Als een eekhorentje was hij naar boven geklauterd en nu keek

LORD LISTER

GENAAMD RAFFLES

DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 5 DE ZWARTE MAN IN HET SLAAPVERTREK.

DE GEMASKERDE IN HET BOUDOIR.

EERSTE HOOFDSTUK.

DE VERDWENEN JUWEELEN.

In de stille, donkere Diergaardestraat wierp het licht, dat uit de

villa van den bankier Von Hartstein straalde, zijn helder schijnsel.

Het eene rijtuig na het andere reed voor, bedienden in livrei snelden

aan, openden het portier en geleidden de in lichte avondmantels gehulde

dames en de heeren in rok of uniform, naar binnen.

Alles, wat in de hoofd- en residentiestad zich schoon en elegant mocht

noemen, zoomede al wie beroemd en bekend was, kwam samen in het huis

van dezen man, den fameus rijken directeur en eigenaar van de

voornaamste effectenbank.

In de overdadig met bloemen en palmen versierde zaal ruischte de

verleidelijke dansmuziek. Verborgen achter de prachtigste tropische

planten, speelde een beroemde Zigeunerkapel, die men met groote

onkosten uit Weenen had laten overkomen.

De zoete melodieën weerklonken ook in de aangrenzende vertrekken, die

de verrukkelijkste plekjes aanboden om gezellig te fluisteren of te

flirten na de vermoeienissen van den dans.

De balletmeester, die in de groote zaal onder de reusachtige, met

guirlandes van rozen versierde kristallen gaskroon stond, had juist het

teeken tot den aanvang eener quadrille gegeven en men zag de slanke,

elegante vrouwen en meisjes zich bewegen tusschen de zwarte rokken en

schitterende uniformen der heeren.

Men hoorde het vroolijke lachen en de schertswoorden af en toe boven de

tonen der muziek uit, toen plotseling, ongeveer in het midden der zaal,

op opvallende wijze verwarring onder de dansers ontstond.

De heer, die zich bij deze vier paren onderscheidde door zijn bijzonder

schoone, mannelijke gestalte, gaf den balletmeester een teeken, waarop

deze door een beweging zijner hand het orkest het zwijgen oplegde.

Algemeene nieuwsgierigheid ontstond, om de oorzaak van deze stoornis

uit te vorschen, maar reeds na eenige seconden speelde de muziek weer,

de dans werd voortgezet en slechts enkele personen kwamen te weten, dat

de jonge en bekoorlijke gastvrouw, Adelheid von Hartstein, haar collier

had verloren, dat was samengesteld uit de kostbaarste diamanten en

robijnen en een fabelachtige waarde vertegenwoordigde.

Zoodra de quadrille was geëindigd, verscheen een groot aantal bedienden

in hun grijze, met zilver afgezette livrei. Met scherpe blikken

doorzochten zij eenige malen de geheele zaal, zonder echter op den

gladden parketvloer eenig spoor van het verloren collier te vinden.

Adelheid von Hartstein was, met haar slanke en toch goed gevulde

gestalte, haar diepblauwe kinderoogen en het zachte, door krullend

blond haar omlijste gezichtje, een prachtige vrouw en het moest ieder

opvallen, hoe goed, juist door de groote tegenstelling, de heer bij

haar paste, aan wiens arm zij zich op dit oogenblik voortbewoog om in

een der zijvertrekken te komen, waar haar man, de bankier, zich met het

spel vermaakte.

Lord Brigham had niet het gewone uiterlijk van den Engelschman.

Zijn golvend haar was gitzwart en boven den typischen neus schitterden

een paar zwarte oogen.

De fijnbesneden lippen waren zichtbaar onder de kleine, kortgeknipte

snor.

Maar de kin teekende wilskracht en het lenige gespierde lichaam duidde

op buitengewone kracht en behendigheid.

Lord Brigham sproot voort uit een der oudste adellijke families van

Engeland en had dus relaties in de beste kringen.

Heden was hij echter voor den eersten keer de gast van den bankier Von

Hartstein.

„Ik hoop, dat dit voorval u niet heeft ontstemd, mevrouw,” sprak hij

met zijn welluidende stem, „het is veilig aan te nemen, dat het collier

teruggevonden zal worden.”

De jonge vrouw scheen deze meening niet volkomen te deelen.

Terwijl zij haar cavalier, die een hoofd grooter was dan zijzelf, met

haar wonderlijke blauwe oogen aankeek, antwoordde zij:

„Ik weet niet, Mylord, ik heb een onbestemd gevoel, alsof er iets....

ja, ik weet niet, hoe ik mij zal uitdrukken...”

„Gij gelooft toch niet, mevrouw de barones, dat.... nu ja, dat het

collier in minder gewenschte handen is gekomen?!”

Zij haalde de schouders op, zonder haar cavalier aan te zien en terwijl

haar stem schuchter, bijna kinderlijk bedeesd klonk, sprak zij op

zachten toon:

„Wij zijn hier immers te midden van vrienden.... Ik bedoel, onder onze

gasten. Het zou dus slecht van mij zijn, als ik ook slechts in de

verste verte iemand durfde verdenken.”

Zij aarzelde een oogenblik en vervolgde toen:

„Het is zoo merkwaardig! Ik had nog in hetzelfde oogenblik het gevoel,

het collier om mijn hals te voelen. Men went daar zoo aan en als men

die kostbaarheden den geheelen avond draagt, dan mist men iets, als ze

opeens verdwenen zijn. En zoo bemerkte ik, dat het opeens zoo licht om

mijn hals werd....”

Zij keek naar haar laag uitgesneden zalmkleurige zijden japon en de

bewonderende blikken van den heer volgden de hare in de kanten

garneering, die den schoonsten boezem en den bekoorlijksten vrouwenhals

omgaf.

Bankier Von Hartstein moest reeds op de hoogte van het voorgevallene

zijn, want hij kwam zijn vrouw reeds tegemoet en geleidde haar en Lord

Brigham in een verder gelegen, tot dusverre niet verlicht kabinet, waar

hij het electrische licht opdraaide.

Hij liet zich nauwkeurig vertellen wat er gebeurd was en was, evenals

zijn vrouw, ongerust over het feit, dat het diamanten halssieraad, dat

toch midden in de zaal verloren was geraakt, niet teruggevonden was.

Maar toch troostte hij zijn echtgenoote en wees erop, hoe gemakkelijk

een der dames met haar sleep het kostbare kleinood weggeschoven kon

hebben.

„Ik verzoek u, Mylord,” sprak hij op dringenden toon tot den

Engelschman, „laat uw vroolijkheid niet verstoren door dit voorval en

spreek er, als gij mij een genoegen wilt doen, tegen niemand over. Ik

zou niet willen, dat het pijnlijke geval aanleiding zou geven tot

verkeerde gevolgtrekkingen.

„Verdwijnen kan er niets in mijn huis. Daarvoor staan mijn beproefde

bedienden en de vriendschap mijner gasten mij borg.”

Lord Brigham boog.

