"De leeuwrik, vink en wielewaal,
De koekoek, met dat woord,
Dien roep, die meer dan één gemaal
Wel minder gaarne hoort;--
want niemand is wel zoo gek, een vogel te willen tegenspreken,
al roept hij het nog zoo dikwijls achtereen, maar het is toch niet
pleizierig zoo aangeroepen te worden.
TITANIA. O, zing nog eens, beminn'lijk sterveling;
Uw zang drong door mijn oor in mijne ziel,
Zooals uw schoon mijn oog in boeien sloeg;
En zoo nam uw waardij het hart mij in,
Dat ik na de' eersten blik u zweer; "ik min."
SPOEL. Mij dunkt, jonkvrouw, dat ge daar toch wel eenige reden voor
zoudt mogen hebben; maar toch, om de waarheid te zeggen, rede en liefde
gaan tegenwoordig al heel weinig samen om; het is daarom wel jammer,
dat eenige brave buren de moeite niet willen doen om ze bijeen te
brengen.--Niet waar, ik kan ook wel geestig zijn, als het zoo te
pas komt?
TITANIA. Ge zijt zoo wijs, als gij bekoorlijk zijt.
SPOEL. Och neen, dat ook al niet. Maar als ik nu maar wijsheid
genoeg had om uit dit woud te komen, dan had ik genoeg om het er mee
te stellen.
TITANIA. Neen, neen, geen vlucht; ziedaar wat ik verbied;
Gij moet hier blijven, of gij wilt of niet.
Ik ben een geest van ongemeenen stand;
't Is eeuwig zomer in mijn elfenland,
En ik bemin u; daarom, gaat met mij,
Ik geef tot dienaars u een elfenrij,
Die op den zeegrond parels voor u raapt,
En voor u zingt, terwijl ge op bloemen slaapt;
En 'k louter zoo de logheid van uw leest,
Dat gij zult zweven, luchtig als een geest.
Mot! Erwtebloesem! Spinrag! Mosterdzaad!
(Vier Elfen treden naar voren.)
1STE ELF. Gereed.
2DE ELF. En ik!
3DE ELF. En ik!
4DE ELF. Wat is te doen?
TITANIA. Bedient deze' edelman, vliegt op zijn wenk;
Omzweeft zijn schreên, springt hupp'lend om hem heen;
Zoekt bramen, druiven, zoet en frisch meteen,
Vijg, abrikoos en moerbei, 't eêlste alleen;
Rooft 't honigblaasje aan de bij; haar scheen,
Met was beladen, zij zijn kaars, en leen'
Van 's glimworms oog het vuur; verlicht zijn schreên
Met zorg, als hij ter ruste wenscht te treên;
En 't bonte wiekje, vlinders afgesneên,
Weer' 't maanlicht van zijn slapende oogeleên;
Buigt voor hem, Elfen, viert hem ongemeen!
1STE ELF. Heil, sterv'ling!
2DE ELF. Heil!
3DE ELF. Heil!
4DE ELF. Heil!
SPOEL. Ik bedank uw edelheden recht hartelijk.--Mag ik u verzoeken,
uw edelheids naam?
SPINRAG. Spinrag.
SPOEL. Ik hoop nog wel eens nader met u kennis te maken, beste heer
Spinrag; als ik mij in den vinger gesneden heb, zal ik zoo vrij zijn
aan te kloppen.--Uw naam, edel heer?
ERWTEBLOESEM. Erwtebloesem.
SPOEL. Ik bid u, mijn eerbiedige groete te doen aan mejuffrouw
Erwteschil, uw moeder en aan mijnheer Dopper, uw vader. Beste heer
Erwtebloesem, ik hoop ook met u nader kennis te maken.--Uw naam,
heer, als ik vragen mag?
MOSTERDZAAD. Mosterdzaad.
SPOEL. Beste heer Mosterdzaad, ik ben met uw lijdzaamheid wel bekend;
dat flauwhartige, lompzware ossenvleesch heeft al menigen edelman van
uw familie verslonden; ik kan u verzekeren, menigeen van uw geslacht
heeft mij al heel wat tranen uit de oogen geperst. Ik hoop nog nadere
kennis te maken, beste sinjeur Mosterdzaad.
TITANIA. Komt, voert hem naar mijn bloemengrot nu heen;
Ziet, 't is alsof de maan weemoedig blikt;
En als die weent, weent iedre bloem, hoe kleen,
Wijl ruw een maagdebloemke wordt geknikt.--
Stil, boeit mijn lief de tong, dat hij niet kikt.
(Allen af.)