, u hebt er goed aan gedaan, dat u het niet verkocht
hebt--menigeen, die in uw geval was, zou er klein geld van gemaakt
hebben."
"Die dat had gedaan, zou weinig gevoel van eer hebben gehad, Hans! Ik
ten minste heb 't nooit van mij kunnen verkrijgen. Daarenboven--wat
zou men van ons gedacht hebben, als men zoo iets in onze handen had
gezien. Al hadden wij alles verteld, men zou zeker gezegd hebben,
dat uw vader ...."
Hans kreeg een kleur als bloed en balde zijn vuisten.
"Dat hadden ze eens moeten wagen. Ik geloof, dat ik ...."
Vrouw Brinker moest onder haar tranen glimlachen.
"Je bent een brave jongen, Hans," zeide zij, terwijl zij hem op het
hoofd klopte. "Neen, wij zullen het horloge nimmer verkoopen. Vader
mocht op zijn doodbed eens weer tot bezinning komen, en als hij er
dan naar vroeg ...."
"Tot bezinning komen, moeder, en ons herkennen?" vroeg Hans.
"Dat is wel meer gebeurd, mijn jongen."
Hans had met al dat spreken bijna vergeten, dat hij naar Amsterdam
zou gaan. 't Was zelden gebeurd, dat moeder zoo vertrouwelijk met hem
sprak. 't Was hem, alsof hij niet alleen haar eenige zoon, maar haar
vriend, haar raadgever was.
"Ja, moeder, wij moeten het horloge nimmer verkoopen," zeide hij
nogmaals. "Om den wil van vader zullen wij het altijd bewaren. Het
geld kan nog wel eens terechtkomen, als wij dat het minst verwachten."
"Nooit!" riep vrouw Brinker uit, terwijl zij de kous afkampte, die
zij in dien tusschentijd had afgebreid. "Er is geen kans, dat dit geld
ooit zal terechtkomen. Duizend gulden! En die alle weg in één enkelen
dag! Duizend gulden! O, waar zijn ze gebleven! Als ze gestolen zijn,
kan de dief geen gerust uur meer gehad hebben--dan heeft hij niet in
vrede kunnen sterven met die schuld op zijn ziel."
"Hij kan nog wel niet dood zijn, moeder," zeide Hans
vertroostend. "Misschien hooren wij nog wel te eeniger tijd iets
van hem."
"Ach kind," antwoordde vrouw Brinker op treurigen toon. "Als ik alles
goed overweeg, dan vraag ik mij zelf wel eens af, of het een dief is
geweest. Wie toch zou het ooit in de gedachten gekomen zijn, om hier
te stelen? 't Zag er hier altijd wel zindelijk en netjes uit, maar
niet om de begeerlijkheid van een dief op te wekken. Vader en ik waren
zuinig en dachten: alle kleine beetjes helpen. Als vader wat extra's
verdiende, kwam er wat meer bij en, daar hij goed geld won, werd er
wekelijks ten minste een gulden bijgevoegd. Alleen toen jij de koorts
had en toen Griete kwam, kon er niets overgelegd worden. Eindelijk werd
de buidel zóó groot, dat ik weer een oude kous stopte, die reeds binnen
een paar maanden vol zat tot aan de hiel. 't Was niet alleen zilver,
mijn jongen, er was goud ook bij. Want vader had toen goede dagen,
dat verzeker ik je. Ja, Griete, je mag wel groote oogen opzetten. En
als ik toen mijn oude kleeren droeg en vader wilde, dat ik eens een
nieuw stuk zou koopen, dan antwoordde ik hem lachend: "'t Is immers
niet uit armoede, dat ik er zoo sjofel uitzie,"--en intusschen werd
de nieuwe kous al voller en voller, en mijn hoogste wensch was,
dat je beiden braaf en knap mocht worden en vader eens op zijn ouden
dag van den arbeid mocht uitrusten. En dan konden wij zoo aangenaam
praten over den nieuwen stal, dien vader zou timmeren voor de koe,
welke wij zouden koopen, en dan een nieuwen schoorsteen. Maar vader
had veel schooner plannen dan ik. Een ferm schip met een fiksch zeil,
dat veel wind vat, en dan .... terwijl ik den boel afwiesch, begonnen
wij te zingen. En alle weken nam vader de kousen van de beddeplank en
dan werd het geld nageteld en dan lachte hij en kuste mij, terwijl
wij de kousen weer toebonden .... Maar Hans, je zit me daar aan te
gapen en vergeet, dat je naar Amsterdam moet. De dag verloopt. 't Is
hoog tijd, dat je op weg gaat."
