AANTEEKENINGEN.

Een Midzomernachtdroom werd het eerst gedrukt in 1600. In dit

jaar verschenen er twee uitgaven van, de eene door Thomas Fisher,

boekhandelaar in het Witte Hart in Fleetstreet, de andere bij den

drukker James Roberts. Uit de laatste is het in de Folio van 1623

overgegaan. Dat het stuk reeds in 1598 bestond, blijkt hieruit, dat

Francis Meres het in zijn Palladis Tamia, in dat jaar verschenen,

vermeldt. Men neemt over het algemeen aan, dat het in het laatst van

1594 of in 1595 gedicht is, en er is alleszins grond om deze gissing

voor juist te houden. De dichter had toen den ouderdom van dertig jaren

bereikt; de tijd van Titus Andronicus lag reeds ver achter hem; hij

had door enkele blijspelen, die de kenmerken van een jeugdiger, minder

ervaren talent, maar toch ook in hooge mate den stempel van zijn geest

dragen, zich geoefend, zijn eerste historiestukken waren voltooid. Het

is waarschijnlijk, dat zijn Romeo en Julia reeds ontworpen of zelfs

reeds geschreven was. Bovendien waren in 1593 zijn Venus en Adonis, in

1594 zijn Lucretia verschenen, werken, die van schoonheden overvloeien,

van groote vaardigheid, oefening en studie getuigen en zijn naam als

dichter vestigden; eindelijk waren er onder zijn vrienden reeds vele

sonnetten in omloop. Kortom, Sh. was op dertigjarigen leeftijd een

gerijpt dichter, die den vorm volkomen meester was en zijn jeugdige

en levendige verbeelding geheel in bedwang had. Niets minder was

er noodig om een werk te scheppen als de Midzomernachtdroom, waarin

alle deelen zoo bewonderenswaardig in elkander grijpen, de figuren

uit den heldentijd, Theseus en Hippolyta, niet overheroïsch zijn, de

Oud-Germaansche elfenwereld met nieuw leven is bezield, maar, bij alle

dolle dartelheid, niet zoo in de handelingen der menschen ingrijpt,

of deze gedragen zich allen overeenkomstig hun eigen natuur. Kortom,

het houden van de juiste maat in alles, waardoor een zoo harmonisch

kunstwerk tot stand werd gebracht, doet ons in dit stuk den gerijpten

dichter en kunstenaar herkennen. Wij zien dit nog duidelijker,

als wij opmerken,--wat onmiskenbaar is,--dat de dichter met volle

bewustheid voor de eischen der ware kunst optreedt en als het ware

met een strijdschrift te velde trekt tegen alle onnatuurlijkheid en

gezochtheid in de poëzie, het overdreven gebruik van alliteraties

hekelt, de eischen der gezonde tooneelspeelkunst handhaaft, de

dwaze stomme vertooningen, die een stuk vaak voorafgingen, alle

geschreeuw en getier op het tooneel gispt, en dit alles op zulk een

wijze, dat de harmonie van het geheel niet in het minst gestoord

wordt. En hierbij komt nog de verbazende heerschappij over de taal,

die met de meeste natuurlijkheid zich schikt naar de te behandelen

onderwerpen, alsmede de versbouw, waarvan hetzelfde moet getuigd

worden. Het is ongetwijfeld niet toevallig, dat Sh. in geen enkel

stuk zoo weinig gebruik maakt van slepende of vrouwelijke versregels,

die hier slechts 5% van het geheel bedragen; het bleek den vertaler,

dat in dit stuk inderdaad zooveel mogelijk mannelijke regels moeten

gebezigd worden en het gebruik van vele slepende regels den indruk

van het geheel zou schaden. Deze vertaling bevat dan ook zeker niet

meer slepende regels dan het oorspronkelijke.--Vroeger dan 1594 kan

het stuk wel niet gesteld worden en veel later dan 1595 evenmin. Of

het als gelegenheidsstuk heeft moeten dienen bij de opening van den

Globe-schouwburg of bij het huwelijk van het een of andere hooge paar

(wèlk paar blijft dan geheel onzeker, want nòch het huwelijk van Essex,

1 Mei 1590, nòch dat van Southampton in 1598 kan hierbij in aanmerking

komen) werd opgevoerd, is vooralsnog niet te beslissen. Gelukkig

behoeven wij deze wetenschap niet, om dit stuk, dat geheel eenig is

in de geschiedenis der letterkunde, te genieten.

