„Jullie zult toch zeker niet dulden, dat ze je vriend in de Bajes

brengen? Slaat er op, dat hun helmen wegvliegen!”

En tegelijkertijd sloeg zij reeds met haar parapluie naar den agent.

Deze had werk om de nu snel op elkaar volgende slagen af te weren en

wilde juist zijn sabel trekken, toen de vijf arbeiders met kracht de

beide agenten wegduwden en den gevangene in een kring insloten. Een

eindweegs duwden zij hem voort, daarop zette hij het zelf op een loopen

zoo snel hij kon.

Honderd pas verder stond een ander rijtuig, blijkbaar op iemand te

wachten.

Maar nog voordat de kameraden van den misdadiger en deze zelf het

rijtuig konden bestijgen om weg te rijden, kwam een ander rijtuig

aangereden, waaruit twee beambten in uniform, commissaris Böcher en de

detective sprongen.

Ook de twee andere politieagenten die zich met groote krachtsinspanning

van hun aanvallers hadden bevrijd, kwamen aangesneld.

Vol woede, met hun messen in de hand, wierpen de handlangers van

Silezischen Adolf zich op de beambten. Adolf zelf sloeg en trapte als

een razende om zich heen.

Nu beval de commissaris de sabels te trekken en dit maakte al rasch een

einde aan den strijd.

Een der aanvallers stortte gewond neer, een paar ontvluchtten

schreeuwend en de anderen gaven zich op genade of ongenade over.

Met den gevangene, die als een duivel om zich heen beet en trapte,

hadden de agenten de meeste moeite. Eindelijk wierpen zij hem, aan

handen en voeten geboeid in het rijtuig.

Een der beide vrouwen, die samen ontsnapt waren, had op haar vlucht een

taschje verloren, dat Henry Stern opende en waaruit hij een

zakkalendertje met haar adres te voorschijn haalde.

„Drommels!” sprak Böcher lachend, „ik geloof, dat zij een oude, goede

bekende van ons is. Het beste is, dat wij de agenten met het transport

naar het hoofdbureau zenden en zelf op onderzoek naar dit vrouw-mensch

uittrekken.”

In de beide rijtuigen werden nu Silezische Adolf en zijn eveneens

geboeide handlangers gepakt, onder geleide der agenten terwijl de

commissaris en Stern een ander rijtuig namen.

Zij reden naar de Gollnowstraat, waar het meisje, dat blijkbaar de

bruid van Silezischen Adolf was, woonde.

Zij waren nog niet eens zoo ver gekomen, toen Henry Stern, toevallig

naar buiten kijkend, de beide vrouwen uit een kleinen

banketbakkerswinkel zag komen.

„Let op”, sprak Böcher, „ik stap nu, achter haar, uit, jij rijdt nog

een eindje verder en loopt haar dan tegemoet. Op die wijze kunnen ze

ons niet ontsnappen.”

Weinige minuten later zaten de beide vrouwspersonen met haar

ongewenschte cavaliers in een gesloten rijtuig, dat hen samen naar het

Alexanderplein bracht.

Reeds onderweg verklapte de eene, die alles in het werk stelde om weer

op vrije voeten te komen, de zaak. Zij vertelde nauwkeurig, hoe het

plan om Silezischen Adolf te bevrijden, was uitgegaan van haar

gezellin, de zwarte Rosa, die de bruid van den misdadiger was.

Nu hadden de beide mannen werk om het liefje van den inbreker, dat als

een furie op haar vriendin losvloog, tegen te houden.

De andere verried in haar woede nog meer.

„Je kunt zeggen, wat je wilt. De halsketting had hij bij ons, in de

Beumestraat...”

De beide vrienden wisselden een snellen blik van verstandhouding.

„Waar had hij die ketting gekregen?” vroeg Peter Böcher.

„Van den een of anderen graaf!” antwoordde het meisje. „Misschien heeft

hij het ding nog in zijn huis.”

„Waar woont Adolf Müller?”

Maar nog voordat het meisje had kunnen antwoorden, stortte haar

vriendin zich op haar.