Een kleine pauze ontstond tusschen deze drie personen, die zich ieder

met hun eigen gedachten bezig hielden, maar daarop sprak de blonde

vrouw:

„Het is toch merkwaardig, Maximiliaan, en je weet, dat wij in den

laatsten tijd dikwijls van personeel hebben moeten verwisselen.”

De bankier schudde het hoofd.

„Neem mij niet kwalijk, lieve kind, maar dat zie je niet goed in. Een

burgerman zou niets kunnen beginnen met een voorwerp van zóó groote

waarde. Niemand koopt die steenen van hem en daarenboven, doe mij het

genoegen, de geheele zaak voorloopig te vergeten.

„Geloof mij, ik heb al moeilijker vraagstukken opgelost. En als het

collier werkelijk verloren mocht zijn”, sprak hij glimlachend, „dan

zullen wij ook daar overheen komen.

„En nu wil ik je niet langer in het onderhoud met je cavalier storen,

die je zeer zeker wel weer in een goede luim zal weten te brengen.”

Bij die woorden wendde de bankier, in wiens gelaat achter schitterende

brilleglazen een paar doordringende oogen fonkelden, zich met een

beleefd lachje tot den Engelschman, welke mevrouw Von Hartstein zijn

arm bood en haar weer in de danszaal teruggeleidde.

De bankier, wiens kruin reeds bijna geheel kaal was, wachtte een

oogenblik, daarop volgde hij het paar, schoof zijn breedgeschouderd,

kort lichaam tusschen de heeren door, die voor den ingang van de

balzaal stonden en verdween achter een zijdeur.

Eenige minuten later bevond hij zich in zijn particulier kantoor aan de

telefoon.

Nadat men hem met het gewenschte nummer had verbonden, sprak de

bankdirecteur:

„Spreek ik met het detectivebureau Rasmussen?”

„Ja, hier Rasmussen, wie daar?”

„Von Hartstein. Zijt gij daar zelf, mijnheer Rasmussen?”

„Toevallig wel!” klonk het. „Ik verwacht een telegram, dat ik zelf in

ontvangst moet nemen, dus....”

„Dat treft uitstekend. Ik heb een van uw lieden noodig, een vertrouwd

persoon. Een voorval, dat ik niet per telefoon wensch mee te deelen, en

dat juist in mijn villa tijdens een bal heeft plaats gevonden, dwingt

mij, uwe hulp in te roepen, mijnheer Rasmussen!”

„Ja, wien zal ik u zenden....? Mijn luitjes zijn om dezen tijd moeilijk

en eerst over eenige uren te krijgen. Maar ik kan u toch onmiddellijk

iemand zenden.”

„Een ervaren detective?” vroeg de bankier.

„Hij is nog zeer jong,” klonk het van de andere zijde, „maar ik geloof,

dat de jonge man een groote toekomst voor zich heeft. Zooveel

tegenwoordigheid van geest, zooveel combinatievermogen en persoonlijken

moed heb ik nog nooit leeren kennen bij iemand die pas in het vak is.”

„Goed, zend hem mij. Wanneer kan hij hier zijn?”

„Onze auto’s staan gereed. In zes minuten kan Henry Stern bij u zijn.”

„Mooi. Ik verwacht hem in mijn particulier kantoor. Ik zal order geven,

hem dadelijk toe te laten.”

Nadat de bankier den portier per huistelefoon zijn bevelen had gegeven,

liep hij met op den rug gevouwen handen zijn kantoor op en neer.

Achter het massieve voorhoofd werkten de gedachten van dezen

beurskoning om een oplossing van het geheimzinnige verdwijnen van zulk

een kostbaar voorwerp te vinden.

Aan de mogelijkheid, die hij tegenover zijn vrouw had geuit, dat het

kleinood aan den sleep van een der dames was blijven hangen, geloofde

hij zelf niet.

Deze lange ketting, wiens zeldzaam schoone diamanten in het licht der

balzaal als electrische vonken schitterden,—dit stuk van zoo enorme

waarde, moest iedereen dadelijk opvallen.

De bankier kende de menschen. Hij wist, dat zelfs de rijke in

verzoeking zou kunnen komen waar het een dergelijk voorwerp betrof en

dat vooral de dames, verblind door de pracht van de diamanten en

robijnen, tot een daad zouden kunnen komen, die haar reeds in het

volgende oogenblik het grootste leed kon verschaffen. Hij was er van

overtuigd, dat het collier van den mooien hals zijner vrouw was

gegleden, eerst in de plooien eener japon en daarop in den zak van een

der schoonen, die nog op het bal aanwezig was.

Hij hoopte met behulp van den detective een middel te vinden om weer in

het bezit van de kostbaarheid te komen, welke hij, ondanks zijn grooten

rijkdom, ongaarne zou missen.

De bankier keek op de klok: 5 minuten waren voorbij, maar de zesde was

nog niet geheel verstreken, toen er zacht op zijn deur werd geklopt en

een slank gebouwde, jonge man binnentrad in onberispelijk

gezelschapscostuum, een monocle in het linkeroog en den cylinder met

een beleefde buiging afnemend.

Glimlachend sprak de bezoeker:

„Mijn naam is Stern, heer directeur, Henry Stern.”

„Gij zijt....?”

„De afgevaardigde van het detectivebureau Rasmussen,” voltooide de

jonge man den zin.

Verbaasd vroeg de bankier:

„Is dit uw gewone toilet of hoe hebt gij u anders zoo snel kunnen

verkleeden?”

De detective antwoordde:

„Een detective moet alles kunnen, mijnheer Von Hartstein; mijn chef zei

mij, dat ik in zes minuten bij u moest zijn en daar de auto in 3½

minuut uw woning kon bereiken, bleef mij, als ik 1½ minuten rekende

voor de trappen, enz., nog 1 minuut om mij te verkleeden.”

De bankier sprak met een zeker dosis eerbied voor zooveel nauwgezetheid

tot den nog zoo jongen man:

„Ik zal u nu vertellen, waarvoor ik uwe hulp noodig heb.”

De detective maakte een buiging.

„Er is een voorwerp van groote waarde in uw huis zoek geraakt, niet

waar?”

Verrast opziend, vroeg de bankier:

„Heeft uw chef u dat verteld?”

De jonge, elegante man schudde het hoofd.

„Dat zou den heer Rasmussen onmogelijk zijn geweest, omdat hij zelf

niet wist, waarom gij mij hadt ontboden. Maar het was niet moeilijk,

dit te raden.

„De wantrouwende blikken uwer bedienden onderling toonden mij

duidelijk, dat er hier sprake was van een diefstal, in elk geval, dat

er een voorwerp van waarde vermist moest zijn. Van waarde, omdat gij

zeker de hulp van ons bureau anders niet in den nacht ingeroepen zoudt

hebben, heer directeur.”

De bankier knikte toestemmend.

„Gij hebt volkomen gelijk,” sprak hij, „er is hier sprake van een

collier van diamanten en robijnen, dat mijn echtgenoote verloren heeft.