Meermalen wordt dit stuk nog opgevoerd; vooral is de voorstelling van

1843 te Potsdam, onder leiding van Ludwig Tieck opmerkelijk geweest,

waarover men Feodor Wehl's Didascalien nazie.

Sh. kon voor het schetsen zijner Elfen veel ontleenen aan het

nog levende volksgeloof in bloemen- en droomgeesten; in Chaucer's

Canterbury Tales vindt men in het begin van The Wif of Bathes tale

een beschrijving der Feeënkoningin. De naam Titania komt naar het

schijnt niet vroeger voor; in den "Romeo en Julia" noemt Sh. haar met

den ouden naam koningin Mab. De naam Oberon komt reeds vóór Sh. in

Engelsche werken (1579) voor. Bij Chaucer, in The Knightes tale,

vond Sh. ook de figuren van Theseus en Hippolyta, hun oorlog en hun

huwelijk, en daar wordt ook vermeld, dat zij samen op de jacht gingen;

de Legend of good women leverde hem Pyramus en Thisbe. De figuur van

Robin Goodfellow, hier Puck genoemd, was algemeen bekend; de dichter

kon uit de overlevering kiezen wat hem het geschiktst voorkwam.--Andere

bronnen voor den Midzomernachtdroom zijn niet bekend geworden.

I. 1. 21. Onzen grooten hertog. Sh. volgt hier de betiteling, door

Chaucer in zijn Knightes tale aan Theseus toegekend: Whilum, as olde

stories tellen us, Ther was a duk that highte Theseus.

I. 1. 77. 't Roosje, dat zijn geur genieten doet. Sh. spreekt eigenlijk

van een roosje, dat tot rozenwater gedistilleerd wordt.

I. 1. 167. De viering van het Meifeest, of de hulde aan den Meimorgen

gebracht (Observance of May), die Sh. reeds in Chaucer vermeld vond,

bestond daarin, dat jongelieden van beiderlei kunne op den eersten

Mei 's morgens vroeg naar het bosch togen en van daar een Meiboom,

bekranst, feestelijk naar huis brachten.

I. 1. 170. Cupido's felste schicht met gouden punt. Cupido's pijlen

waren met een gouden of looden punt voorzien, naar gelang van de

werking, die zij moesten teweegbrengen.

I. 1. 183. Leidstèr is de poolster, die den stuurman zijn weg doet

vinden.

I. 2. 6. Tusschenspel. Tusschenspelen, interludes, in het Fransch

entremets, waren korte dramatische spelen, die vooral onder Hendrik

VIII in de mode kwamen, en dienden om bij langdurige feestelijkheden

of maaltijden afwisseling te brengen. John Heywood, als bespeler van

het spinet medelid van de kapel des konings, schreef (1520 en later)

de beste stukken van dien aard.

Dat de dichter in de vertooning der handwerkslieden de feilen van

vakgenooten hekelt, die telkens alliteraties zochten, op het tooneel

bulderden (vooral Hercules was dan een geliefkoosde rol), en tot

ongerijmde persoonsverbeeldingen hun toevlucht namen, behoeft wel

geen betoog; men zie nog een aanteekening bij het vijfde bedrijf.

I. 2. 51. Je kunt een momgezicht voordoen. Vrouwenrollen werden in

Sh.'s tijd altijd door knapen en baardelooze jongelingen gespeeld.

I. 2. 95. Stroogelen baard. Dissel slaat, dwaas genoeg, alleen baarden

voor, die op het tooneel uitsluitend door schurken, moordenaars en

verraders gedragen werden,--Het kaal kroontje, dat volgt, ziet op de

gevolgen der Fransche ziekte, de Fransosen, zooals Bredero ze noemt.

II. 1. 9. Plekjes in het woud. Ronde plekjes op de weiden, waar de

Elfen 's nachts dansten; zij waren frisscher groen dan het overig

deel van het veld; zie De vroolijke Vrouwtjes van Windsor, V. 5. 69.

II. 1. 10. Primula's, haar eerewacht. Een soort van

sleutelbloemen. "The cowslips tall her pensioners be, In their gold

coats spots you see". Pensioners heetten de edellieden van de eerewacht

van koningin Elisabeth, prachtig in rood en goud gedost.