Een woest gevecht speelde zich nu in het rijtuig af. De glasscherven

vlogen op straat, de koetsier liet de paarden stilstaan en een groote

menigte verzamelde zich om den wagen.

Er bleef niets anders over, dan dat ieder der beide mannen met een der

meisjes in een rijtuig steeg en naar het politiebureau reed.

De detective was in gezelschap van de zeer toegetakelde vriendin der

zwarte Rosa. Hij had met den commissaris afgesproken, dat hij het

meisje haar vrijheid terug zou geven, zoodra hij het adres der woning

van Adolf van haar had gekregen.

En dit duurde niet lang; het rijtuig hield stil, het meisje maakte zich

uit de voeten en de detective reed naar het noordelijk gedeelte der

stad.

Daar, vlak bij het danshuis, waar hij zulke bittere ervaringen had

opgedaan, was de woning van Silezischen Adolf.

Hij woonde daar bij een vrouw, die een zeer ongunstigen indruk maakte

en gewoonweg ontkende, Adolf ooit gezien te hebben. Zij wilde Stern

beletten, het huis binnen te treden.

Deze echter duwde haar eenvoudig op zij met de woorden dat zij, als zij

nog verdere bezwaren maakte, eveneens gevangen genomen zou worden.

Intusschen verscheen ook Böcher, die telephonisch bericht van Stern had

gekregen.

De beide vrienden moesten lang zoeken, eer zij dat, wat hun bijzonder

interesseerde, in de woning van Silezischen Adolf hadden gevonden.

Wel vielen hun al dadelijk verschillende voorwerpen van waarde in

handen, die afkomstig moesten zijn van kleinere of grootere

diefstallen, maar het diamanten collier was niet te vinden en ook geen

enkel spoor van dezen diefstal.

Toevalligerwijze zag Henry Stern, wiens speurdersoog overal rondblikte,

in een aschbakje een menigte sigarettenpuntjes liggen. Zij waren alle

zonder mondstuk, behalve een met een lang mondstuk, waarop in gouden

letters „C. D. M.” en een gouden kroontje waren gedrukt. Een beetje

verder stond de naam der firma „C. Caldiropulos, Berlijn W.”

Met een fijnen glimlach nam Stern het papierrolletje op en toonde het

zijn vriend.

Deze begreep dadelijk, dat nu het raadsel was opgelost.

Silezische Adolf was het werktuig van een ander geweest.

Een half uur later hield het rijtuig met de beide ambtenaren van

politie stil voor den sigarettenwinkel van een Griek, die hun op hun

vragen mededeelde, dat deze soort van sigaretten uitsluitend werd

vervaardigd voor de Club der Millionairs.

NEGENDE HOOFDSTUK.

DE MACHT DER LIEFDE.

Baron Von Hartstein zat juist met zijn echtgenoote aan het diner, toen

de bediende een kaartje binnenbracht.

Toen hij een blik op den naam had geworpen, sprak hij, aangenaam

verrast:

„Laat dien heer dadelijk in mijn particulier kantoor!”

„Is het zoo’n gewichtig bezoek, Maximiliaan?” vroeg zijn vrouw

verbaasd.

„Zeker”, antwoordde de millionair en ging de kamer uit.

Een kwartier later kwam hij in zeldzame opwinding terug.

Zonder te weten waarom, had Adelheid een gevoel, alsof er iets

vreeselijks zou gebeuren, zij voelde zich den laatsten tijd, ondanks de

geruststellende verzekering van Lord Brigham, voortdurend zenuwachtig

en angstig.

Haar echtgenoot had weer aan tafel plaats genomen en bleef in diepe

gedachten voor zich uit staren.

Eindelijk vroeg de jonge vrouw op bedeesden toon:

„Wat is er, Maximiliaan?.... Je maakt mij door je houding angstig.”

„Het is ook bijna niet te gelooven”, antwoordde de bankier.

„Wat dan? Vertel het mij toch!” smeekte zij.

De bankier schudde het hoofd, bromde iets in zijn grijze snor en scheen

weer ernstig na te denken.