Ik vermoed tenminste, dat zij het verloren heeft en dat de vinder of

vindster tot dusverre nog geen reden meent te hebben gevonden om het

terug te geven.”

Met een knikje sprak de detective:

„En nu moet ik ervoor zorgen dat die persoon zich zijn plicht herinnert

en het collier terug geeft?”

„Hij kan het ook weer verliezen,” meende de bankier, „en dan zou u de

eerlijke vinder zijn.”

De detective knikte ernstig.

Daarop sprak hij:

„Ik kan voorloopig nog niet gelooven in den moed van een der dames uit

het gezelschap, om zich zulk een kostbaar voorwerp wederrechtelijk te

durven toe eigenen.... Zijt gij volkomen zeker van al uw gasten?”

„Voor zoover dat mogelijk is, zeer zeker,” antwoordde de bankier.

„Gij weet wel, mijnheer Stern, dat men zelfs voor zijn naaste

bloedverwanten niet kan instaan, laat staan, waar er sprake is van een

groot aantal voor het meerendeel oppervlakkige kennissen. De lieden,

die in mijn huis verkeeren, behooren doorgaans tot de bekende, beroemde

familiën der residentie. Daarom treft mij dit voorval des te meer....

Overigens,”—de stem van den bankier klonk nu veel koeler, „mag ik u nu

naar het gezelschap brengen?”

De detective schudde het hoofd.

„Het zou mij aangenaam zijn, als gij, heer directeur, het eerste wildet

gaan en als ge u niet mee om mij wildet bekommeren.

„Eerst later, als ik mij weer tot u wend, verzoek ik u, mij aan dezen

en genen voor te stellen.”

De bankier knikte.

„Zooals gij wenscht! Tot weerziens dus!”

„Een oogenblik nog, als ’t u belieft,” verzocht de detective. „Het zou

mij aangenaam zijn, als gij mij een visitekaartje van uzelf wildet

geven, waarop gij mij volmacht verstrekt opdat uwe ondergeschikten zich

richten naar mijn bevelen.”

„Is dat absoluut noodig?”

„Zeker. In zulk een moeilijk geval kan ik niet weten, tot welke

maatregelen ik zal moeten overgaan. Voor alles zal ik waarschijnlijk

een livrei, zooals uw bedienden die dragen, noodig hebben.”

De bankier had een van zijn groote visitekaarten uit de portefeuille

genomen, schreef hierop het noodige met een gouden vulpen en sprak,

terwijl hij den detective het kaartje ter hand stelde:

„Wat dat laatste betreft, hebt gij u slechts te wenden tot mijn

hofmeester Martin, hij zal u in elk opzicht van dienst zijn.”

De detective boog en de bankier ging heen.

TWEEDE HOOFDSTUK.

DE RAADSELACHTIGE GAST.

Nadat de heer Von Hartstein zich bij zijn speelpartners had

verontschuldigd over zijn plotseling vertrek, begaf hij zich naar de

feestzaal, waar hij na eenig zoeken zijn echtgenoote trof.

Mevrouw Adelheid had reeds naar haar man uitgezien om hem deelgenoot te

maken van een opmerking welke zij gemaakt had.

Schijnbaar vroolijk babbelend liep zij aan zijn zijde, toen zij, naar

een nis aan haar rechterzijde kijkend, sprak:

„Zie je dien heer daar, Maximiliaan? Hij is mij onbekend.”

De bankier keek onopgemerkt in de aangeduide richting en beweerde ook,

dien heer niet te kennen.

„Het is mogelijk,” fluisterde hij, „dat een van onze gasten hem heeft

geïntroduceerd. Dat zou niet volgens de gewoonte zijn, maar als er

sprake is van een bal...”

Mevrouw Adelheid schudde het hoofd.

„Misschien ben ik op ’t oogenblik een beetje wantrouwend,” sprak zij,

„maar je moest toch eens informeeren, Maximiliaan.”

„Dat zal ik doen,” antwoordde haar echtgenoot. „Laat ik je intusschen

naar mevrouw Von Blendheim geleiden, die je zooeven wenkte. Daarna deel

ik je mede, wat ik te weten kom.”

Een oogenblik later zat de jonge vrouw van den bankier naast haar oude

vriendin, die zij fluisterend deelgenoote maakte van het gebeurde,

terwijl mijnheer Von Hartstein tusschen de rijen der gasten doorliep en

scherp uitkeek naar den detective.

Een der bedienden naderde hem met een zilveren blad vol gevulde glazen

en sprak, den bankier aankijkend:

„Een glas Champagne, mijnheer?”

De bankier keek op.

Een glimlach vloog over zijn gelaat en terwijl hij een glas van het

blad nam, fluisterde hij den bediende toe:

„Dat is snel gegaan, mijnheer Stern, ik zoek u juist.”

De detective, die zijn gezelschapstoilet had verwisseld met de grijze

livrei, antwoordde, alsof het een bevel van zijn meester gold:

„Gij wilt mij opmerkzaam maken op den heer ginds in die nis, nietwaar

mijnheer? Ik zag u zooeven met uwe vrouw daarlangs gaan.”

De bankier antwoordde niet, maar het viel hem moeilijk, zijn

verwondering te verbergen over de bijna pijnlijke oplettendheid, die

Henry Stern aan den dag legde, waar het de gewichtige zaak gold.

„Ik wilde nu gaarne mijn gang gaan,” vervolgde de detective, „ik

vermoed namelijk, dat die heer, die ook mij reeds is opgevallen, hier

niet lang meer zal blijven.”

„Verdenkt gij hem?” vroeg de bankdirecteur.

De detective, die nog steeds in dezelfde onderdanige houding het

zilveren blad met de champagneglazen vasthield, sprak, terwijl hij zijn

lippen nauwelijks bewoog:

„Dat zou te veel gezegd zijn, maar in elk geval past die man niet

tusschen uw andere gasten, heer directeur.”

Intusschen ging de detective zijn champagne aan de andere gasten

aanbieden en de gastheer zag, dat hij op deze wijze snel de deur

naderde.

Nieuwsgierig of de geheimzinnige vreemdeling nog tegen de marmeren zuil

in de nis geleund stond, richtte de bankier zijn schreden nogmaals

daarheen, maar hij vond de plaats leeg. Dadelijk daarna kwamen een paar

van zijn beste vrienden hem in een beursgesprek wikkelen, zoodat hij

voorloopig niet meer aan het gestolen kleinood dacht.

Toen hij zich weer naar de speelzaal begaf om zijn hombre-partijtje

voort te zetten, ontmoette hij nogmaals zijn echtgenoote aan den arm

van den schoonen, trotschen Engelschman, dien zij voor den geheelen

avond tot haar cavalier scheen te hebben gekozen.

Een diepe blos kleurde haar wangen, toen zij haar echtgenoot zag. Deze

echter knikte haar en haar cavalier met een goedigen glimlach toe.

De Lord beantwoordde dezen groet met een buiging van het hoofd en

sprak:

„Uw man houdt blijkbaar heel veel van u, mevrouw de barones; zelfs het

groote verlies, dat gij hem, zij het dan ook onwillens, hebt berokkend,

bederft zijn goed humeur niet.”

