DISSEL. Wat wil je, ijzervreter Spoel?
SPOEL. Er zijn dingen in deze comedie van "Pyramus en Thisby," die
nooit zullen bevallen. Vooreerst, Pyramus moet een zwaard trekken om
zijn eigen te dooden; en dat kunnen de dames niet verdragen. Hoe zul
je dat verantwoorden?
TUIT. Sapperment, dat is een kwaad ding!
SLOKKER. Ik geloof, dat wij, alles wel beschouwd, dat doodsteken er
maar uit moesten laten.
SPOEL. Neen, geen zier er uitlaten; ik heb een inval om alles in
den haak te brengen. Schrijf maar een voorafspraak, of proloog;
en in die voorafspraak moet zooveel als gezegd worden, dat we geen
kwaad zullen doen met onze zwaarden, en dat Pyramus niet wezenlijk
doodgestoken wordt; en om er nog meer gerust te stellen, zeg haar,
dat ik, Pyramus, niet Pyramus ben, maar Spoel de wever; dat zal er
heelemaal op haar gemak zetten.
DISSEL. Goed, we willen zoo'n voorafspraak hebben; en die moet dan
geschreven worden in verzen zoo van vier en drie voet, om en om.
SPOEL. Neen, neen, neem er nog wat meer voeten bij, dan staat het
beter op pooten.
TUIT. Zouden de dames ook niet angstig zijn voor den leeuw?
SPOEL. Mannen, je moogt het bij jezelf wel bedenken: een leeuw, God
beter 't, zoo onder dames te brengen, dat is iets heel eiselijks,
want er is geen schrikachtiger roofvogel dan zoo'n leeuw, als hij
levendig is; en daar mogen wij wel voorzichtig meê zijn.
TUIT. En daarom moet nog een andere voorafspraak zeggen, dat hij geen
leeuw is.
SPOEL. Ja, je moet zijn naam noemen, en zijn halve gezicht moet te zien
wezen door den leeuw zijn hals, en daar moet hijzelf door heen spreken,
en zich, om zoo te zeggen, aldus spectoreeren: Dames of schoone dames,
ik wou vragen, of ik wou verzoeken, of ik wou aandringen, dat gij
niet bang zijt en niet siddert: mijn leven voor het uwe. Als ge dacht,
dat ik een leeuw was, die hier kwam, dan speet het mij bij mijn ziel;
neen, ik ben zoo iets volstrekt niet; ik ben een man precies als
andere mannen;--en laat hij dan wezenlijk zijn naam noemen, en haar
ronduit zeggen, dat hij Schaaf de schrijnwerker is.
DISSEL. Goed, dat zal gebeuren. Maar er zijn nog twee kwade dingen;
en dat is, het maanlicht in een kamer te brengen; want je weet,
Pyramus en Thisbe ontmoeten elkaâr bij maanlicht.
SCHAAF. Schijnt de maan, den avond dat wij spelen?
SPOEL. Een almanak, een almanak! kijk in den almanak! zoek naar den
maneschijn, zoek naar den maneschijn.
DISSEL. Ja wel, ze schijnt dien avond.
SPOEL. Wel, dan kun je een luik van het groote kamervenster open laten,
als we spelen, en de maan zal door het luik naar binnen schijnen.
DISSEL. Ja, of anders moet er een komen met een takkenbos en
een lantaarn, en zeggen, dat hij komt om te verfigureeren of te
presenteeren den persoon van den Maneschijn. Maar dan is er nog
een ander ding; wij moeten een muur hebben in de groote kamer, want
Pyramus en Thisby, zegt de geschiedenis, praatten samen door de spleet
van een muur.
SCHAAF. Je kunt nooit een muur daar binnen brengen.--Wat zeg jij,
Spoel?
SPOEL. De een of ander moet den muur verpresenteeren; laat hem wat
pleister, of wat kalk, of wat mortel bij zich hebben, om den muur
uit te duiden; en laat hem zijn vingers zoo uit elkaar houden, en
door die spleet moeten Pyramus en Thisby fluisteren.
DISSEL. Als dat kan, is alles klaar. Komt, gaat zitten, zooals je daar
bent, en gaat de rollen rippeteeren. Pyramus, jij begint; als jij je
rede gesproken hebt, ga dan achter die heg, en zoo doet iedereen naar
gelang van zijn wachtwoord.
(Puck verschijnt op den achtergrond.)
PUCK. Wat boerenezels balken hier zoo luid
Vlak bij de koets der Elfenkoningin?
Wat! een vertooning? Nu die zie ik aan,
En speel nog mee, als ik er lust in krijg.
DISSEL. Spreek, Pyramus! Jij, Thisby, kom vooruit.