SPOEL. Pieter Dissel,--

DISSEL. Wat wil je, ijzervreter Spoel?

SPOEL. Er zijn dingen in deze comedie van "Pyramus en Thisby," die

nooit zullen bevallen. Vooreerst, Pyramus moet een zwaard trekken om

zijn eigen te dooden; en dat kunnen de dames niet verdragen. Hoe zul

je dat verantwoorden?

TUIT. Sapperment, dat is een kwaad ding!

SLOKKER. Ik geloof, dat wij, alles wel beschouwd, dat doodsteken er

maar uit moesten laten.

SPOEL. Neen, geen zier er uitlaten; ik heb een inval om alles in

den haak te brengen. Schrijf maar een voorafspraak, of proloog;

en in die voorafspraak moet zooveel als gezegd worden, dat we geen

kwaad zullen doen met onze zwaarden, en dat Pyramus niet wezenlijk

doodgestoken wordt; en om er nog meer gerust te stellen, zeg haar,

dat ik, Pyramus, niet Pyramus ben, maar Spoel de wever; dat zal er

heelemaal op haar gemak zetten.

DISSEL. Goed, we willen zoo'n voorafspraak hebben; en die moet dan

geschreven worden in verzen zoo van vier en drie voet, om en om.

SPOEL. Neen, neen, neem er nog wat meer voeten bij, dan staat het

beter op pooten.

TUIT. Zouden de dames ook niet angstig zijn voor den leeuw?

SPOEL. Mannen, je moogt het bij jezelf wel bedenken: een leeuw, God

beter 't, zoo onder dames te brengen, dat is iets heel eiselijks,

want er is geen schrikachtiger roofvogel dan zoo'n leeuw, als hij

levendig is; en daar mogen wij wel voorzichtig meê zijn.

TUIT. En daarom moet nog een andere voorafspraak zeggen, dat hij geen

leeuw is.

SPOEL. Ja, je moet zijn naam noemen, en zijn halve gezicht moet te zien

wezen door den leeuw zijn hals, en daar moet hijzelf door heen spreken,

en zich, om zoo te zeggen, aldus spectoreeren: Dames of schoone dames,

ik wou vragen, of ik wou verzoeken, of ik wou aandringen, dat gij

niet bang zijt en niet siddert: mijn leven voor het uwe. Als ge dacht,

dat ik een leeuw was, die hier kwam, dan speet het mij bij mijn ziel;

neen, ik ben zoo iets volstrekt niet; ik ben een man precies als

andere mannen;--en laat hij dan wezenlijk zijn naam noemen, en haar

ronduit zeggen, dat hij Schaaf de schrijnwerker is.

DISSEL. Goed, dat zal gebeuren. Maar er zijn nog twee kwade dingen;

en dat is, het maanlicht in een kamer te brengen; want je weet,

Pyramus en Thisbe ontmoeten elkaâr bij maanlicht.

SCHAAF. Schijnt de maan, den avond dat wij spelen?

SPOEL. Een almanak, een almanak! kijk in den almanak! zoek naar den

maneschijn, zoek naar den maneschijn.

DISSEL. Ja wel, ze schijnt dien avond.

SPOEL. Wel, dan kun je een luik van het groote kamervenster open laten,

als we spelen, en de maan zal door het luik naar binnen schijnen.

DISSEL. Ja, of anders moet er een komen met een takkenbos en

een lantaarn, en zeggen, dat hij komt om te verfigureeren of te

presenteeren den persoon van den Maneschijn. Maar dan is er nog

een ander ding; wij moeten een muur hebben in de groote kamer, want

Pyramus en Thisby, zegt de geschiedenis, praatten samen door de spleet

van een muur.

SCHAAF. Je kunt nooit een muur daar binnen brengen.--Wat zeg jij,

Spoel?

SPOEL. De een of ander moet den muur verpresenteeren; laat hem wat

pleister, of wat kalk, of wat mortel bij zich hebben, om den muur

uit te duiden; en laat hem zijn vingers zoo uit elkaar houden, en

door die spleet moeten Pyramus en Thisby fluisteren.

DISSEL. Als dat kan, is alles klaar. Komt, gaat zitten, zooals je daar

bent, en gaat de rollen rippeteeren. Pyramus, jij begint; als jij je

rede gesproken hebt, ga dan achter die heg, en zoo doet iedereen naar

gelang van zijn wachtwoord.

(Puck verschijnt op den achtergrond.)

PUCK. Wat boerenezels balken hier zoo luid

Vlak bij de koets der Elfenkoningin?

Wat! een vertooning? Nu die zie ik aan,

En speel nog mee, als ik er lust in krijg.

DISSEL. Spreek, Pyramus! Jij, Thisby, kom vooruit.

Een Midzomernachtdroom · 第 13 / 37 题