„Ja, mijn man is heel goed,” antwoordde zij, „ik herinner mij niet, hem

ook slechts een enkelen keer ontstemd te hebben gezien.”

„Gij geeft er hem zeker ook geen aanleiding toe.”

Een onderzoekende blik uit de donkere oogen van den man vloog langs de

bloeiende vrouwengestalte....

Adelheid von Hartstein was ten prooi aan de meest uiteenloopende

gewaarwordingen, toen zij nu, zonder te weten, waarheen haar geleider

haar bracht, bijna willoos aan zijn arm voortschreed.

Een jaar geleden, nauwelijks 18 jaar oud, was zij haar driemaal zoo

ouden echtgenoot naar het altaar gevolgd.

Ook zij was van een oud-adellijk, maar verarmd geslacht en had daarom

in haar eigen onderhoud moeten voorzien. Reeds maandenlang werkte zij

op een der groote kantoren van den heer Von Hartstein, toen op een

goeden dag de bankier zijn oog op haar liet vallen.

Hij scheen informaties omtrent haar te hebben ingewonnen, want na

eenigen tijd liet hij haar bij zich roepen en sprak met een stem, die

alle vastheid verloren had:

„Ik heb u iets te zeggen, juffrouw Von Sebald.”

Hij aarzelde een oogenblik en vervolgde toen:

„Het hangt van u zelf af, of ge mijn verzoek wilt inwilligen.”

Het jonge meisje had, ondanks zichzelf, gebloosd, had, nadat zij haar

chef even had aangezien, haar mooie oogen neergeslagen en met een

zekeren angst op zijn verdere woorden gewacht.

„Dat, wat ik u zou willen vragen, betreft alleen mijzelf,” had de

bankier gezegd.

Daarop had hij weer gezwegen.

Adelheid von Sebald had diep blozend haar hoofdje nog meer gebogen,

totdat plotseling haar chef zich tot haar neerboog, haar hoofd in zijn

groote handen nam en sprak:

„Ik bemin u, Adelheid, en ik wilde graag, dat ge mijn vrouw werd.”

Zes weken later waren zij met elkaar getrouwd.

Alles was als in een droom gegaan. Het jonge meisje, dat nooit iemand

had ontmoet, die diepen indruk op haar hart kon maken, was er zich

nauwelijks van bewust, hoe groot het verschil in jaren en

levensopvattingen was tusschen haar en haar man.

Toen zij eenmaal getrouwd was, werd haar dit wel duidelijk, maar de

eindelooze goedheid van haar echtgenoot ruimde alles uit den weg wat

anders misschien een onoverkomelijke hinderpaal ware geworden.

Nimmer was tot dusverre bij het zien van andere mannen de gedachte bij

haar opgekomen, dat een ander misschien beter bij haar gepast zou

hebben dan haar echtgenoot.

Nu echter was Adelheid von Hartstein onrustig geworden. Een

gewaarwording, die haar verwarde en verrukte tegelijkertijd, maakte

zich van haar meester, als zij in de zwarte oogen van den Engelschman

keek, welke haar meer nog dan zijn woorden, zeiden, hoe ’n diepen

indruk ook zij op hem had gemaakt.

Om zichzelf af te leiden, bracht zij, terwijl zij in een der kleinere

zalen op een rustbank hadden plaats genomen, het gesprek weer op het

verloren collier.

„Mijn echtgenoot heeft reeds werk gemaakt van het geval”, sprak zij,

„en ik zelf meen ook iets te hebben opgemerkt, wat betrekking heeft op

het geval.”

Zij gaf haar cavalier nu een beschrijving van den vreemdeling die haar

was opgevallen en die nu verdwenen scheen te zijn.

„Maar hoe zou die man in uw nabijheid zijn gekomen,” sprak Lord

Brigham, over wiens aristocratisch gelaat een glimlach gleed.

„Dat begrijp ik ook niet,” antwoordde Adelheid, nadenkend voor zich

kijkend, „maar ik heb een zeker voorgevoel, dat van dien man een nadere

verklaring te verkrijgen zou zijn.”

„Het zal moeilijk vast te stellen zijn, of die man werkelijk iets met

den diefstal te maken heeft.”

„Ik geloof, dat mijn man de noodige stappen reeds heeft gedaan. Hij

staat reeds jarenlang met het detective-bureau in verbinding en dat

zijn kranige, handige lieden.”

De Engelschman knikte.

„Dat is ook de eenige manier, ten minste als men een goed bureau aan de

hand heeft.”

„O,” sprak de jonge vrouw, „het detectivebureau Rasmussen heeft den

naam, het beste en meest betrouwbare van geheel Berlijn te zijn.”

Weer gleed een lachje langs de trekken van den Lord, die nu het gesprek

op andere onderwerpen bracht.

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Intusschen was Henry Stern den man, die zulk een opvallende

verschijning in de oogen van mevrouw Adelheid was geweest, gevolgd. De

vreemdeling had het gastvrije huis van den bankier reeds verlaten.

De raadselachtige man liep tamelijk snel de straten door, totdat hij

een huurauto tegenkwam, waarin hij plaats nam.

Henry Stern bevond zich nog aan de andere zijde der straat, maar de

auto zette zich nauwelijks in beweging of de detective zat er reeds

achter op om op deze wijze den rit mee te maken.

Het was goed, dat zich slechts weinig menschen meer op straat bevonden,

want het was een niet alledaagsch gezicht, een volwassen man als een

echte straatjongen aan een auto te zien hangen.

In de buurt van het station Gesundbrunnen vertraagde het rijtuig zijn

vaart en dadelijk sprong Henry Stern van den wagen af om terwijl hij in

de schaduw der huizenrij voortliep het voertuig in het oog te houden.

Voor een der huizen hield de auto stil, de detective zag, dat de

vreemdeling uitstapte, den koetsier betaalde, de huisdeur opensloot en

naar binnen ging.

Zonder zich een oogenblik te bedenken, onderzocht Stern nu de

zij-ingangen der huizen en reeds in het tweede vond hij een open

huisdeur.

Hij snelde de gang door naar een binnenplaats, waar hij als een kat

over de houten schutting klom, en toen hij 200 schreden verder was,

herhaalde hij ditzelfde nogmaals.

Hij bevond zich nu in het huis, dat hem interesseerde, maar hij had

geen flauw vermoeden waar de vreemdeling zich nu zou bevinden.

Plotseling viel zijn blik op een vrij hoog gelegen raam, dat nu

verlicht was. Hier wilde hij even naar binnen kijken!

Snel besloten, zooals dat zijn gewoonte was, wist hij zich met behulp

van een tapijtklopper, dien hij op de binnenplaats vond, omhoog te

werken totdat hij de vensterbank van het verlichte raam kon

vastgrijpen.

Als een eekhorentje was hij naar boven geklauterd en nu keek hij in de

kamer, waarin zich een man bevond, die een blouse droeg en die er

uitzag als een werkman. Hij was in gezelschap van twee jonge meisjes,

blijkbaar behoorend tot de armzalige Berlijnsche nachtvlinders. De

vierde persoon in de kamer was de vreemdeling, dien hij achtervolgde.

