LEEUW. "Ooh!"

(De Leeuw brult; Thisbe loopt weg.)

DEMETRIUS. Mooi gebruld, Leeuw.

THESEUS. Mooi gevlucht, Thisbe.

HIPPOLYTA. Mooi geschenen, Maan.--Waarlijk, de maan schijnt niet

zonder bevalligheid.

(De Leeuw rijt Thisbe's mantel stuk en gaat heen.)

THESEUS. Mooi geklauwd, Leeuw.

DEMETRIUS. En daar kwam Pyramus.

LYSANDER. En daar verdween de Leeuw.

(Pyramus komt op.)

PYRAMUS. "Ik dank u, maanlicht, voor uw zonneglans,

Ik dank u, maan, daar gij zoo helder straalt,

Want bij dien gouden lichtgloed is er kans,

Dat mij 't gezicht van trouwe Thisby smaakt.

Maar stil!--wat leed!

O lot, hoe wreed!

Wat jammer is dit hier?

Mijn oog, o ziet!

Dat kan toch niet;

Mijn hartlap, mij zoo dier!

Uw mantel goed

Bevlekt met bloed?

O, alle Furiën, kom!

O, noodlot, schaf

Mijn leven af,

Blusch, doof, verplet, breng om!"

THESEUS. Die hartstocht zou, als de dood van een geliefde vriendin

er bij kwam, toch wel haast in staat zijn iemand naar te maken.

HIPPOLYTA. Bij mijn ziel, ik beklaag den man.

PYRAMUS. "Waarom, natuur, deedt gij den leeuw ontstaan?

Verslikte een leeuw de schoonste jonkvrouw niet,

Die is,--neen was!--waar is zij heengegaan,

Die, lieflijk lachend, 't leven loven liet?

Weg, tranenschaar!

Kom, zwaard, doorvaar

De borst van Pyramus!

Hier links geprikt,

Waar 't hart mij tikt,

Dus sterf ik, dus, dus, dus!

Nu ben ik dood;

Mijn ziel die vlood

En zweeft in hooger dreef;

O, tong, word blind!

O, maan, verzwind!

O, sneef, sneef, sneef, sneef, sneef!"

(Hij sterft. Maneschijn af.)

DEMETRIUS. 't Is zonde, zonde, hij kwam juist op dreef.

LYSANDER. Zou er geen hoop zijn, dat hij leven bleef?

THESEUS. Mijn heelmeester moge hem verplegen; wat de kunst vermag,

zal gedaan worden, want er zijn er geen twee zoo in heel Athene.

HIPPOLYTA. Hoe komt het, dat Maneschijn is weggegaan, voor Thisbe

terugkomt en haar minnaar vindt?

THESEUS. Ze zal hem bij sterrenlicht vinden.--Daar komt zij al,

en haar jammerklacht is het besluit van 't stuk.

(Thisbe komt op.)

HIPPOLYTA. Mij dunkt, ze heeft geen lange weeklacht noodig voor zulk

een Pyramus; ik hoop, dat ze kort zal wezen.

DEMETRIUS. Een stofje kan de schaal doen overslaan, wie beter is,

Pyramus, of Thisbe.

LYSANDER. Zij heeft hem met haar liefelijke oogen alreeds opgespoord.

DEMETRIUS. En ze jammert als volgt:

THISBE. "In slaap, mijn schat?

Wat, wat is dat?

O, Pyramus, ontwaak!

O, spreek, o, spreek!

Wat ziet ge bleek!

Wat! zijt ge dood? o wraak!

Uw leliemond,

Uw neus zoo blond,

Uw wangen van saffraan,

Zijn heen, zijn heen,

O bruidjes, ween,

Dat lookgroen oog vergaan!

Drie zustren, gij,

Komt thans tot mij!

Hoe melkwit is uw hand!

O doopt ze in 't bloed;

Uw schaar verwoed

Doorsneed zijn levensband!

O tong, geen woord!

O zwaard, ga voort,

Doorweek mijn boezem mee;

Vaart, vrienden, wel;

Thipsy sneeft snel;

Atjé, atjé, atjé!"

THESEUS. Maneschijn en Leeuw zijn overgebleven om de dooden te

begraven.

DEMETRIUS. Ja, en Muur ook.

SPOEL (opspringend). Neen, zeker niet; de muur is neergehaald, die

hun vaders scheidde. Behaagt het u nu ook den epiloog te zien of een

zelfbedachten dans tusschen een paar van ons gezelschap te hooren?