Eindelijk sprak hij:

„Het is onmogelijk! Het kan niet....”

En weer na een pauze:

„Die lui.... hm.... hm.... die detective en commissaris.... zij

gelooven....”

Weer zweeg hij.

„Neen! neen! neen! Het is àl te belachelijk! Het is een overdreven

inval van de politie!”

Steeds angstiger en bijna weenend vroeg Adelheid:

„Maar ik begrijp je niet! Je spreekt zoo onduidelijk! Wat is dan toch

onmogelijk? Verdenken die heeren iemand, die... die ons interesseert?”

Terwijl zij dit vroeg, vermoedde de jonge vrouw reeds alles. Steeds

weer alles combineerend, wat er sinds dien nacht in haar slaapkamer was

gebeurd, had zij een voorgevoel gekregen, dat zij met alle kracht van

zich af wilde zetten.

Zij waagde het niet, zich geheel rekenschap te geven van haar

gedachten, maar zij wist van te voren, wat haar echtgenoot haar nu zou

meedeelen. En daarom was zij niet zoo verbaasd als hij het zooeven was

geweest.

„De beide heeren vermoeden,” sprak hij, „dat de dief van je collier een

der leden van de millionairsclub is. Wie—dat hebben zij zelf nog niet

ontdekt. Zij vroegen mij, of ik iemand verdacht, ik kon natuurlijk niet

het minste zeggen... Ik geloof, dat het een vergissing is en heb hun

den raad gegeven, zoo voorzichtig mogelijk te werk te gaan.”

Het was de jonge vrouw, alsof plotseling al haar bloed tot ijs was

geworden, een onnatuurlijke kalmte had zich van haar meester gemaakt.

Zij wist nu, wie haar het collier ontstolen had!

Maar geen enkele gedachte aan toorn kwam bij haar op. Zij vroeg niet,

waarom hij zoo gehandeld had. Zij bedacht niet, dat hij een misdadiger

was, dat hij niet paste in de kringen, waarin hij zich bewoog en waarin

hij zulk een sympathieke verschijning was!

„Je blijft merkwaardig kalm”, merkte de bankier op.

Zij glimlachte. Daarop sprak zij op onverschilligen toon:

„Er gebeurt zooveel ongehoords, dat men zich over niets meer behoeft te

verbazen.”

„Nu, het is goed, dat je het kalm opneemt”, sprak Von Hartstein, „maar

het bewijst, dat gij, vrouwen, sterkere zenuwen hebt dan wij. En nu

moet je mij verontschuldigen, ik heb een gewichtige vergadering.”

O, hoe gaarne verontschuldigde zij hem!

Nauwelijks had hij de kamer verlaten, toen ook zij zich door haar

kamenier liet kleeden om uit te gaan. Zij knoopte een dichten, bijna

ondoorzichtigen sluier om haar hoed en verliet te voet de villa.

In een andere straat nam zij een automobiel, waarin zij zich naar een

afgelegen stadsgedeelte liet brengen. Daarop reed zij per tram een

eindweegs en legde een verder deel van haar weg weer te voet af.

Eindelijk nam zij nog een huurrijtuig en reed tot aan de straat, waarin

hij woonde.

Het laatste eindje, tot aan zijn huis, legde zij te voet af.

Zij snelde de trappen op en was innig gelukkig, toen de deftige

bediende haar meedeelde, dat zijn heer thuis was.

Zij ging binnen in de kamer, waar hij was en nu vloeiden haar de

woorden van de lippen.

„Men vervolgt u! Men is u op het spoor! Zij weten alles! Gij moet

vertrekken! Dadelijk, zoo gauw mogelijk!”

Nauwelijks verschrikt keek hij haar eenige oogenblikken met zijn

verstandige, wonderschoone oogen aan.

Daarop ging hij naar zijn schrijfbureau, opende een der vakjes en nam

daaruit het diamanten collier.

Een blos van vreugde kleurde haar wangen, daarop echter drong zij er

weer op aan, dat hij zich zou haasten.

Hij schudde glimlachend het hoofd.