Zij stonden samen bij een tafel en bekeken blijkbaar iets, dat de

vreemdeling hun liet zien. Daar zij echter, zooals zij daar naast

elkaar stonden, den detective hun ruggen toewendden, was deze niet in

staat, te onderscheiden, wat zoo de algemeene oplettendheid trok.

In zijn pogingen om beter naar binnen te kunnen kijken, deed de

detective een misstap, waardoor hij bijna naar beneden was gerold. Hij

wist echter zijn evenwicht te bewaren, maar moest snel zijn hoofd en

bovenlijf terugtrekken om niet gezien te worden.

Daarbinnen had men het geluid gehoord, allen hadden zich omgedraaid en

keken naar het venster.

Het kwam den detective nu veiliger voor om zijn observatiepost te

verlaten. Hij liet zich weer naar beneden glijden en had juist de

houten schutting, waarover hij zooeven was geklommen, bereikt, toen de

deur, die van het huis naar de binnenplaats leidde, geopend werd.

De detective zag, dat de vier personen, die hij in de kamer had gezien,

hem vervolgden. Hij hoorde een stem, die een hond aanzette en:

„Tyras, pak hem!” riep.

In hetzelfde oogenblik vloog een groote hond als een razende over de

plaats en pakte Henry Stern, die juist over de schutting wilde klimmen,

bij zijn jas.

De jonge detective had zijn langen gummiknuppel te voorschijn gehaald

en gaf den hond daarmede een flinken slag op zijn snuit, zoodat het

dier luid jankte.

Nu snelden ook de beide mannen toe en met een geweldigen sprong zwaaide

Stern zich over de schutting terwijl een flink stuk van zijn jas in den

bek van den hond achterbleef.

De beide kerels waagden het blijkbaar niet, ook de schutting over te

klimmen. Zij riepen hem echter na:

„Je zult ons toch niet ontsnappen, vervloekte speurhond!”

Het was reeds bijna 5 uur in den morgen, Henry Stern wachtte nog eenige

minuten, maar toen alles rustig bleef, begaf hij zich naar buiten in de

pikdonkere straat. Nadat hij het huisnummer en den straatnaam had

genoteerd, snelde hij terug, totdat hij in een meer beschaafde wijk een

huurrijtuig vond, waarmede hij zich, zeer tevreden over zijn werk, naar

zijn bureau liet brengen.

DERDE HOOFDSTUK.

IN DE SLAAPKAMER DER BARONES.

„Ik voel geen lust, om de politie in mijn zaken te mengen,” sprak de

bankier den volgenden morgen aan het ontbijt tot zijn echtgenoote, toen

er natuurlijk weer druk gesproken werd over het verdwijnen van het

collier.

„Waartoe zou het ook dienen! Diefstallen, die op zulk een geslepen

manier gepleegd worden, ontdekt de politie bijna nooit. Ik twijfel

volstrekt niet aan den ijver en het doorzicht van onze beambten, maar

ik vrees, dat zij in dezen weinig zullen presteeren. Daarom heb ik mij

dadelijk tot Rasmussen gewend.”

De jonge vrouw hoorde dat, wat haar man vertelde, als in een droom. Een

zeker iets, waarvan zij zichzelf geen rekenschap kon geven, omsluierde

al haar gewaarwordingen en gedachten. Het leven scheen haar dubbel

aangenaam!

Zij betrapte er zich op, dat haar gedachten elders waren, in de

nabijheid van een rijzigen, slanken man met zwart krullend haar en

donkere, schitterende oogen, die weer, evenals gisteren in de

oranjerie, diep en smachtend in de hare keken.

Hoeveel moeite zij zich ook gaf, om deze gedachten te verbannen, om

zich weer vol aandacht aan haar man te wijden, het hielp haar niet.

Er was iets nieuws in haar leven gekomen en hoewel zij het zichzelf

niet wilde bekennen, zij smachtte naar het oogenblik, waarop zij hem

weer zou zien en spreken.

Later op den dag, toen haar man naar de beurs was gegaan, zat zij

langen tijd in haar kostbaar ingericht boudoir. Zij vroeg zichzelf

herhaaldelijk af, of hij, met wien haar gedachten zich onophoudelijk

bezighielden, ook haar nog niet vergeten zou hebben.

Wanneer zij dan weer aan haar echtgenoot dacht, gevoelde zij iets, wat

op wroeging geleek.

Toen de heer Von Hartstein des avonds weer uitging om tegenwoordig te

zijn op een belangrijke vergadering, deelde hij haar vóór zijn vertrek

mede, dat het waarschijnlijk laat zou worden, eer hij terug kon zijn.

Adelheid begaf zich tijdig ter ruste, maar het duurde een geruimen

tijd, voordat zij den slaap kon vatten.

Eindelijk echter sliep zij in terwijl een zalig lachje om haar rooden

mond speelde....

Zij droomde.

Het was haar, alsof een kamerdeur werd geopend en zachte, behoedzame

schreden haar weelderig bed naderden.

Daar stond hij in het zachte, getemperde licht der gaskroon, hij, aan

wien zij den geheelen dag had moeten denken.... of was hij het

niet?.... En nu sprak hij zelfs tot haar.... Zij verstond hem niet....

nu noemde hij haar naam, dien hij telkens met zachte, welluidende stem

herhaalde.... en nu knielde hij naast haar bed neer, strekte zijn

handen naar haar uit en....

Met een kreet van angst richtte Adelheid von Hartstein zich op en met

wijd geopende oogen staarde zij naar het donkere gelaat van den man,

die aan het voeteneind van haar bed neerknielde.

Met bevende stem vroeg zij:

„Wat wilt gij?... Wie zijt gij? ...Ik roep om hulp!”

(Zie het titelblad.)

De nachtelijke bezoeker hief zijn hoofd op, dat bedekt was door een

zwart fluweelen masker, waardoor alleen de oogen zichtbaar waren en met

een stem, die de jonge vrouw meende te kennen, maar die haar

tegelijkertijd vreemd in de ooren klonk, sprak hij:

„Wees niet bang! Ik zal u geen kwaad doen. Ik ben hier gekomen, omdat

ik u moet zien.... Bij dag, als iedereen u kan zien, is het mij

onmogelijk om u te zeggen, wat mij op het hart ligt...”

Met smeekend opgeheven handen vroeg zij weer, bijna fluisterend:

„Ik weet niet, wie gij zijt, wat wilt gij van mij en waarom verbergt

gij uw gelaat? Zijt gij...”

Maar zij durfde niet vragen of hij het was, die op het bal haar hart

stormenderhand had veroverd.

Een zacht, welluidend lachje klonk van zijn lippen.

„Of ik het ben, naar wien uw hart verlangt, dat weet ik niet. Maar

ik—ik kon geen weerstand bieden aan de onzichtbare macht, die mij tot u

voerde in dit stille uur.... Maar ik kom nog voor iets anders: Gij hebt

op het feest uw collier verloren, zoudt gij het graag terug willen

hebben?”

