DISSEL. Geurt, geurt!
PYRAMUS. O ja! een roosje lieflijk geurt,
Zoo geurt uw adem, beste Thisby mijn;--
Maar zie, een stem! Wacht maar eens effen hier
Een korte poos, tot ik op nieuw verschijn.
(Pyramus af.)
PUCK (ter zijde). Een Pyramus, zooals er weinig zijn!
(Puck af.)
THISBE. Is nu de beurt aan mij?
DISSEL. Ja zeker is het; want je moet begrijpen, hij is maar effen
heengegaan, om naar een geluid te kijken, dat hij gehoord heeft,
en hij komt zoo dadelijk weerom.
THISBE. O straallicht Pyramus, hoogst leliewit van kleur,
Zoo blozend als de roos van de' eedlen eglantier,
Gij pronkjuweel, o gij, der jongre mannen keur,
Trouw als het trouwste paard, dat nooit vermoeid en wier,
'k Ontmoet u, Pyramus, aan Ninny's graf.
DISSEL. "Ninus' graf," mensch. Maar dat moet je nu nog niet zeggen;
dat is je antwoord aan Pyramus; je zegt zoo je heele rol achter mekaâr
op, wachtwoorden en alles.--Pyramus, kom toch; je wachtwoord is er
al geweest; het is: "vermoeid en wier."
(Puck komt terug, en Spoel, van een ezelskop voorzien.)
THISBE. O! trouw als 't trouwste paard, dat nooit vermoeid en wier.
PYRAMUS. Ware ik, o Thipsy, schoon, dan minde ik u alleen.
DISSEL. O, wat een monster! wonderlijk! wonderlijk! een spook! een
spook! vlucht, mannen, vlucht! help! help!
(De Handwerkslieden loopen weg.)
PUCK. Nu volg ik u en voer u om en rond,
Door bosch, moeras, struik, dorens, heen en weer;
nu zal ik ever zijn en dan weer hond,
Nu dwalend vuur, dan paard en dan een beer;
En knor en blaf en vlam en briesch en brom,
Als ever, hond, vuur, paard, beer, om en om.
(Puck af.)
SPOEL. Waarom loopen ze weg? Dat is een schelmsche streek van hen,
om me bang te maken.
(Tuit komt weer op.)
TUIT. O Spoel! wat ben je veranderd! wat zie ik daar voor een kop!
(Tuit af.)
SPOEL. Wat je ziet? Je ziet je eigen ezelskop? Is het zoo niet?
(Dissel komt weer op.)
DISSEL. God bewaar je, Spoel! je bent verfigureerd!
(Dissel af.)
SPOEL. Ik ruik hun schelmerij; ze zouden een ezel van me willen maken;
me schrik willen aanjagen, als ze maar konden. Maar ik ga hier niet
van daan, laten ze doen wat ze willen; ik wil hier op en neer wandelen
en een liedje zingen; dan kunnen ze hooren, dat ik niet bang ben.
(Hij zingt.)
"De merel, met zijn zoet gefluit,
Met bek als eierstruif,
De lijster met zijn fraai geluid,
't Goudhaantje met zijn kuif;"
(Titania ontwaakt.)
TITANIA. Welke engel roept mij van mijn bloembed op?