„Ook wij zullen een oogje op den heer Adolf Müller houden,” verzekerde

de commissaris.

Henry Stern nam afscheid en volgde dadelijk den raad, welken een der

heeren op het politiebureau hem had gegeven, door namelijk een bezoek

te gaan brengen aan een klein restaurant in de Seydelstraat, het

„Tipp-café”, zooals het door de bezoekers werd genoemd.

De politie had dikwijls reden om dit restaurant in het oog te houden,

omdat er herhaaldelijk misdadigers en landloopers bijeen kwamen en

omdat er, hoewel de eigenaar dikwijls was gestraft, hoog gespeeld werd.

In den namiddag van dienzelfden dag verscheen in het café Säusler,

zooals het officieel heette, een heer met kleine Engelsche bakkebaarden

en die ook volgens zijn kleeding en geheele optreden den burgerlijken

Engelschman verried.

Hij bestelde op langzamen toon, met echt Engelsch accent sprekend,

eerst een glas bier en, omdat hij dit niet kon krijgen, een glas port.

Met blijkbaar welbehagen dronk hij zijn glas leeg.

Daarop nam hij een sportblad op en verdiepte zich in den inhoud

daarvan, waarbij hij dikke rookwolken blies uit een korte tabakspijp.

Zoo zat hij een uur lang en daarna nog een uur, zonder dat hij zijn

jockeypet van het hoofd nam.

Ook toen twee personen het overigens leege Tipp-café binnentraden, keek

hij niet uit het blad op, dat hem blijkbaar zeer interesseerde.

De beide zeer elegant gekleede heeren gingen het bij dag steeds vrij

donkere café binnen en spraken bij het buffet een poosje met den daar

vertoevenden kellner.

Daarop wilden zij blijkbaar het lokaal weer verlaten, toen de kleinste

der twee, iemand met een zwart snorretje en een bescheiden uiterlijk,

sprak:

„Zeg, we zouden wel eerst een glaasje pils kunnen drinken.”

Zij namen plaats in de onmiddellijke nabijheid van den Engelschman en

begonnen te spreken van een fuif, welke zij blijkbaar den vorigen avond

hadden meegemaakt.

De Engelschman wendde, zich achter zijn blad verborgen houdend, geen

oog van hen af.

Hij had dadelijk in den een den „Silezischen Adolf” herkend en was in

hetzelfde oogenblik vast besloten, hem nu niet weer uit het oog te

verliezen.

Dit was nu, op klaarlichten dag, zoo gemakkelijk niet, maar Henry Stern

gevoelde, dat zijn goede naam als detective op het spel stond!

Hij betaalde nu en vroeg den kellner iets in gebroken, met Engelsch

vermengd, Duitsch, wat deze niet verstond. Hij had de voldoening, dat

de kleinste zijner twee buren zijn woorden vertaalde.

Daardoor kwam hij met hen in gesprek en vertelde, dat hij in Berlijn

vreemd was. Hij was voor de wedrennen overgekomen en omdat Berlijn hem

zoo goed beviel, wilde hij nog een paar dagen blijven. Maar tot zijn

spijt kende hij niemand die hem een beetje in de stad kon rondgeleiden,

en er was zooveel bezienswaardigs!

De detective verstond meesterlijk de kunst om zich oliedom voor te doen

en dadelijk bemerkte hij, dat de beide heeren elkaar bij zijn verhaal

veelbeteekenend aankeken.

„Wij zijn een paar echte Berlijners”, sprak nu Silezische Adolf, „en

het zou ons een genoegen zijn, u eens te laten zien, hoe het bij ons

toegaat.”

„Ja,” viel de ander in, „wij zijn al sinds gisteren aan den boemel en

juist in de goede stemming. Als ge u bij ons wilt aansluiten, zult ge

eens zien! Als iemand geld heeft in Berlijn, kan hij den duivel laten

dansen!”

„Wel”, sprak de Engelschman, „dat zal ik doen...! En ik dank ook

ervoor, dat gij mij meeneemt!”