Hans stond op, keek zijn moeder ernstig aan en zeide:
"Maar moeder, hebt gij 't vader wel eens goed gevraagd?"
"Ach kind, zoo menigmaal! Maar dan begint hij zóó akelig te lachen en
kijkt mij zóó verwezen aan, dat ik niets meer durf vragen. Toen jij
en Griete verleden winter de koorts hadt en al ons brood bijna op
was en ik niets kon verdienen, toen heb ik 't nog eens op allerlei
manieren geprobeerd. Maar dan kon hij zoo akelig aan mijn mouw
trekken en zulke onverstaanbare brabbeltaal te voorschijn brengen,
dat het bloed in mijn aderen stolde. Eindelijk, toen Griete daar
doodsbleek nederlag en jij ijlde in de hitte der koorts, heb ik hem
toegeschreeuwd: Rolf, waar is ons geld? Weet je niets van ons geld,
Rolf? Dat geld in de kousen? Maar ik had evengoed tegen een stuk
steen kunnen schreeuwen--de arme man verstond mij niet."
Hans zag, dat zijn moeder vreeselijk ontroerd was; daarom zeide hij:
"Kom, moeder! laat ons trachten het geld te vergeten. Ik ben groot
en sterk--Griete is ook heel vlug en gewillig. Hoor eens, wij zien
u liever gelukkig en vroolijk, dan dat wij al het zilver der wereld
hadden, niet waar, Griete?"
"Dat weet moeder wel," zeide Griete snikkend.
"Maar 't wordt nu tijd, dat je naar Amsterdam gaat, anders kom je
waarlijk niet vóór den donker thuis. Hier, neem die twee paar kousen
mee voor den manufacturier in de Warmoesstraat, dan breng je nog geld
terug ook."
Hans talmde nog een oogenblik.
"Wat sta je daar nog te talmen, jongen?" ging vrouw Brinker voort.
"Hoor eens, moeder," zeide hij verlegen. "Waarom zal ik mijn geld
aan schaatsen uitgeven, terwijl... terwijl..." en hij keek met een
schuwen blik naar een vreemde gedaante, die bij de vuurplaat nederzat,
"terwijl dat geld een dokter uit Amsterdam zou kunnen hier brengen,
om vader eens te bezoeken--misschien dat die er wat aan doen kon."
"Voor geen tweemaal zooveel geld als je daar hebt, zou een dokter
uit Amsterdam hier komen; en dat zou toch niet helpen. Ach! ik heb
er al zoo menigen gulden aan gespendeerd, maar uw arme vader wilde
niet wakker worden. Het is Gods wil. Ga dus maar naar Amsterdam,
om een paar schaatsen te koopen, hoor!"
Met een bezwaard hart reed Hans van huis; maar de frissche lucht,
de beweging en vooral het vooruitzicht van een paar nieuwe schaatsen
deden het jonge hart weldra alle zorg vergeten, en 't duurde dan
ook niet lang, nadat hij 't Schouw voorbij was, of hij dacht bijna
niet meer aan vader, horloge, geld, aan alles, hij dacht alleen om
de schoone schaatsen, welke hij reeds aan zijn voeten voelde.
Fluitend reed hij voort langs het Noordhollandsche kanaal, tot aan
Buiksloot, waar hij zijn schaatsen moest afbinden, omdat ze te vochtig
waren geworden. Hij trad dus den weg op en ging voorbij de herberg
van Fuik, toen hij den kastelein tegen den knecht hoorde zeggen:
"'t Rijtuig van dokter Broekman voor!"
"Dokter Broekman!" zeide Hans bij zich zelf. "Dat is de knapste
dokter uit geheel Holland. Is dat niet een beschikking van God,
dat je dien hier moet aantreffen? Nu koop je geen schaatsen, Hans,
maar besteed je geld om je vader te helpen."
"Is dat het rijtuig van dokter Broekman van Amsterdam?" vroeg hij
aan den knecht, die juist uit den stal terugkwam.
"Voor wien anders?" vroeg de man. "Als er ijs is, komt hij altijd met
zijn eigen rijtuig het IJ over en rijden wij hem verder Noord-Holland
in."
"Ik dank je," zeide de knaap en terstond begaf hij zich naar de
herberg.
"Mag ik dokter Broekman wel eens spreken?" vroeg hij aan den kastelein.
"Die zal voor jou wel niet te spreken zijn, mannetje," antwoordde
deze. "Diens tijd is veel te kostbaar."
"Maar ik zal hem niet lang ophouden, mijnheer!"