II. 1. 48. Als een morel. In 't Engelsch staat a gossip's bowl,

een kom vol gekruid warm bier met gebraden appelen, roasted crabs,

waar praatzieke vrouwen zich gaarne om verzamelden.

II. 1. 70. Klossende Amazoon. In 't Engelsch staat bouncing, een woord,

dat door noisy, bullying, swaggering verklaard wordt en op het geraas

maken bij het gaan moet wijzen; het zware schoeisel van Hippolyta--zij

wordt hier buskin'd genoemd--is hiermede in overeenstemming.--Schmidt

geeft in zijn Sh. Lexicon, tusschen haakjes en met een vraagteeken,

stout, plump op; dit zou stevig, zwaargebouwd, beteekenen.

II. 1. 78. Periguna, volgens North's "Plutarch" de dochter van den

roover Sinnis, die de landengte van Corinthe onveilig maakte; in

't Engelsch staat Perigenia.--Antiopa is eigenlijk een andere naam

voor Hippolyta.

II. 1. 98. Kegelbaan. In 't oorspronkelijke staat the nine men's

morris, (eigenlijk morrils of merrils, van het Fransche merelles

of mereaux) een spel, dat door herders op een vlak gedeelte van het

veld met steentjes enz. gespeeld wordt. Ook de kronkelpaadjes van den

volgenden regel wijzen op landelijke spelen.--Vrij algemeen houdt men

het er voor, dat de dichter in deze schildering van een mislukten

zomer op dien van 1594 doelt, die in Engeland bijzonder storm- en

regenachtig was.

II. 1. 158. Op een Vestale. Onder de Vestale kan men eenvoudig de

Maangodin verstaan, die zich in het westen, dat is naar den kant

van Engeland toe, aan den heuvel vertoonde, maar men kan er ook een

toespeling op Koningin Elizabeth in vinden. Zij wordt een oogenblik

later imperial votaress, die de gelofte van kuischheid heeft afgelegd,

dus "kluizenares" of "priesteres" genoemd. Het bloempje, door Cupido's

pijl geraakt, "Liefde uit oogelust" (reg. 168) heet in 't Engelsch

Love-in-idleness (liefde uit lediggang); dit is een der volksnamen

van het driekleurig viooltje. Oogelust kwam mij hier geschikt voor,

omdat een blik verliefd deed zijn.

II. 1. 195. Gij zeilsteen, hard van hart. You hardhearted

adamant. Adamant beteekent zoowel diamant als magneet en kan dus te

gelijk de hardheid en de aantrekkingskracht van Demetrius aanduiden. In

een boek van Fenton (1569) leest men: "Er is tegenwoordig een soort

van diamant, die vleesch aantrekt en wel zoo sterk, dat hij de macht

heeft om de twee monden van verschillende personen aan elkaar te

hechten en een mensch het hart uit het lijf te trekken, zonder dat

het lichaam aan eenig deel beschadigd wordt".

II. 2. 122. In gouden lett'ren. Love's stories, written in love's

richest book. Zooals hier Helena, wordt in "Romeo en Julia" Graaf

Paris met een kostelijk boek vergeleken; zie aldaar I. 3. 81.

III. 1. 47. Laat hij ronduit zeggen, dat hij Schaaf de schrijnwerker

is. Malone vertelt uit een anekdotenverzameling van Koningin Elizabeths

tijd, dat, toen voor haar bij een vertooning zekere Harry Goldingham

Arion op een dolphijn moest voorstellen en bemerkte, dat hij te heesch

was om te zingen, hij zijn vermomming afrukte en zeide, dat hij niet

Arion, maar Harry Goldingham was; iets, waarin de Koningin verbazend

veel schik had. Misschien stond dit voorval Sh. voor.

III. 1. 133. De koekoek, met dat woord. De woordspeling van cuckoo

en cuckold, horendrager, komt bij Sh. meermalen voor.

III. 2. 296. Bonte boonenstaak. In 't Engelsch wordt de lange Helena

met een Meiboom vergeleken, die met bloemen en linten bont gesierd

werd.