„O, dat beteekent niets,” antwoordde de kleine, die zich als Fritz von

Behr voorstelde, „dat is Christenplicht om een buitenlander een beetje

den weg te wijzen...! Kom maar, wij nemen nu een rijtuig en gaan er op

uit!”

Al spoedig zat het drietal in een automobiel om de verschillende bars

en café’s der Friedrichstrasse te bezoeken.

Henry Stern merkte al spoedig dat het zijn kameraden er om te doen was,

hem dronken te maken.

Maar hij kon tamelijk veel verdragen en daarenboven nam hij slechts

vrij onschuldige dingen.

Silezische Adolf scheen hoe langer hoe meer schik te krijgen in de

aanwezigheid van den nieuwen kennis.

Het was intusschen avond geworden en Adolf stelde voor om iets zeer

interessants, een stukje van het echte donkere Berlijn te gaan zien.

„Ik weet een danshuis,” sprak hij, „zooiets hebt gij in uw heele leven

nog niet gezien, Mr. Sylvers!”

Onder dezen naam had de detective zich aan de beide booswichten

voorgesteld.

„Gij kunt daar de ergste misdadigers van Berlijn te zien krijgen,

zooals je ze anders alleen in sensatieromans hebt. Iets interessanters

bestaat er niet!”

Henry Stern bedacht zich niet lang. Hij had een dolk en een met zeven

patronen geladen pistool bij zich.

Daarenboven was hij niet alleen sterk, maar ook buitengewoon behendig.

En wat nog meer waard was, dat was de ongekende moed, dien hij in alle

omstandigheden aan den dag legde.

De auto passeerde nu ongeveer dezelfde buurten als die, waardoor Henry

onlangs midden in den nacht op minder gemakkelijke wijze was gereden.

Eindelijk bleef de wagen staan voor een gebouw, boven welks ingang een

groote verlichte ballon prijkte, die den naam „Mooren-Paleis” leesbaar

maakte.

„Eigenlijk heet het hier „de Pan,”” merkte Adolf op. „En gij zult zoo

meteen zien, wat in die pan gekookt wordt, mijnheer!”

Door de deur kwam men eerst in een café van minder allooi, waar het

benauwd en onfrisch was. Hier deden zich tal van verloopen sujetten met

hun dames van twijfelachtig soort te goed aan groote glazen bier en

sterken drank.

Dan kwam men in een smalle gang, die naar een groote kelderruimte

voerde.

Dit vertrek, dat de drie mannen nu betraden, was laag van zoldering en

iemand van normale lengte moest oppassen om zijn hoofd niet te stooten

tegen de groote petroleumlampen die van het plafond afhingen.

Deze danszaal was ongeveer tien meter lang en zes breed.

Een lachende, schreeuwende menigte danste als dol in het rond bij de

tonen der woeste muziek.

Een walgelijke reuk van alcohol, rook en menschelijke uitwaseming vulde

de ruimte, en het geheel maakte den indruk van een reusachtigen

heksenketel, waarin de menschelijke hartstochten en ondeugden

voortdurend koken.

Hier beneden was het schuim van de bevolking der reuzenstad bijeen.

De meisjes waren deels in lompen gehuld, deels opgesmukt als een pauw.

De mannen droegen smerige kielen, waarin zij langen tijd gewerkt hadden

of goede kleeren, die zeer zeker niet op rechtmatige wijze verkregen

waren.

Henry Stern had veel woeste tooneelen in zijn leven bijgewoond; zijn

beroep bracht hem, al was het dan ook als toeschouwer, met dergelijke

toestanden in aanraking, maar hier werd hij toch met walging vervuld.

Zijn beide geleiders, die blijkbaar niet veel beter waren dan de

danslustigen—dat bewezen de talrijke begroetingen en de knikjes van

verstandhouding uit de verschillende rijen der meisjes en mannen—zij

beiden hielden den detective in hun midden. En Henry Stern begreep, dat

het bezoek aan de Pan van niet onschuldigen aard zou zijn.

Hij greep in zijn zak naar zijn pistool.