"Wat is daar, Fuik?" vroeg een heer met een tamelijk onvriendelijk
uitzicht, die aan een tafeltje zat met een glas madera voor zich.
"Die knaap wenscht u te spreken, dokter," antwoordde de
kastelein. "Maar ik heb hem gezegd, dat u wel wat anders te doen hebt,
dan zulk klein bedelvolk te spreken."
"Ik kom niet bedelen," zeide Hans trotsch. "Dat is een leugen."
"Laat den knaap hier komen, Fuik," zeide de dokter, die, hoe bar hij
er ook uitzag, toch in 't geheel geen kwaad hart bezat.
Hans ging naar den dokter toe; maar toen hij dat strenge en
onvriendelijke gelaat zag, werd hij wel wat verlegen.
"Wat wou je, mannetje?" vroeg de dokter op een allesbehalve innemenden
toon.
"Mijnheer," begon Hans met een weifelende stem, die echter onder
het spreken hoe langer hoe vaster werd. "UE. is de beroemde dokter
Broekman. Ik heb u een groote gunst te vragen."
"Hoor eens, knaap," antwoordde de dokter. "Maak het wat kort: want
mijn paarden kunnen niet lang in de kou staan. Zeg dus zonder omwegen:
wat wil je?"
"Mijnheer, ik kwam u om hulp vragen voor mijn vader. De man leeft,
maar hij zit als een doode. Hij kan niet denken. Al wat hij zegt zijn
onsamenhangende woorden. Maar hij is niet ziek; jaren geleden is hij
bij een watervloed van den dijk gevallen."
De dokter luisterde nu met meer aandacht dan in het begin.
"Vertel er mij wat meer van," zeide hij, alsof zijn paarden nu de
koude niet meer voelden.
Hans vertelde hem de geheele historie, zonder echter van geld of
horloge te spreken, terwijl hem de tranen in de oogen stonden, en
eindigde met vollen ernst:
"En nu, mijnheer de dokter! Ik was op reis naar Amsterdam, om een
paar nieuwe schaatsen te koopen, waarmede ik aan den wedstrijd zou
kunnen deelnemen, die den 30sten door mevrouw De Bruyn, de vrouw van
den burgemeester van Broek, zal worden gegeven. Maar dat geld kan
ik veel nuttiger gebruiken, als ik er vader mede kan helpen. Hier
is 't, mijnheer," en hij telde het geld op de tafel uit. "Ik weet
wel, dat het voor u veel te weinig is; maar ik zal meer trachten te
verdienen. Nacht en dag zal ik werken, als u maar mee wilt komen om
vader te bezoeken. Want u zult hem zeker genezen."
De oude dokter wist niet wat hem scheelde, want hij werd zoo raar
in zijn oogen: 't was net alsof er tranen in stonden. Hij was toch
anders zoo gevoelig niet. Hij veegde ze met zijn vingers weg, klopte
Hans goedhartig op den schouder en zeide:
"Strijk je geld maar weer op, knaap! Ik heb 't niet noodig. Maar je
vader zal ik komen zien. Evenwel, je moet je niet te zeer vleien--'t
is een hopeloos geval. Tien jaren geleden, zei je, niet waar?"
"Ja, mijnheer, tien jaren," zeide Hans, die den dokter wel om den
hals had willen vallen.
"'t Is bedenkelijk. Maar kortom, ik kom bij hem. Doch nu niet. Ik
moet vandaag naar Leiden, waar ik eenige dagen blijf. Na dien tijd
kom ik stellig. Waar woon je?"
"Ongeveer een kwartier van Broek, aan de vaart, in een armoedig
hutje. Als u maar vraagt naar de hut van Rolf Brinker, kan het kleinste
kind u terechtwijzen."
De dokter schreef het in zijn zakboekje.
"En weet je wat je doet?" zei de dokter. "Nu rij je terstond naar
Amsterdam om een paar nieuwe schaatsen te koopen in plaats van die
vodden, die je daar in de hand hebt en die veel op een paar roeispanen
gelijken. En dan zorg je maar, dat je ferm kunt rijden en me den
prijs laten zien, als ik te Broek kom."
Hans vertrok vroolijk en boog zich heel diep, toen de dokter hem een
oogenblik later voorbijreed en hem vriendelijk groette, terwijl hij
mompelde: "Wat gelijkt die knaap op mijn armen Frits, toen die zoo
oud was. Net zijn oogen! Maar voor den drommel! zal ik dien onverlaat
dan nooit vergeten!"