„Ik blijf!” antwoordde hij. „Ik weet niet eens, of die onnoozele kerels

zooveel verstand bezitten om het lid der club, dat zij zoeken, uit te

vinden... Ik ben niet gewend heen te gaan, voordat ik er de hooge

noodzakelijkheid van inzie..... Maar gij, arm vrouwtje, gij moet hier

vandaan! Ik hoop, dat wij elkaar nog eenmaal zullen weerzien!”

De jonge vrouw bracht haar zakdoekje naar de oogen toen zij heenging en

een vastberaden trek lag om haar mond.

Zij liet het collier in haar zak glijden en sloop als een schaduw de

stille straten van dat stadsgedeelte door.

Zoo kwam zij in den Dierentuin en bij het donkere, troebele water

gekomen gleed haar hand in den zak van haar japon. Niemand was rondom

haar te zien.

Bij het scheidende licht van den dag glinsterde en fonkelde iets,—dat

was het diamanten collier—dat zij neerwierp in het diepe donkere

meer......

TIENDE HOOFDSTUK.

DE LORD GAAT HEEN.

In de Millionairsclub heerschte de grootste ontsteltenis.

Door den hofmeester namelijk was het den heeren bekend geworden, dat de

politie onder de clubleden een misdadiger vermoedde en naar hem zocht.

„Het is bijna ongelooflijk, tot welke stommiteiten de politie soms in

staat is”, sprak de kleine burggraaf Von Hennequin.

En graaf Steineck, de president der millionairsclub voegde er aan toe:

„Eerlijk gezegd, hebben de heeren van de recherche dan ook een alles

behalve gemakkelijke taak.

„Maar, nietwaar, men moet hun toch wel zooveel onderscheidingsvermogen

toeschrijven, dat zij moeten kunnen schiften—degelijk schiften. Ik

bedoel—, ik meen—, dat ze toch wel degelijk rekening moeten houden met

rang—met stand—met—met—eh—eh—nu ja, om het maar zoo eens te noemen—ze

moeten toch wel degelijk denken aan het moreele gewicht van de

persoonlijkheden, die door ons waardig worden gekeurd om als

clubgenooten te worden opgenomen— —eh— —eh— —ik bedoel—ik meen— —dat

moest toch voor de heeren van de politie waarborg genoeg zijn—meer dan

waarborg genoeg—dat moest hun te allen tijde ervan overtuigen dat hier

alles zuiver toegaat.

„Eh— —eh— —eh— —wat is dat voor een zot idee— —een bespottelijk idee—

—een van onze clubgenooten.........? Wij hebben twintig heeren in onze

club—of eenentwintig— —eh— —eh— —hoeveel zijn het er ook weer precies—

—ik weet het niet al te juist— —enfin, dat is toch wel heel gemakkelijk

te tellen— —en als een van die twintig—of eenentwintig—ook maar het

allerkleinste sikkepitje over de schreef gaat— —eh— —eh— —ik bedoel—

—ik meen— —als hij door z’n karakter— —als hij maar een ziertje, een

snippertje aanstoot zou geven...”

De graaf legde beide handen met een allergewichtigst gebaar op de zware

eikenhouten tafel en boog zich een eindweegs naar voren.

Toen begon hij weer opnieuw.

„Ja, mijne heeren, ik meen, dat wij met alle kracht moeten opkomen

tegen deze ongehoorde en mijns inziens ook ongeoorloofde daad van de

politie om maar ongevraagd bij ons binnen te dringen.

„Ik stel voor om een dergelijk optreden op hoffelijke maar energieke

wijze te beletten.

„En bovendien!

„Wij zouden het toch zelf wel weten als onder ons zich een

minderwaardige bevond!”

In hetzelfde oogenblik kwam de jongste der vier bestuursleden, lord

Brigham binnen.

Deze was eerst kort geleden tot bestuurslid gekozen.

Op levendigen toon verontschuldigde hij zich, dat hij zich een weinig

verlaat had en eerst nu kon komen op de inderhaast bijeengeroepen

samenkomst.