In dit oogenblik drong weer een nieuwe stroom bezoekers de zich achter

hen bevindende deur binnen en Stern merkte op, dat Silezische Adolf

zich naast hem omkeerde en iemand een teeken gaf.

Bijna tegelijkertijd kreeg de detective een geweldigen duw in zijn rug,

zoodat hij tegen de dansende paren werd geworpen.

Hij werd teruggeslingerd en zonder dat het hem gelukte, weer op de been

te komen, vloog hij heen en weer tusschen de vuisten der gasten...

De vrouwen schreeuwden, eenige mannen brulden, anderen lachten, en

gemeene scheldwoorden weerklonken.

De detective begreep, dat dit een complot tegen hem was.

En toen hij nu kreten vernam als: „Vervloekte spitsboef!” en

„Politiespion!” twijfelde hij er niet meer aan of Silezische Adolf had

hem herkend en aan zijn makkers verraden, ja, hem zelfs met opzet

hierheen gelokt.

Deze gemeene schurk was slim genoeg om zijn vijand niet zelf te

lynchen, maar deze wraak over te laten aan het geheele gezelschap, dat

in dezen danskelder zijn woest bachanaal vierde.

Getrapt, geslagen en bijna krankzinnig van woede en pijn, gelukte het

Henry Stern eindelijk om een der wanden te bereiken, waar hij een stoel

greep en ieder dreigde neer te slaan, die hem zou durven naderen.

Maar nu kwamen zijn belagers eerst in al hun ruwheid los. De messen

werden te voorschijn gehaald en in een dichten drom naderden zij den

jongen man, wien nu niets anders overbleef dan zijn revolver te

voorschijn te halen en tegen de steeds nader dringende bende te

schreeuwen:

„Halt! Wie nog één stap waagt, is een kind des doods!”

Een oogenblik week de troep achteruit, vreezende voor een doodelijk

schot uit het wapen, maar dadelijk drongen de achtersten weer

voorwaarts, het gebrul verdubbelde en toen het eerste schot, dat Henry

Stern boven de hoofden zijner aanvallers richtte, afging, vlogen drie

tegelijk op hem aan, sloegen hem het wapen uit de hand, dat weer

afging, maar niemand trof, en sleurden hem op den grond.

De detective dacht, dat dit zijn laatste oogenblik zou zijn. Slechts

het feit, dat hij zooveel aanvallers had en de een den ander wegduwde,

redde hem nog voor het oogenblik.

Ondanks dit alles gaf hij den moed nog niet op.

Hij had een der kerels bij de keel gegrepen en naar zich toe getrokken,

om op die wijze voorloopig een schild te hebben. Maar hij voelde

duidelijk, dat ook deze hulp slechts van korten duur zou zijn.

Nu trok iemand met reuzenkracht zijn handen los, een geheele bende viel

op hem aan......!

In dit oogenblik van allerhoogsten nood weerklonk plotseling een schril

gefluit door de onderaardsche zaal.

De massa stoof uit elkaar, zij, die hem vasthielden, hem sloegen en

trapten, wendden zich allen tegelijk van hem af.

En toen het hem, eindelijk bevrijd, gelukte zich op zijn knieën op te

richten, zag hij, dat van twee kanten tegelijk politieagenten het

lokaal waren binnengedrongen en dat dus, als door een wonder, op het

uiterste moment redding voor hem was opgedaagd.

Hijgend en met groote moeite stond hij op en bereikte, zich aan den

muur vasthoudend, een stoel, waarop hij vol builen en schrammen en met

hevige pijn, neerviel.

Een deel der schurken scheen ontkomen te zijn en meerdere

politiedienaren waren bezig, eenige individuen, die men reeds lang

zocht, gevangen te nemen.

Tot zijn onuitsprekelijke vreugde bemerkte de detective, dat zich

zoowel Silezische Adolf als diens kleine vriend daarbij bevonden.

Nu naderde een groote, corpulente politie-beambte, en Henry herkende

met het laatste restje bewustzijn, dat hem was gebleven, zijn ouden

vriend, den commissaris Böcher, die dezen inval had bevolen, in de

hoop, zijn vriend hier te zullen vinden en hem misschien te kunnen

helpen.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

DE CLUB DER MILLIONAIRS.

