En toen de heeren naar de deur gingen, die op de gang uitkwam, merkten

zij tot hun niet geringe verbazing en schrik, dat deze—gesloten was.

Ook de uitgang, die van den Indischen salon naar buiten leidde, was

versperd.

De bediende had dus zeker wel een andere opdracht gekregen dan

Spaanschen wijn te halen uit den kelder en dezen den gasten te

presenteeren.

Dat was een mooie geschiedenis.

Een fraaie boel!

Steineck en de burggraaf keken elkander aan met gezichten, die alles

behalve aangename gewaarwording uitdrukten.

En de commissaris der recherche had van louter woede en spijt een

hoofd, zoo rood als een kreeft.

O! had hij toch maar zijn zin gevolgd!

Was hij maar niet zoo wankelmoedig geweest, zoo slap aangedraaid!

Had hij maar eens op eigen initiatief gehandeld.

Wat had hij een spijt!

Een reuzenspijt!

„Wat moet ik nu beginnen!” riep hij uit in de grootste wanhoop.

„In plaats van een belooning te ontvangen, in plaats van promotie te

maken, zal ik nu van mijn superieuren een duchtigen uitbrander krijgen!

„En gij, heeren! Gij zijt daaraan mede schuldig! Ja, inderdaad. Gij

zijt medeplichtig!”

„Luister eens, beste vriend,” begon graaf Steineck met een hoog

neusgeluid, „luister eens. Gij moet ...— —eh— —eh— —gij moet— —neen,

dat is toch niet de manier— —eh— —eh— —dat is toch waarlijk niet de

juiste toon— —neen, niet de goede toon— —eh— —eh— —wat zegt gij er van,

waarde burggraaf— —eh— —eh— —wat zegt gij er van— —is dat wel de juiste

toon— —om tegen ons— —leden van de Millionairsclub— —zeg, burggraaf,

wat denkt gij ervan— —eh— —eh— —eh!”— — —

„Daarom heeft daar straks ook de automobiel zoo geweldig gepuft”, sprak

de burggraaf op nadenkenden toon— — —„en het geritsel in de kamer

hiernaast— — —hield plotseling op— — —ja juist— — —dat heb ik dan toch

wel goed gehoord— — —ik meende al— — —ik verbeeldde het mij toch zoo

duidelijk— — —neen, neen— — —ik heb mij niet vergist— — —zeg eens,

mijnheer de commissaris— — —hebt gij dat ook niet gehoord?— — —dat was

toch heel duidelijk waarneembaar— — —niet waar, graaf?”

„Ja,— — —maar— — —eh— — —eh— — —heel duidelijk— — —inderdaad heel

duidelijk— — —dat had die politieman toch moeten hooren— — —eh— — —eh—

— —ja, waarom heeft die politieman dat niet gehoord— — —dat komt niet

te pas— — —eh— — —eh— — —neen, dat komt niet te pas— — —als men toch

commissaris van de politie is— — —van de recherche— — —dat is

ongehoord— — —dat komt volstrekt niet te pas— — —eh— — —eh!”

Razend, als een getergd dier, trapte de commissaris net zoo lang tegen

de gesloten deur, totdat deze open sprong.

Toen vloog hij de trap af—maar de automobiel was verdwenen.

Dat lord Brigham alias John Raffles in dit voertuig, dat puffend had

staan wachten, de wijde wereld was ingetrokken om daar vrijheid te

zoeken en te vinden, begreep Peter Böcher al spoedig even duidelijk als

de beide millionairs het deden, die nu ook naar beneden waren gekomen.

Men deed later, ook van den kant der Millionairsclub, alle mogelijke

moeite om den handigen avonturier, die allen véél te slim was

afgeweest, op te sporen.

Maar dit gelukte zelfs den onvermoeiden Henry Stern niet, die niets

ongedaan liet.

Eerst veel, heel veel later zouden hij en de gezochte elkaar weer

ontmoeten in het Indische sprookjesland, waar de natuur zóóvele

wonderen heeft geschapen, dat zelfs de dolste avonturier er aan zijn

ongebreidelde fantazie kan toegeven.

EINDE.

Lord Lister No. 0005: De zwarte man in het slaapvertrek · 第 4 / 4 段