En het oog van den dokter, dat straks zoo vriendelijk gestaan had,
stond nu weder strenger. Hans echter kuierde onbezorgd den dijk
langs en het IJ over: want hij had zijn houten schaatsen even buiten
Buiksloot in den Ham gesmeten. Hoe snel hij op zijn nieuwe schaatsen
terugreed en welke blijde gezichten de tijding van hetgeen dokter
Broekman hem gezegd had, thuis veroorzaakte, behoef ik u wel niet
te zeggen.
In de hut van Rolf Brinker was 't een heerlijke Kerstavond.
VIERDE HOOFDSTUK.
HOE ECHT HOLLANDSCHE JONGENS ZICH GOED HOUDEN ONDER TEGENSPOED.
Den eersten Kerstdag was 't schoon vriezend weer en 's avonds scheen
de maan zóó helder op de trekvaart, die langs Broek loopt, dat men
een stuivertje op den grond had kunnen zien liggen. Moeder Brinker
was dien dag heel gelukkig geweest en had zich in haar beste gewaad
getooid: haar bruidspakje, dat zij vroeger altijd bij feestelijke
aangelegenheden droeg, doch dat sedert het ongeluk van haar man
ongebruikt in de kast had gelegen. Hoezeer zij weinig van het bezoek
van dokter Broekman verwachtte, maakte haar toch het denkbeeld, dat
de beroemde en kundige man haar Rolf bezoeken zou, reeds gelukkig,
omdat zij zich niet kon weerhouden, eenige hoop te voeden, al was
die ook nog zoo gering; zoo houdt zich de ongelukkige, die op 't punt
is van te verdrinken, nog aan een stroohalm vast. Daarom ook had zij
haar kinderen verlof gegeven, nog een uurtje in den maneschijn op de
vaart te gaan rijden, eer zij naar bed gingen.
Hans was recht in zijn schik met zijn nieuwe schaatsen en in zijn
ijver, om Griete te laten zien hoe goed hij er op voort kon, maakte
hij toeren op het ijs, die het kleine meisje in de handen deed klappen
van bewondering. Zij waren echter niet alleen op de baan.
De twee Van den Helms en Karel Schimmel waren er onder anderen ook en
reden om 't hardst. Van vier wedrennen had Peter er drie gewonnen. Dat
had Karel, die toch al niet heel aangenaam van humeur was, geheel
en al in een kwade luim gebracht. Hij had die luim bot gevierd,
door Frans van Bree te plagen; maar toen hij daar niet veel eer bij
inlegde, daar de kleine Frans zich weinig aan zijn plagerijen stoorde,
kwam er een nieuwe gedachte bij hem op.
"Hoort eens, jongens," riep hij uit. "Wij moeten er voor zorgen,
dat die voddenrapers uit de hut niet met den wedstrijd meedoen. 't
Is of Hilda mal is, dat zij daaraan denkt. Kato Lammers en Truida
Korbes zijn woedend alleen bij het denkbeeld, om met zulk een meid
te rijden; en wat mij aangaat, ik kan 't haar niet kwalijk nemen. Wat
den jongen aangaat, als wij een vonkje eergevoel in onze borst hebben,
zullen wij terugdeinzen bij het denkbeeld van ...."
"Voorzeker," viel Pieter van den Helm hem in de rede, terwijl hij
Karels meening verkeerd begreep, "wie twijfelt daaraan? Geen jongen,
die een vonkje eergevoel in zijn borst heeft, zal weigeren, twee
goede schaatsenrijders bij den wedstrijd toe te laten, alleen omdat
zij arm zijn."
"Hoor eens, Piet!" riep Karel toornig uit. "Ik bedank je vriendelijk,
dat je eens anders woorden in mijn mond gelieft te leggen. Dat waag
je niet weer, hoor!"
"Ha, ha!" riep de kleine Frans van Bree, die al in zijn handen wreef
van de pret om een gevecht te aanschouwen en verzekerd was, dat, als
't op ranselen aankwam, Karel een duchtig pak slaag zou beloopen.
't Scheen dat Karel niet veel lust had den strijd met Peter te wagen
en daarom keerde hij zijn toorn op een zwakkeren: op Frans van Bree.
"Zeg eens, waarover heb jij zoo'n plezier, kleine rekel? Je bent niks
dan een kleine aap zonder staart!"
Een half dozijn der omstanders op schaatsen moest om dien uitval
van Karel Schimmel lachen, en deze, die nu meende, dat hij al zijn
tegenstanders ridderlijk had overwonnen, was weder in een goed humeur
gebracht. Hij besloot echter wijselijk, om zijn complot tegen Hans
en Griete uit te stellen, tot Peter er niet bij was.