THESEUS. Geen epiloog, verzoek ik u, want uw stuk heeft geen

verontschuldiging noodig. Geen enkele verontschuldiging; want als

de spelers allen dood zijn, kan er van geen enkel iets kwaads gezegd

worden. Inderdaad, als hij, die het stuk geschreven heeft, zelf voor

Pyramus gespeeld had en zich aan Thisbe's kouseband had verhangen,

zou het een treffelijk treurspel geweest zijn; en dat is het nog,

inderdaad; en zeer opmerkelijk gespeeld. Maar komt, uw zelfbedachten

dans; en laat den epiloog weg.

(Een dans van de Handwerkslieden.)

Twaalf riep daar middernacht met koop'ren tong;--

Ter rust, gij paren; 't is dra geestentijd.

Een stuk van de' uchtend, vrees ik, slapen wij

Zooals een deel der nacht is doorgewaakt.

Dit tastbaar dwaze spel deed toch de nacht

Haar tragen gang vergeten.--Komt, ter rust!--

Zóó duur' nog veertien daag de feestlijkheid;

Dat iedere avond nieuwe vreugd bereid'!

(Allen af.)

(Puck komt op, met een bezem op schouder.)

PUCK.

Hongrig brult de leeuw nu weer;

Huilend groet de wolf de maan;

Snurkend ligt de ploeger neer,

Nu zijn dagtaak is gedaan;

Nauw één vonk in de asch nu gloort;

Uilgekras klinkt in de nacht;

En de kranke, die het hoort,

Huivert, dat het graf hem wacht,

't Is nu middernacht, de tijd,

Dat de graven openstaan,

En, van hunnen boei bevrijd

Alle geesten waren gaan;

En wij elfen, die met dans

Om 't gespan van Hecaté

Zweven, doch voor zonneglans

Vlieden, met het duister mee,

Zijn nu lustig; niet een muis

Store dit gewijde huis;

'k Veeg het met den bezem schoon,

Dat geen smetje zich vertoon'!

(Oberon en Titania, met Gevolg, komen op.)

OBERON.

Spreidt uw lichtgloed om u heen,

Want geen vonkje geeft hier schijn;

Iedere Elfe repp' de leên,

Vlug en lucht als 't vogelkijn,

En herhale wat ik zing,

Zinge 't lustig, danse en spring'!

TITANIA.

Zing,--en klink' op ieder woord

Van het lied het juist akkoord!

Vorm een keten en verspreî

Zoeten zegen, elfenrei!

(Gezang en dans.)

OBERON.

Danst tot de uchtendzonneglans,

Elfen, in dit huis uw dans.

Zeeg'nend zweven onze schreên

Om het schoonste bruidsbed heen.

Groeien, bloeien, jaar op jaar,

Zal het kroost van 't edel paar;

Eeuwig bind' de teêrste trouw

Deze drie paar man en vrouw;

En de spruiten van hun bed

Blijven vrij van elke smet;

Hen ontsier' geen moedervlek,

Geen misvorming of gebrek,

Dat een ouder in zijn kind,

Schriklijk ducht en gruwlijk vindt!

Sprenkelt, Elfen, op den grond

Dezen heil'gen dauw in 't rond;

Wijdt er iedre kamer mee

Van 't paleis, tot vreugde en vreê:

Eeuwig worde, die er woont,

Met het hoogste heil gekroond!

Flink uw plicht

Nu verricht;--

Treft mij weer bij 't morgenlicht!

(Oberon, Titania en Gevolg af.)

PUCK (tot het Publiek).

Heeft dit schimmenspel mishaagd,

Denkt dan, dat ge in sluim'ring laagt,

En 't u,--dan vergeeft gij 't wis,--

Als gezicht verschenen is.

Gispt het niet, dat deze nacht

U een droom, niets anders, bracht,

Want wij geven u misschien

Dra wat beters weer te zien.

Hebben wij,--dit zegt u Puck,--

Heden 't onverdiend geluk,

Dat geen slangenstem ons groet,

Weldra maken we alles goed;--

Of noem Puck een leugenaar.

Goede nacht nu, al te gaar!

Toont handgeklap aan Puck uw gunst,

Dan toont hij ras u beetre kunst.

(Allen af.)

Een Midzomernachtdroom · 第 32 / 37 题