Toen hij hoorde, waarover gesproken werd, zei hij met een glimlach, die

zijn gelaat een buitengewone aantrekkelijkheid gaf:

„Maar heeren! De zaak is toch héél eenvoudig!

„Weet ge, wat?

„Wij moeten ons eenvoudig opstellen in een lange rij en dan langs de

heeren der politie gaan defileeren.

„Die kunnen dan samen beslissen, wie van ons het meest verdacht er

uitziet!”

Er werd hartelijk gelachen om dezen grappigen uitval van den jongen

lord.

Nadat nog langen tijd geredeneerd was over de in dezen te volgen

gedragslijn, werd besloten om een schrijven te zenden naar het hoofd

der politie.

Dit schrijven zou worden onderteekend door al de clubleden en de inhoud

ervan zou een verzoek behelzen om in den vervolge de Millionairsclub te

verschoonen van dergelijk bezoek.

Daarna trokken de heeren zich in kleine groepjes terug in de gezellige

zaaltjes en werd verder de tijd gedood met een of ander spel of met

aangenaam gebabbel.

Aan de onverkwikkelijke zaak werd niet meer gedacht.

Het was omstreeks half acht.

Lord Brigham verliet in gezelschap van graaf Steineck en den burggraaf

Von Hennequin de club om naar de opera te rijden.

Toen zij het gebouw juist hadden verlaten, trad hen een heer in civiel

tegemoet, die zich als commissaris van politie bekend maakte.

Op den meest hoffelijken toon vroeg hij, wie van de drie clubleden wel

lord Brigham was.

Met een bijna onhoorbaar lachje maakte de lord zich bekend en stelde

zijn identiteit vast.

De beide andere heeren waren zeer opgewonden.

Op luiden, dringenden toon verklaarden zij, dat zij te allen tijde

instonden voor hun clubgenoot.

De commissaris der recherche Peter Böcher—zijn collega Henry Stern

stond aan de overzijde der straat te wachten en op te letten—begon nu

toch te aarzelen.

Totnogtoe was de politie door telegrafische inlichtingen naar alle

kanten slechts aan den weet gekomen, dat er inderdaad een zekere lord

Brigham bestond.

Daarbij was echter ook gevoegd, dat deze zelfde lord officier was in

een Indisch regiment der huzaren, dat in dienst stond van den koning

van Groot-Britanje.

De Engelsche politie-autoriteiten waren verder algemeen van oordeel,

dat men, de persoonsbeschrijving van dezen man in aanmerking genomen,

hoogstwaarschijnlijk hier te doen had met een buitengewoon geslepen

dief en oplichter, iemand, die zoowel in Australië als in Bombay van

zich had doen spreken; die velerlei schurkenstreken op zijn geweten

had, maar die totnogtoe door de politie, ondanks alle aangewende

moeite, nog niet gesnapt was kunnen worden.

Dat alles klonk heel mooi!

Het klopte zelfs als een bus.

Maar—het gaf absoluut geen zekerheid.

En al had Peter Böcher ook het bevel tot inhechtenisneming in den zak,

toch durfde hij nog niet te handelen.

Hij wist, dat hij tegenover deze club, die zoozeer gezien was in de

hoogste standen, de allergrootste omzichtigheid in acht moest nemen.

En als er iemand in hechtenis genomen moest worden, o, dan moest dit

vooral op de meest kiesche, de minst ruchtbaarmakende manier

geschieden.

Om met dat alles rekening te houden, was voor den besten, braven Böcher

wel een heel moeilijke taak.

Hij kon zich bij dit zaakje zoo heel licht de vingers branden.

Ook de politie vergist zich wel eens, loopt wel eens in de val; wordt

wel eens „een enkel keertje” om den tuin geleid!

En als nu de Londensche politie eens minder juist was ingelicht?

Of als die bewuste lord Brigham, die officier was van Zijne Majesteit

den koning van Groot-Britanje, nu eens langer verlof had gekregen, dat

hij hier in Berlijn doorbracht?

Dat zou dan toch maar een miserabele geschiedenis wezen om dezen man,

voor wien zulke voorname personages zich borg stelden, zoo maar evenals

den eersten den besten misdadiger op te pakken en te arresteeren!