Het was in den namiddag toen in het rooksalon van de Millionairsclub de

heeren in hun gemakkelijke fauteuils van hun mokka, likeur en fijne

sigaren zaten te genieten.

Een der heeren, die het uiterlijk had van een bon-vivant en speler, zat

met iemand te praten, van een zeldzaam schoon, sympathiek uiterlijk.

Hij streek met zijn slanke, witte vingers langs zijn zwarte snor en

vertelde juist een anecdote, toen een bediende van de Club binnentrad

en meldde, dat men Lord Brigham aan de telephoon te spreken vroeg.

De ongeveer 30-jarige heer stond met een elastische beweging op en

volgde den bediende naar het telefoontoestel.

De Lord bracht de telephoon aan zijn oor en riep met zijn aangename,

welluidende stem:

„Hallo!... Wie daar?”

Hij moest eenige oogenblikken wachten, daarop hoorde hij glimlachend,

hoe een met opzet veranderde, vrouwelijke stem sprak:

„Mag ik om het adres van Lord Brigham verzoeken?”

„Ik ben zelf aan het toestel,” antwoordde deze, „en woon in de

Victoriastraat 68, eerste etage.”

„En wanneer is Mylord te spreken?”

Als tegenvraag klonk het:

„Met wien heb ik de eer?”

„Men verzoekt u, hiernaar voorloopig niet te vragen... Uwe Lordschap

kan een dame een grooten dienst bewijzen, als gij haar zoo spoedig

mogelijk eenige minuten te woord wilt staan.”

„Ik zal binnen tien minuten in mijn woning zijn.”

„O, dank u!”

De telephoonbel weerklonk en Lord Brigham ging naar de garderobe, waar

de bediende hem met zijn overjas hielp en hem den cylinder en stok

overhandigde.

Hij besteeg zijn auto, die voor het gebouw op hem wachtte, en in minder

tijd dan hij had opgegeven, stond de Lord in de op Indische wijze

ingerichte kamer, die hem als ontvangsalon dienst deed.

De vloer was hier met matten bedekt en de muren waren bekleed met het

zeldzame borduurwerk, dat van Madras komt. De meubelen, die uit verguld

bamboe waren vervaardigd, maakten alle den indruk van sierlijkheid en

elegance. Voor de vensters hingen kostbare moesseline gordijnen met

vreemde, gouden figuren bewerkt. Het geheele vertrek had hierdoor iets

sprookjesachtigs, vooral ook door het zachte, getemperde licht.

Er werd gebeld. De binnentredende, als Engelsche jockey gekleede

bediende, diende een dame aan.

„Ik verzoek, binnen te laten!” sprak de Lord.

Dadelijk daarop trad mevrouw Adelheid von Hartstein den Indischen salon

binnen, den dichten sluier terugslaand en haar van verlegenheid blozend

gezichtje vertoonend.

Lord Brigham ging haar met uitgestrekte handen tegemoet en sprak:

„Mijn lieve Mevrouw! Wat verschaft mij de groote eer en het

onuitsprekelijke genoegen, u bij mij te zien?”

De tranen kwamen in haar mooie, blauwe oogen te voorschijn.

„Ik bid u,” zei hij zacht; terwijl hij de jonge vrouw naar een divan

geleidde, „blijf kalm, mevrouw. Om welke reden gij ook hier gekomen

zijt; als het in mijn macht ligt, zal ik u gaarne helpen, dat verzeker

ik u!”

Zij knikte hem zacht weenend toe en sprak eindelijk met een diepen

zucht:

„Het is zeker dwaas, dat ik mij tot u wend. Ik weet niet, hoe het komt,

dat ik zooveel vertrouwen in u stel......”

Zij sloeg de oogen neer en een donkere blos bedekte haar gelaat en

hals.