Verrast en sprakeloos staarde de jonge vrouw naar den nachtelijken

bezoeker; zij schudde haar hoofd met het krullende goudblonde haar en

met doodsbleek gelaat hijgde zij:

„Maar wie zijt gij toch? en wat weet gij van mijn collier? Zijt gij

misschien de man, die in de nis tegen de marmeren zuil leunde?”

Hij schudde het hoofd.

„Vraag mij niet wie ik ben, want ik moet u het antwoord eeuwig schuldig

blijven. Beschouw mij als een ongelukkige die uw medelijden verdient!”

Hij nam haar hand in de zijne, tilde het fluweelen masker op en drukte

zijn lippen op haar gloeiende vingers.

„Ik begrijp het niet,” sprak zij zacht, maar terwijl zij dit zeide, was

het, alsof een inwendige stem haar toefluisterde:

„Hij is het! Hij is het dien gij liefhebt, aan wien je hart en je

zinnen toebehooren.”

Maar—dan begon zij weer te twijfelen.

Hoe zou de Engelsche aristocraat er een oogenblik aan kunnen denken om

des nachts een vreemde woning binnen te dringen, in de slaapkamer te

komen van de vrouw van een ander? En wat had Lord Brigham te maken met

het gestolen halssieraad? Maar misschien gaf hij dit slechts op als

voorwendsel voor zijn ongemotiveerde komst......?

Zij voelde echter, dat zij in elk geval zich in schijn moest verzetten

tegen dit bezoek en met kloppend hart sprak zij:

„Wilt gij mij nu uw naam noemen? Ik moet om hulp roepen als gij nog

langer hier blijft! Als man van eer moogt gij geen misbruik maken van

de hulpeloosheid eener vrouw... En daar in die andere kamer slaapt mijn

echtgenoot.”

Zij wist niet, of de bankier reeds te huis was, maar hoe dan ook het

zou haar onmogelijk geweest zijn, om hulp te roepen. Zij vreesde dezen

man niet, die haar slaapkamer was binnengedrongen en als een smeekende

knaap aan haar voeten lag.

Aarzelend vroeg zij:

„Ken ik u?”

Hij antwoordde niets, maar het was haar als hoorde zij een zacht lachen

van zijn lippen.

Hierdoor moediger geworden, vroeg zij weer:

„Kent gij mijn echtgenoot?” Hij lachte weer en fluisterde:

„Ik ken u beiden en ik weet, waarom gij deze vraag tot mij richt.”

Daarop vervolgde hij na een kleine pauze:

„Misschien ook ken ik hem, aan wien gij denkt!”

„Maar zijt gij het niet zelf?” vroeg zij in ademlooze spanning.

Zonder hierop te antwoorden, sprak hij nogmaals.

„Doet het u veel leed, dat gij uw collier hebt verloren?”

Maar Adelheid, vervuld van geheel andere gevoelens, sprak

hoofdschuddend:

„Mijn man is immers zoo rijk...... Men verliest zooiets natuurlijk niet

graag.... Vooral hij, mijn echtgenoot.... Mij kan het niet veel

schelen.... Hebt gij het misschien gevonden?”

Hij antwoordde ook hierop niets, maar kuste nogmaals haar handen, die

zij hem beide gaf en stond toen langzaam op.

„Het wordt tijd, dat ik heenga, maar gij hebt mij niet voor de laatste

maal gezien.”

En zonder Adelheid tijd te gunnen om nog iets te zeggen, was de

nachtelijke bezoeker verdwenen.

Zij gevoelde zich als verdoofd en als ware er niets bijzonders

voorgevallen, sluimerde zij rustig weer voort.

VIERDE HOOFDSTUK.

DE ZWARTE BRIEF.

Bankier Von Hartstein schuimbekte van woede.

Hij had des morgens, toen hij zijn kantoor binnenkwam, op zijn

schrijftafel een brief gevonden in een zwart couvert, dat aan de

achterzijde een gouden monogram „J. R.” vertoonde.

De brief was niet voorzien van een postzegel of stempel en blijkbaar

door een bode daar neergelegd.

Het couvert bevatte een met de schrijfmachine geschreven brief van den

volgenden inhoud:

Geachte heer!

Doe geen moeite, uit te vorschen, waar het diamanten collier van uw

echtgenoote zich bevindt. Het zou u niet helpen en u misschien in

gevaar brengen. Ditzelfde geldt voor degenen, wien gij dit werk

mocht opdragen. Het zal van omstandigheden, waarmede gij niets te

maken hebt afhangen, of men het collier aan uw vrouw zal

terugbezorgen. Het zal echter noch aan de politie noch aan de

detectives gelukken, op het spoor te komen van uw dienstwilligen,

JOHN C. RAFFLES.

De heer Von Hartstein vertrouwde zijn oogen niet. Deze brutaliteit

overtrof alles!

Onmiddellijk werd de oude, vertrouwde dienaar Martin geroepen.

De oude man, die reeds den vader van den bankier had gediend,

verscheen, als altijd, onberispelijk in rok en met witte das, in het

kantoor van zijn heer en meester.

Maar het was, alsof de handen van den man beefden, toen hij op den

drempel trad en zijn witte bakkebaarden door zijn vingers liet glijden.

„Mijnheer beveelt?”

„Mijn beste Martin,” sprak de bankier met gefronst voorhoofd, „ik moet

je, bijna voor den eersten keer, een verwijt maken. Er schijnen

verkeerde elementen onder de bedienden te zijn.... Hier, lees dezen

brief.”

Hij gaf hem het couvert en vervolgde:

„Dit schrijven vond ik hedenochtend op mijn tafel liggen. Franz, de

bediende, beweert geen flauw vermoeden te hebben, hoe het daar is

gekomen. Mag zoo iets in een goed geordend huishouden plaats vinden?”

De oude man luisterde met gebogen hoofd naar de woorden van zijn

gebieder. Het was, alsof hij, schuldbewust, niet durfde antwoorden.

De bankier vervolgde:

„Je weet, beste Martin, welk verlies ik geleden heb op het bal. Een

half millioen is ook voor mij geen kleinigheid.

„Maar dat ik bovendien door dien schurk in mijn eigen huis gehoond

word, dat is het schandelijkste van al! En, beste Martin, daarvoor stel

ik jou verantwoordelijk!”

De oude man haalde de schouders op en sprak:

„Het spijt mij zeer, mijnheer Von Hartstein, maar ik zelf sta

machteloos tegenover dit alles. Ik heb na den diefstal al onze

bedienden een voor een onder handen genomen, maar ik ben ervan

overtuigd, dat geen van hen tot een oneerlijke daad in staat is. Wat

echter den brief betreft, hieromtrent kan ik u persoonlijk, zij het dan

ook slechts gedeeltelijk, inlichten....”

Verrast keek de bankier op.

„Jij? Jij zelf, Martin? Ik ben zeer nieuwsgierig.”