Neen!

Böcher zou zich véél te leelijk den neus kunnen stooten en zich

blameeren op een manier, waar je niet zoo licht weer van op komt.

Zijne heele loopbaan zou hij er mee naar de maan kunnen gooien!

Stonden er niet altijd en overal jaloersche collega’s bij hoopen te

wachten, tot iemand in ongenade viel? Tot iemand zich door de een of

andere onhandigheid onmogelijk had gemaakt en eerlijk ontslag moest

nemen of—gedegradeerd of niet eervol ontslagen werd?

Alle duivels!

Het duizelde Böcher een oogenblik.

Allerlei tegenstrijdige gedachten warrelden door zijn hersens en het

was of bonte lichtjes voor zijn oogen begonnen te flikkeren.

Het suizelde daarbij in zijn ooren en zwaar bonsde het hart hem in de

keel.

Wat moest hij doen?

Wàt, in ’s hemelsnaam?

„Twijfelt mijnheer de commissaris misschien aan mijn rang als lord?”

De Engelschman vroeg dit op welluidenden, innemenden toon.

„Dan wil ik graag”—de Engelsche tongval klonk bij deze woorden

duidelijker dan ooit—„dan wil ik graag, al was het maar alleen om de

club verder te vrijwaren van alle mogelijke onaangenaamheden en

onderzoekingen, den commissaris het genoegen doen om hem de officieele

papieren te toonen, die de echtheid van mijn adeldom, van mijn

lordschap bewijzen.

„Als mijn zeer hooggeachte vrienden”—hij boog met elegant gebaar voor

zijn clubgenooten—„mij op dit extra-uitstapje zouden willen

vergezellen, dan zou het mij inderdaad een waar feest zijn, u bij deze

gelegenheid een glas Spaanschen wijn aan te bieden, dien ik zelf van

mijn reizen uit den Barancos di Santa Barbara heb meegebracht en dien

ge wel nooit zult hebben geproefd, althans niet van deze zuiverheid, en

prachtige kwaliteit!....

„Daar komt juist mijn automobiel!

„Mag ik den heeren vriendelijk verzoeken, maar te willen instappen en

plaats te nemen?”

Graaf Steineck en de burggraaf spraken eerst nog in vele bewoordingen

de overbodigheid uit van dezen stap.

Zij waren er immers, zonder al deze formaliteiten maar al te zeer van

overtuigd, dat rang en titel van hun vriend echt waren.

Zij twijfelden immers geen oogenblik!

Maar den commissaris, wien in dit oogenblik zijn handiger vriend Henry

Stern geen goeden raad kon geven—den commissaris was dit redmiddel

hoogst welkom.

En hij zat reeds in het voertuig, toen lord Brigham en na dezen, hoewel

nog steeds tegenpruttelend en aarzelend, de beide edellieden plaats

namen.

De auto vloog tuffend en puffend op zijn veerende wielen voort.

Na enkele minuten reeds hield zij stil voor het groote, voorname huis,

waarvan de lord de eerste etage bewoonde.

Toen zij in de woning waren aangekomen, gaf de Engelschman in zijn

moedertaal den bediende een bevel.

Daarna sprak hij, zich tot de drie heeren wendend:

„Vóórdat wij overgaan tot het zakelijke gedeelte, stel ik er prijs op,

u met mijn wijn bekend te maken, waarvan ik zoo juist u den lof heb

gezongen.

„Ik zal in dien tijd de papieren voor u halen, waarover ik u gesproken

heb!”

De commissaris zou dolgraag den lord zijn gevolgd, die uit het Indische

salon verdween door de bontkleurige draperieën.

Maar de waardigheid en de trotsche, kalme rust der beide adellijke

heeren, die daar zoo waardig in hun makkelijke stoelen troonden,

hielden hem aan zijn zetel gekluisterd.

Hij haalde dan ook met verruimd gemoed adem, toen uit de aangrenzende

kamer de stem van den lord weerklonk.