III. 2. 329. Gij peuzel, gij onuitgegroeide kriel. Het Engelsch heeft:

You minimus, of hindering knotgrass made. Knotgrass is een soort

van Polygonum of Duizendknoop, namelijk het kreupelgras of Polygonum

aviculare: van het afkooksel werd geloofd, dat het den groei van een

mensch of dier tegenhield.

III. 2. 380. Aurora's bode, de morgenster, bij welker verschijning de

geesten, die wegens misdrijven geen rust vinden, of de zelfmoordenaars,

die deels aan een kruisweg begraven zijn, deels in het water liggen,

hun omwaren staken. Aurora's lieveling van reg. 389 is de schoone

jager Cephalus, zie V. 1. 200.

IV. 1. 32. Tangen en botten, een dorpsmuziek, waarbij op tangen

en beenderen geslagen werd. In de folio-uitgave is hier als

tooneelaanwijzing bijgevoegd, dat die tangmuziek zich doet hooren.

IV. 1. 46. Zoo slingert teer om geur'ge kamperfoelie Zich

blanke winde. Het is mij thans waarschijnlijker, dat door

woodbine de haagwinde, convolvulus sepium, wordt aangeduid, dan de

kamperfoeliestruik zelf, zooals velen verklaren; daarom is de vroegere

vertaling: "Zoo windt zich lieflijk om haar honigbloem De kamperfoelie"

door een andere vervangen; men zie de Irving-Shakespeare, II. pag. 382.

IV. 1. 78. Deze struik, Diana's roem, zal wel de Vitex agnus [1]

castus zijn; het sap uit den knop er van zou dus de werking van

het viooltjessap opheffen. Een tak van deze voor allerlei vlechtwerk

gebezigde plant zou, in bed gelegd, volgens de oude Grieken kuischheid

bevorderen; men zegt, dat dit geloof nog in Griekenland bestaat en

dat de plant nog dien dienst moet doen.

IV. 1. 144. Sint Velten. Op den in Engeland welbekenden

Sint-Valentijnsdag paren, naar het heet, de vogels.

V. 1. 47. Hercules. Hercules was zelf de held in den strijd met de

Kentauren.--De zanger van Thracië is Orpheus. Men heeft vermoed,

dat De negen Muzen enz. zou doelen op een gedicht van Spenser,

The Teares of the Muses (1591), waarin de Muzen achtereenvolgens

optreden om over het verval en de geringschatting van kunsten en

wetenschappen te klagen. Het gedicht is echter elegisch en niet een

strenge bijtende satire.

V. 1. 147. Dat bloedig blanke zwaard enz. Hier en ook elders in dit

stuk hekelt Sh. het overmatig gebruik van alliteraties, dat in zijn

tijd in zwang was.

V. 1. 198. Limander. Bedoeld is Leander, zooals met Hello Hero,

met Sjefilus Cephalus, met Procrus Procris.

De schoone jager Cephalus, van Thorikos in Attica, en zijn gemalin

Procris hadden in teedere liefde elkander eeuwige trouw beloofd. Hij

wordt, in het gebergte jagend, door Aurora (Eos) geroofd. Om hem

voor eeuwig van zijn gemalin te scheiden, zendt Aurora Cephalus in

veranderde gedaante tot haar, en Procris laat zich door haar man

tot ontrouw verleiden. Nu openbaart Cephalus, wie hij is, en vol

schaamte vlucht Procris naar Creta, waar zij met Diana (Artemis)

jaagt en van haar een nimmer missenden jachtspriet en een alles

inhalenden jachthond erlangt. Daarmee keert zij naar Attica terug en

voegt zich, niet herkend, bij den jagenden Cephalus. Deze wenscht den

jachtspriet en den hond te bezitten en belooft haar, op haar verlangen,

zijn liefde. Zij maakt zich bekend, en daar de echtgenooten elkander

nu niets meer te verwijten hebben, schenken zij elkaar vergiffenis en

leven weer eendrachtig samen. Procris is echter nog steeds ijverzuchtig

op Aurora, vergezelt haar man heimlijk in 't gebergte en wordt door hem

bij vergissing met den nimmer missenden jachtspriet gedood. (Ovidius,

Metamorph. VII. 493 sqq.)--Pyramus en Thisbe kozen alzoo geen volkomen

getrouw paar uit.

Een Midzomernachtdroom · 第 33 / 37 题