Met een droevig glimlachje sprak de oude man:

„Ja, ik lijd, zooals mijnheer wel weet, aan slapeloosheid. Nu heb ik

eenigen tijd geleden, om een onbeduidende reden, van slaapkamer geruild

met de kamervrouw van mevrouw de barones.

„Dezen nacht meende ik eenig geluid te hooren, ik draaide het

electrische licht op en zag, dat het bijna half drie was. Ik ging mijn

kamer uit en zag bij het zwakke licht van de ganglamp een zwarte

gedaante langs sluipen.

„Het eerste oogenblik was ik verlamd van schrik, zoodat ik verzuimde,

hem na te snellen en daarna vond ik, ondanks alle moeite, zijn spoor

niet terug.

„Ik was echter niet gerust, en begon, ongeveer een half uur later, nog

eens te zoeken. Terwijl ik langs de slaapkamer van mevrouw de barones

kom, wordt de deur naar de gang toe geopend en een hooge, in het zwart

gekleede gestalte komt onhoorbaar naar buiten......”

De oude man zweeg en keek ontsteld in het doodsbleeke gelaat van zijn

heer.

Op verontwaardigden toon vroeg Von Hartstein:

„Hebt gij het gelaat van den man gezien?”

„Dat was mij onmogelijk. Hij droeg een masker, of liever een

hoofdbedekking van zwart fluweel, waardoor alleen de oogen zichtbaar

waren.”

„En je hebt hem laten gaan?!” vroeg de bankier diep ademhalend.

„Dat maakt mij juist zoo ongelukkig!” sprak de oude Martin

handenwringend.

„Ik was als verlamd van schrik door die spookachtige gedaante. Ik kon

zelfs geen enkel geluid geven. De vreemde, bovenaardsche verschijning

gleed onhoorbaar langs mij heen, zijn doordringende oogen onafgewend op

mij gericht.

„Toen ik van den schrik bekomen was, was de geheimzinnige man

verdwenen.

„Aan het kozijn van een der ramen dicht bij de trap, vond ik een zijden

koord bevestigd, waarlangs de misdadiger zich waarschijnlijk naar

beneden heeft laten glijden.”

De bankier antwoordde niets.

Hij had aan zijn schrijftafel plaats genomen en was in diep nadenken

verzonken.

Hij dacht niet meer aan den brutalen brief in het zwarte couvert, zelfs

het verlies van het collier was hem in dit oogenblik

onverschillig—slechts de gedachte aan zijn vrouw hield hem bezig.

Tot dusverre was nog nimmer de gedachte bij hem opgekomen, dat de

reine, blauwe oogen zijner vrouw verlangend naar andere mannen zouden

kunnen kijken.

Hoe kwam het, dat nu opeens een gevoel van twijfel zich meester maakte

van het hart van den reeds bejaarden man?

Was het niet zijner onwaardig, in de brutale handelwijze van een

schurk, die misschien in de vertrekken zijner vrouw was geweest,

terwijl deze sliep, trouweloosheid van het beminde wezen te willen

zoeken?

Maar—dit was het niet alleen!

Adelheids houding was na den nacht van het bal zoo geheel anders

geworden! Lief en vriendelijk als altijd, was zij toch in zichzelf

gekeerd en stil geworden.

Wat kon deze man in zijn brief bedoelen met de omstandigheden, waarmede

hij zelf niets te maken had en waarvan het zou afhangen of men Adelheid

het gestolen collier zou terugbezorgen......?

Al deze vragen pijnigden den bankier ontzettend.

Eindelijk hief hij het hoofd op en sprak, met een goedig glimlachje den

ouden dienaar aanziende:

„Ik dank je wel, beste Martin; wil je zoo goed zijn, door middel van de

kamervrouw mijn echtgenoote te laten zeggen, dat ik haar over een

kwartier wensch te spreken?”

Martin verwijderde zich en kwam spoedig daarna terug met de

mededeeling, dat mevrouw de barones juist was opgestaan en mijnheer den

bankier over een kwartier verwachtte.

VIJFDE HOOFDSTUK.

EEN HARTSGEHEIM.

Adelheid was eerst laat uit haar droomen ontwaakt.

Toen echter haar kamermeisje de gordijnen opende en het volle, heldere

daglicht in het meer dan weelderige slaapvertrek naar binnen viel,

waren alle visioenen van den nacht verdwenen.

Zij bevond zich weer als de echtgenoote van den beroemden beurskoning

en millionair Von Hartstein in haar villa, zij was de rijke, voorname

vrouw, die haar echtgenoot trouw had gezworen en die, nu het nuchtere

verstand weer werkte, vast besloten was, alle andere gevoelens

onherroepelijk uit haar hart te verbannen.

Was het werkelijkheid, haar droom van dien nacht?

Maar waarom had zij dan niet om hulp geroepen, toen de vreemdeling bij

haar bed was neergeknield?

Hoe had zij een oogenblik kunnen veronderstellen, dat de Engelsche

aristocraat en de inbreker, dezelfde, die haar collier had gestolen,

iets met elkaar te maken hadden?

Zou Lord Brigham, een Peer van Engeland, in den nacht een vreemd huis

binnendringen om op deze wijze een dame zijn hulde te bewijzen?

Neen! Zij wenschte, dat zij voor haar echtgenoot kon verschijnen om hem

te vertellen, wie den treurigen moed had gehad, in haar slaapvertrek te

komen!

Maar dat was onmogelijk!

Zij kende zijn wantrouwen en jaloezie en wist, dat hij haar niet zou

gelooven, als zij hem den loop van het nachtelijk avontuur zou

vertellen.

En omdat zij den moed niet had, hem alles te zeggen, besloot zij te

zwijgen.

In dit oogenblik kreeg zij de boodschap van haar man, dat hij haar

wilde spreken.

Zij begreep, dat dit vroege onderhoud in verband stond met het

voorgevallene in den nacht en vol bange onzekerheid wachtte zij op de

komst van haar echtgenoot.

Toen hij binnentrad, zag zij aan zijn vastgesloten lippen, dat zijn

humeur niet van de beste was, maar zij had tijd gehad om zich voor te

bereiden en was dus uiterlijk kalm en rustig.

Nadat de bankier haar den brief in het zwarte couvert had laten lezen,

scheen zij hierover even verontwaardigd als hij zelf en antwoordde op

zijn vraag, of zij niets van de aanwezigheid van den schurk had

bemerkt:

„Maar Max, je begrijpt toch, dat ik dan het geheele huis in opschudding

zou hebben gebracht. Ik zou van angst gestorven zijn!”

Deze woorden stelden hem volkomen gerust.

De zekerheid, dat het hart van zijn vrouw even rein en onschuldig was

als altijd, deed hem alle ongerustheid vergeten en Adelheid deed al

haar best om hem te bewijzen, dat zij hem meer dan ooit liefhad en aan

geen anderen man dacht.

Met het blonde kopje aan zijn breede borst keek zij teeder naar hem op.

Geduldig liet zij zich op mond en oogen kussen, totdat hij, op de klok

kijkend, zag, dat het hoog tijd was om naar de beurs te gaan.