Deze sprak op den bekenden welluidenden toon:

„Een oogenblik nog, heeren! De papieren heb ik tusschen allerlei andere

paperassen gelegd. Ik moet nog een oogenblik zoeken, maar dra zal ik

alles hebben gevonden!”

Daarop volgde weer doodsche stilte.

En ook in het Indische salon zaten de drie heeren stokstijf en zwijgend

bij elkaar te wachten.

Papiergeritsel was in den beginne nog vernomen.

Maar ook dat verstomde— —

En de eene minuut na de andere verliep.

Geen dienaar verscheen met den wijn.

Geen gentleman kwam terug met de papieren, die zijn adeldom zouden

bewijzen.

Toen vijf minuten ongeveer waren verloopen, werd de commissaris héél

erg ongeduldig.

Ook de beide heeren begonnen in hun gemakkelijke zetels onrustig heen

en weer te schuiven.

Eindelijk besloot men, na gezamenlijk overleg, eens in de aangrenzende

kamer te gaan kijken.

Het was toch gek!

Waar bleef de lord nu!

Maar toen de commissaris opstond om eens te gaan neuzen achter de bonte

draperieën, maakte graaf Steineck bezwaren.

Hij sprak op ontevreden, eenigszins verwijtenden toon:

„Wij zijn hier in een vreemd huis, heeren! Ik hoop, dat ge daaraan zult

blijven denken!”

„Ge hebt gelijk!” beaamde dadelijk de burggraaf.

„Maar toch, ik geloof niet, dat onze vriend het ons zou kwalijk nemen,

als wij eens naar hem gaan kijken.... er kan hem immers best iets

gebeurd zijn!”

„Zoudt ge denken?” vroeg Steineck, „neen, neen, dat zal het niet zijn!

Lord Brigham zocht naar de papieren. Hij kon toch ook geen oogenblik

vermoeden, dat men aan de echtheid van zijn adel zou twijfelen en nu

liggen de papieren maar niet zoo dadelijk voor de hand!”

„Zeker, maar een ongeluk kan ieder toch overkomen! Wat denkt gij ervan,

heer commissaris?”

De commissaris had totnogtoe weinig gezegd.

Hij voelde zich niet zoo heel erg op zijn gemak in tegenwoordigheid van

die hooge oomes, die door hun gewichtig doen hem hier maar aan den

stoel hielden gekluisterd.

En meer dan ooit voelde hij zijn gemis aan zelfstandigheid, dat hem

belette, doortastend te handelen.

Maar nu kwam hij toch los.

Op de vraag van den burggraaf liet hij een spottend lachje hooren.

En hoewel de graaf onwillig met de schouders schokte en de wenkbrauwen

hoog optrok, als kwam hem het gezegde van Von Hennequin dwaas voor,

Peter Böcher liet zich daardoor ditmaal niet intimideeren.

Hij zei:

„Heeren, ik zal u mijn meening eens zeggen!

„Deze zoogenaamde lord houdt u en mij voor den gek!

„En u zult het mij zeker niet kwalijk nemen, als ik beweer, dat ik niet

hier ben om mij door een oplichter een rad voor de oogen te laten

draaien!

„Ik denk er niet aan, heeren, om ook maar één enkel oogenblik verder te

gelooven aan de sprookjes, die deze zoogenaamde lord ons allemaal op

den mouw tracht te spelden!

„Ik ga den boel eens verkennen!”

Böcher sprong op met resoluut gebaar.

Hij schoof de zware draperieën opzij en ging de aangrenzende kamer

binnen.

De beide anderen keken elkander een paar seconden als verbluft aan.

Wat te doen?

Zij aarzelden een oogenblik:

Maar na korte aarzeling volgden zij toch den commissaris.

„Nu, wat heb ik u gezegd?” riep de rechercheur uit op woesten toon.

„Wat zei ik? O! Wat ben ik dom geweest! Wat heb ik ondoordacht

gehandeld! Ik had den kerel dadelijk moeten arresteeren!”

Inderdaad!

De kamer was leeg!

Heelemaal leeg!

Lord Lister No. 0005: De zwarte man in het slaapvertrek · 第 3 / 4 段