Met een weemoedigen glimlach keek hij naar haar en moedigde haar daarop

aan, hem haar zorgen mede te deelen, opdat hij die zoo mogelijk, zou

kunnen verlichten.

Nu begon zij te vertellen van dien nacht, toen zij half slapend een

mannelijke gedaante voor haar bed had gezien; hoe zij eerst geen waarde

aan die verschijning had gehecht en—zij fluisterde bijna onhoorbaar—aan

iemand anders had gedacht.

De blanke hand van den man tegenover haar streelde zacht haar gebogen

hoofd en toen zij daarna haar diepblauwe oogen tot hem opsloeg, vroeg

hij zacht en dringend:

„Mag ik ook weten, wie het was, dien gij in dien nacht meendet voor u

te zien?”

Zij antwoordde niet.

Maar haar bekoorlijke verlegenheid, haar zwijgen en de hartstochtelijk

bevende lippen zeiden hem genoeg.

Hij boog droevig het hoofd; een oogenblik was het, alsof hij haar in

zijn armen wilde nemen en aan zijn borst drukken; daarop fluisterde hij

met trillende lippen zacht en droef:

„Mevrouw, gij zijt gehuwd en ik heb niet het recht, u los te rukken van

den man, die u een zonnig leven verschaft. Ik kom en ga en mag het lot

van een vrouw niet aan het mijne binden......”

Met vochtige oogen keek zij naar hem op. Zij had er misschien niet over

gedacht, van haar man heen te gaan, maar het klonk haar zoo

merkwaardig.

„Gij weet niet, wie ik ben!”

Maar voordat zij hierover verder kon nadenken, verzocht hij haar hem te

vertellen, wat haar zoo angstig maakte.

O, dat was spoedig gezegd.

De man, die op het bal in de nis had gestaan en die ongetwijfeld de

dief van haar collier was, vervulde haar met zoo grooten angst. Hij was

het zeker ook geweest, die des nachts in haar slaapkamer was gedrongen!

Misschien omdat hij had gehoopt, nog meer te stelen.

En hedenmorgen had haar echtgenoot haar meegedeeld, dat die man gepakt

was, dat hij reeds voor het gerecht was geleid. Als hij nu eens

vertelde, dat hij dien nacht in de slaapkamer van barones Von Hartstein

was geweest, dat hij voor haar bed had geknield en haar handen

gekust!...... Zij had dit niet aan haar echtgenoot durven vertellen!

Haar eenige verontschuldiging was, dat zij in de gestalte van den

inbreker het beeld van den man, dien zij liefhad, had meenen te zien,

en dit had zij haar man niet durven bekennen!...

Terwijl Adelheid dit vertelde, vloeiden steeds haar tranen.

Daarop echter sprak hij met een heimelijke vreugde, die zij niet

begreep:

„Vrees niets! Al kan ik u ook niet alles verklaren, toch kunt gij mijn

woorden gelooven: de man, dien gij destijds in uw balzaal hebt zien

staan, is niet dezelfde geweest, die u in den nacht bezocht. Hij zal u

geen onaangenaamheden bereiden, want hij kent u niet en vermoedt

nauwelijks uw bestaan... Ik herhaal u nog eens, dat gij gerust en

onbezorgd kunt gaan slapen, niemand behalve uw eigen mond kan u

verraden!”

Met verbaasde blikken keek zij hem aan.

„Maar hoe...? Waarom...?”

Met een zachten glimlach sprak hij:

„Gij moogt mij niets vragen, al was het alleen, omdat het mij oneindig

leed doet, u ieder antwoord schuldig te moeten blijven!

„Vóór alles zou ik graag willen dat gij, als wij afscheid hebben

genomen, in vriendschap aan mij bleeft denken!”

„Gaat gij heen? Wanneer? Of mag ik ook dat niet weten?” vroeg zij

angstig.

„Ik weet het zelf op dit oogenblik nog niet. Ik ben als een vogel, die

in de lucht opstijgt en aan de hand ontvlucht, die zich uitstrekt om

hem vast te houden.”

De schemering daalde neer op aarde en hulde het vertrek in

sprookjesachtige schaduwen. Het was stil geworden in het Oostersche

salon.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

DE OVERVAL.