Op dit oogenblik zagen zij hun vriend Jacob Poot komen aanrijden. Daar
hij de dikste knaap uit de buurt was, konden zij hem reeds op eenigen
afstand aan zijn gestalte onderscheiden, al herkende zij zijn trekken
nog niet.
"Ha, daar komt de dikzak!" riep Karel uit, "en hij heeft er een bij
hem ook, een kleinen, slanken knaap, een vreemden."
"Dat is Jacobs Engelsche neef," zeide Frans van Bree, recht in zijn
schik, dat hij iets kon vertellen, wat de anderen niet wisten. "Die
heeft zulk een grappigen naam: Ben Dobbs. Hij is wel eens meer in
Holland geweest en zal bij Jacob blijven tot na den grooten wedstrijd."
Op dit oogenblik waren Jacob Poot en diens neef Ben Dobbs bij hen.
"Goeden avond, jongens," zei de dikke Jacob op vroolijken toon. "Dit
is mijn neef, Ben Dobbs. Hij is een John Bull [1]."
Allen drongen zich, volgens jongensgewoonte, om de nieuw komenden
heen. Ben, die het Hollandsch vrij wel verstond, maar in het spreken
de Engelsche constructie behield en er tusschenbeide een vreemd woord
tusschen gooide, zeide "dat hij would maken heel gaarne kennis mit
de Holland boys."
"Jongens," vervolgde Jacob, na de eerste begroeting. "Wij, mijn neef
en ik, hebben een aardig plannetje gevormd. We hebben nu vacantie
tot na Nieuwjaar, zooals je weet. Nu heeft Ben nog nooit Den Haag
gezien en zou dol graag daar eens wezen. Wat zou je er van denken,
om met ons beiden den tocht mee te maken?"
"Naar Den Haag! Wat een eind!" zei Karel.
"Welnu we behoeven 't niet in één dag te doen. We moeten geld bij
elkander leggen en dan een nacht in Leiden of Haarlem logeeren."
"Uitmuntend!" riep Lodewijk van den Helm uit. "Dat zal een pret zijn."
"Hoe meer zieltjes hoe meer vreugd," zeide Jacob. "Dus jongens! Wie
van jelui gaat er mee, natuurlijk als je ouders 't willen toestaan?"
"Ik, ik, ik!" riepen allen te gelijk.
"Ik ook!" riep Frans van Bree.
"Maar kereltje," zeide Jacob, terwijl zijn dikke buik van lachen
schudde. "Jij mee! Je hebt je valhoed nog niet eens voorgoed afgezet."
"Pas op je woorden, Jacob," zeide Frans, die geducht op zijn teenen
getrapt was. "Voor jou is 't gelukkig, dat je 'm kunt aflaten: want
je heele lichaam lijkt wel een valhoed."
Allen lachten om dit snedige antwoord en boven allen klonk de
goedhartige lach van Jacob uit.
"Nu moet hij mee!" riep hij. "Iemand, die zoo snedig kan antwoorden,
is een prettig gezelschap."
"Hoort eens," zei Peter van den Helm. "We moeten te Haarlem en te
Leiden stilhouden, om je neef daar het merkwaardigste te laten zien,
en wat Den Haag aangaat, daar kunnen wij bij mijn getrouwde zuster
logeeren. Die zal heel blij zijn, als zij ons ziet."
"Maar Piet," zeide Jacob. "Met ons zoo velen!"
"O, ze is zulk een hartelijke meid en haar man zulk een gulle kerel. Ze
hebben een groot huis. En wat kwaad--kunnen ze ons niet logeeren,
dan gaan we in een logement. Maar ik zal haar vanavond nog schrijven."
"Nu, dan is 't mij goed. Maar wij moeten wat geld bij elkander leggen,"
hernam Jacob.
"Natuurlijk," antwoordde Peter. "Mij dunkt, vijf gulden ieder."
"Dat is goed," zeiden de anderen.
"En wie zal de beurs bewaren?" vroeg Peter.
"Niemand anders dan jij. Jij zult onze kapitein zijn! Niet waar
jongens?" zeide Karel Schimmel, die weer wilde goedmaken wat hij
straks bedorven had, omdat hij het uitzicht had, in Den Haag bij
Peter's zuster te logeeren.
"Hoezee! voor Peter! Peter zal onze kapitein zijn!" riepen allen.
"Welnu, ik neem 't aan, mits mijn volk mij gehoorzaamt. En hoe laat
zal morgen de tocht beginnen?"
"Om acht uur," riepen allen.