De jonge vrouw begaf zich naar haar boudoir, waar zij zich weer aan

haar gedachten overgaf.

Zou zij haar man alles vertellen?

Maar neen, hij zou haar niet begrijpen, hij zou het niet kunnen!

Eén slechts was er in de geheele wereld, die haar zou kunnen helpen!

Eén slechts, op wiens ridderlijkheid zij volkomen vertrouwde.

Die eene was Lord Brigham!

Als de vermetele onbekende het haar weer lastig zou maken, dan wilde

zij tot hèm gaan, tot den Engelschen edelman, van wiens vriendschap zij

redding verwachtte.

Gesterkt door dit besluit, riep zij haar kamenier om zich voor een

rijtoer te laten kleeden.

ZESDE HOOFDSTUK.

IN HET DANSHUIS.

Henry Stern had juist de villa van den millionair verlaten, niet zeer

opgewekt over dat, wat hij daar had moeten vernemen. De bankier had hem

den zwarten brief getoond en erbij gezegd, dat, als hij niet binnen

eenige dagen tenminste het begin van eenig resultaat zag, hij de zaak

in handen zou geven van een ander detective-bureau.

Dat was voor den jongen man als een slag in het gezicht. Hoewel hij pas

23 jaar oud was, hield hij zichzelf, en misschien niet geheel ten

onrechte, voor een genie in zijn beroep.

De heer Von Hartstein verlangde, zoo dacht Stern, wel wat veel. Er

waren niet meer dan vier dagen verloopen sinds het bal in de villa had

plaats gehad en deze tijdsruimte was bijna te kort om een zoo geslepen

misdadiger op het spoor te komen.

Henry Stern had immers een spoor, wat hij den millionair dan ook had

medegedeeld, maar het had tot dusverre tot niets geleid.

Reeds in den voormiddag, volgende op den bewusten nacht, had hij het

huis, waar de auto hem had gebracht, weer opgezocht.

Hij vond de woning zonder eenige moeite. Er huisde een oude vrouw, een

type, zooals men ze meer in de misdadigerswijken der groote steden

vindt. Zij verhuurde haar kamers voor enkele dagen of nachten, al naar

men het haar vroeg.

Maar die oude beweerde niets van de zaak te weten. Den geheelen nacht,

zoo zei ze, had er geen licht in haar woning gebrand en niemand was

daar geweest, behalve zijzelf. De detective moest zich bepaald vergist

hebben. Waarschijnlijk bedoelde hij een ander huis uit de straat.

Stern mocht de hulp der politie niet inroepen, daar de heer Von

Hartstein hem dit ten strengste verboden had.

Aan dit verbod moest hij zich houden, hoewel juist in deze zaak de hulp

der politie hem veel waard was geweest.

Zuchtend en ontevreden over zichzelf was Henry Stern nu op weg naar den

heer Rasmussen om, zooals zijn plicht was, dezen mede te deelen, wat

hij dien morgen in de villa had vernomen, toen een heer met

uitgestrekte handen naar hem toekwam.

„Henry, oude jongen, hoe gaat het je?”

De detective herkende onmiddellijk zijn vroegeren schoolkameraad Peter

Böcher en spoedig waren zij in een levendig gesprek gewikkeld, dat zij

op voorstel van den vriend, in een wijnrestaurant gingen voortzetten.

Henry Stern vertelde, hoe hij eerst van plan was geweest om officier te

worden, maar dat een zeer onaangename duelgeschiedenis, die hij niet

had kunnen verhinderen, zijn carrière in het leger onmogelijk had

gemaakt. Door een toeval was hij detective geworden, een vak, waarvoor

hij werkelijk in de wieg scheen te zijn gelegd.

„Dat is toevallig,” antwoordde de ander, „dan hebben wij ten slotte zoo

ongeveer hetzelfde beroep gekregen. Ik heb in de rechten gestudeerd en

ben geëindigd met commissaris van politie te worden.”

„Hier in Berlijn?” vroeg Stern aangenaam verrast.

De ander knikte toestemmend en vervolgde:

„Ik weet, wat je zeggen wilt en ik zal je vraag dadelijk beantwoorden:

Als het mij eenigszins mogelijk is, zonder mijn plicht te verzaken, wil

ik je gaarne in ieder opzicht van dienst zijn.”

Korten tijd daarna reden de beide vrienden in een huurrijtuig zamen

naar het hoofdbureau van politie.

En nadat de commissaris Böcher daar zijn vriend zeer formeel aan den

chef van de recherche had voorgesteld, was deze zoo welwillend,

toestemming te geven tot het doorbladeren van het misdadigersalbum.

Henry Stern deelde dien heer in vertrouwen mede waarom het hem te doen

was.

Hierna bracht de commissaris den detective in een vertrek, dat het

zoogenaamde „misdadigersalbum” bevatte. Het was een langwerpige kamer

met tallooze vakken en planken aan de muren, waarin zich stapels

photographieën bevonden. Al deze beelden waren keurig gerangschikt

volgens leeftijd, kleur der haren, grootte en dergelijke kenteekenen

der misdadigers.

Het was Henry Stern er om te doen, het portret van den man te vinden,

die op den balavond in de millionnairs-villa in de nis had gestaan,

tegen de marmeren zuil leunend en dien hij later was gevolgd tot op de

binnenplaats van het verdachte huis.

Een geruimen tijd bleef zijn onderzoek vruchteloos.

Eindelijk bracht de beambte een pakket pas aangekomen photo’s, welke

personen voorstelden, die in Berlijn of daar buiten bij het verlaten

van strafinrichtingen eerst kortelings waren gephotographeerd.

Bij het bekijken van deze portretten greep Stern haastig naar een der

photo’s, terwijl hij sprak:

„Die! Maar hij heeft zijn baard laten wegnemen!”

Terwijl hij de photographie omdraaide, las de commissaris voor:

„Adolf Müller, uit Myslowitz, bijgenaamd „Silezische Adolf”, geboren

den 23 Juli 1869. Herhaaldelijk gestraft wegens zwaren diefstal en

roof.”

„Dat is hij!” sprak Henry Stern......., „als ik maar kon verklaren, hoe

de man in het bezit van het collier is gekomen. Want al heeft hij, hoe

dan ook, toegang gekregen tot de villa, de barones zal met hem toch in

geen geval gedanst hebben, want hij was niet eens aan haar

voorgesteld......

„En dat hij haar juist gepasseerd zou hebben in het oogenblik, waarop

zij het collier verloren heeft—zij miste het na een quadrille—is ook

niet aan te nemen!”

De andere beambten haalden de schouders op en Peter Böcher sprak:

„Ja, kerel, dat zijn de raadsels, die jij moet oplossen......”

„In elk geval ben ik jou en de andere heeren heel dankbaar, dat ge mij

inzage van deze dingen hebt gegeven,” sprak Stern, „want ik weet nu

tenminste eenigszins met wien ik te doen heb.”

Lord Lister No. 0005: De zwarte man in het slaapvertrek · 第 1 / 4 段