Ondervraagd door de politie, had Silezische Adolf elke verklaring

geweigerd. Hij beweerde met onverstoorbare kalmte, dat hij zich van

geen kwaad bewust was en niet begreep, wat de heeren van hem

verlangden. Hij verzocht beleefd, weer in zijn cel teruggebracht te

mogen worden, omdat hij moe was en slapen wilde.

Eenigen tijd later werd hij opnieuw in verhoor genomen door commissaris

Böcher. Maar ook nu zonder eenig resultaat. Men had hier blijkbaar met

een zeer verstokten booswicht te doen, die niet gemakkelijk tot spreken

was te dwingen.

Henry Stern was bij dit verhoor tegenwoordig en liet glimlachend de

woedende blikken van den misdadiger langs zich heen gaan...

Op den dag na het voorgevallene in het danshuis was de bankier Von

Hartstein persoonlijk bij den jongen detective in diens woning geweest,

hij had hem zelfs zijn eigen dokter gezonden en hem een belangrijk

bedrag ter hand gesteld als extra belooning.

„Ik waardeer ten volle, wat gij voor mij hebt gedaan,” sprak hij tot

den patiënt. „Als iemand zooals gij zijn leven op het spel zet in het

belang van degenen, die hem betalen, dan is hij iemand van

plichtsbetrachting, die alle achting verdient!”

Henry Stern was zeer verheugd over deze woorden, ook het geld kon hij

best gebruiken en met verdubbelden ijver vatte hij, nog nauwelijks

hersteld en met verbonden hoofd, de zaak weer op.

Toen men den misdadiger weer had weggebracht, sprak hij tot Peter

Böcher:

„Men zal den anderen kerel, die helaas ontsnapt is, ook nog moeten

pakken en dan de beide vrouwen zien te vinden, die indertijd des nachts

in hun gezelschap waren, toen ik ze bespiedde.”

„Goed en wel,” meende de commissaris, „maar dat zal zoo gemakkelijk

niet gaan.”

In dit oogenblik hoorde men in de gang buiten een vervaarlijk

geschreeuw. De commissaris ging naar buiten en sprak, toen hij

terugkwam:

„Het beteekent niets. De agenten hebben een kerel, die juist

binnengebracht werd, een briefje afgenomen.”

„Mag ik het zien?” vroeg Henry Stern vol belangstelling.

De commissaris gaf hem het door middengescheurde stukje papier en de

detective las:

„Let op Hol! Nobele drietal uit de Sof!”

Ook de andere beambten lazen het en lachten. Niemand begreep den

inhoud.

Eindelijk sprak Stern, die zich ook theoretisch op de hoogte had

gesteld van zijn beroep:

„Weet gij, wat dit beteekent, heeren?”

„Neen,” sprak Peter Böcher, „weet jij het?”

De detective knikte:

„Zeker! Deze woorden beteekenen niets meer of minder dan dat iemand,

die van hier naar de strafgevangenis overgebracht zal worden, op moet

letten voor het „Hol”, dat beteekent Moabit, omdat daar „het nobele

drietal”, dat zijn natuurlijk drie zijner kameraden, op hem wachten,

die hem „uit de sof”, dat wil zeggen „uit de misère” zullen halen, dus

vrij zullen maken... Het is jammer, dat wij niet weten aan wien deze

brief is gericht!”

„O!” meende Böcher, „dat zou wel uit te vorschen zijn. Wij zullen eens

kijken, waar de brenger van het briefje zich nu bevindt”

Reeds was hij naar buiten gegaan en na eenige minuten kwam hij terug

met een lang opgeschoten, slungelachtigen jongen man, die ingepikt was

wegens moedwillige beleediging en overlast.

„Het heeft er veel van,” fluisterde de commissaris tot zijn vrienden,

„alsof deze bengel, die er reeds een flinke boeventronie op nahoudt,

zich alleen heeft laten oppakken om dit briefje te kunnen overbrengen.

Ik geloof, dat het het beste is, dat wij ons houden alsof wij het

briefje niet kunnen ontcijferen en van hem willen weten, wat de woorden

beteekenen.”

Hij wendde zich tot den jongen en deed een dusdanige vraag. Deze

grijnsde en sprak:

„O, dat is maar een gijntje! Dat heb ik maar es zoo opgeschreven, voor

de mop!”

De beambte antwoordde hierop niet, maar vroeg, plotseling een zeer

beleefden toon aannemend:

„Hebt gij al ontbeten?”

De aangesprokene schrikte op. Deze woorden beteekenen in de conversatie

der politiebeambten met de boeven, dat den onwilligen misdadiger een

flink pak slaag zal worden toegediend door de stevige knuisten der

politiemannen.

„Ik laat me niet donderen!” riep de jongen op half huilenden toon. „Dat

mag je niet doen!”

De commissaris sprak lachend:

„Wat wij mogen of niet, zullen wij zelf wel het beste weten!”

„Dat zal wel!” antwoordde de jonge man, „je wil mij zeker laten

smoezen?... Wat in dat briefje staat, vertel ik toch niet!”

„Nu, denk er nog maar eens over na... In elk geval kun je je eerst

versterken!”

Een der politieagenten bracht op bevel van zijn chef een paar dikke

boterhammen binnen, waarop de slungel aanviel als een hongerige wolf.

Daarop bracht men hem met opzet in het vertrek der beklaagden, waar een

groot aantal personen, die gevangen waren genomen en hun eerste verhoor

moesten ondergaan, bijeen waren.

Tien minuten later werd in deze groote, kale ruimte nog iemand

binnengelaten, die naar zijn uiterlijk scheen te behooren tot de hier

verzamelde elementen maar in werkelijkheid een beambte der politie was.

Toen men dezen man een half uur later weer weghaalde, was hij volkomen

op de hoogte. De jonge man had hem dadelijk om papier en potlood

gevraagd en, toen hij in het bezit daarvan was, een nieuw briefje

geschreven.

Daarop had hij op sluwe, maar ondubbelzinnige wijze geïnformeerd naar

Silezischen Adolf, die klaarblijkelijk het briefje moest ontvangen.

Henry Stern en de commissaris overlegden samen, hoe zij dit zaakje

verder zouden behandelen.

Adolf zou nog dienzelfden middag naar Moabit overgebracht worden, „en,”

sprak de commissaris, „ik vermoed absoluut niet, waar de kerels willen

probeeren, hun makker te bevrijden.”

„Zij rekenen er zeker op,” vervolgde Peter Böcher, „dat wij zware

misdadigers liever niet in den gevangeniswagen, maar per rijtuig,

vergezeld door een paar vertrouwde mannen, naar Moabit overbrengen. En

van deze gewoonte zullen wij ook heden niet afwijken.”

Een uur later werd dan ook werkelijk de gevangene Adolf Müller

getransporteerd. Maar eerst vertrok een ander rijtuig, waarin zich

Peter Böcher, de detective en bovendien nog twee reusachtig gebouwde

agenten van politie bevonden.

Toen het rijtuig, waarin Silezische Adolf, in de Lehrterstrasse voor

den kleinen ingang van de Moabiter cellulaire gevangenis stilhield,

kwam toevallig een troepje mannen in werkkielen, die van hun arbeid

schenen te komen, den hoek om. Zij slenterden rookend en pratend naar

het rijtuig toe, waaruit juist de eerste politieagent te voorschijn

kwam.

Een der arbeiders vroeg, stamelend, alsof hij dronken was:

„Wien breng je daar, mannetje? O, wat een mooie jongen!”

Intusschen klom de met een stalen ketting geboeide misdadiger uit het

rijtuig. Hij keek bliksemsnel om zich heen en had onmiddellijk den

toestand overzien.

In dit oogenblik naderden twee meisjes met groote hoeden vol veeren, in

zijden japonnen en met gepoederde gezichten.

Lord Lister No. 0005: De zwarte man in het slaapvertrek · 第 2 / 4 段