Het was vroeg in den morgen van een mooien September-dag in het
jaar 1825, dat een welgekleede boerin de stad Berlijn door de
Brandenburgsche poort binnentrad. Op haar kar, die zij met moeite
voortduwde, stonden eenige koperen kannen vol melk, die zij, zooals ze
iederen dag gewoon was, bij haar klanten in de stad ging rondbrengen.
Gewoonlijk had ze tegen den portier altijd een praatje te maken
en nimmer nog had men haar stroef of onvriendelijk gezien. Dezen
morgen echter scheen het huilen haar nader dan het lachen en toen
de portier haar vroeg: "Wel, moedertje, is al de melk onderweg zuur
geworden, dat je zulk een bedroefd gezicht zet?" antwoordde zij:
"Was dat maar waar! Neen, mijn eenige zoon Nikolaas moet onder dienst,
en daar ik weduwe ben, en niemand heb dan mijn jongen om de boerderij
te drijven, weet ik niet, wat ik zonder hem beginnen moet. Nu heeft
onze schoolmeester een verzoekschrift aan den Koning geschreven,
en ik-zelve zal het brengen. Onze Koning is immers een goed man,
die een arme weduwe niet zal laten wegjagen?"
"God zegene onzen goeden Koning Friedrich Wilhelm," zei de
portier. "Als je het geluk hebt hemzelven te spreken, dan wed ik,
dat jij je Nikolaas op de boerderij houdt!"
"Ja, hemzelven spreken! Hoe zal ik dat aanleggen?" zuchtte de vrouw.
"Weet je wat," sprak de portier, "de Koning heeft de gewoonte om
iederen morgen, als hij ontbeten heeft, een half uurtje te gaan staan
voor het open venster, dat uitziet op de Linden. Ga daar heen, en,
als je hem ziet, steek dan het verzoekschrift in de hoogte, en ik wed,
dat hij je bij zich zal laten roepen!"--
Zijne Majesteit was zoo even opgestaan, had ontbeten en was reeds in
zijn morgen-uniform bezig met twee Heeren te zamen over een en ander
te spreken. Hij stond ditmaal niet precies voor het open venster,
maar er naast en zoo achter een gordijn, dat hij alles zien kon,
wat er op het voorplein gebeurde, zonder dat iemand hem zag.
"Wat zou die vrouw, die daar met die melkkar beneden staat, wel willen
hebben, von Holleben?" vroeg de Koning.
Von Holleben, die Generaal van de kavalerie was, ging nu vlak voor
het venster staan, en de boerin, die den Koning niet kende, denkende
dat die mooi gekleede Officier Friedrich Wilhelm was, stak haar
verzoekschrift in de hoogte.
"Ze steekt een papier in de hoogte, Sire! Ze wil uwe Majesteit een
verzoekschrift aanbieden," sprak von Holleben.
"Stil, daar willen we een aardigheid mee hebben," antwoordde de
Koning. "Ik ga mij dadelijk als een gewoon burgerman kleeden en
zelf vragen, wat ze wil. Maar pas op, hoor, dat ge niet te dicht
bij me komt, als ik met haar spreek. Gij zoudt mij, onwillens,
kunnen verklikken!"
Een minuut of tien later liep de Koning op het voorplein en ging naar
de boerin.
"Wel, vrouwtje," zei hij, "op wien wacht je hier?"
"Och, Mijnheer," antwoordde de boerin, "ik wacht tot de Koning voor
het open venster komt. Ik wilde hem een verzoekschrift aanbieden! Daar
straks heb ik hem gezien, maar hij zag mij vast niet, en nu schijnt
hij in het geheel niet meer te komen!"
"Je zult er dus zeker veel belang bij hebben den Koning in persoon
je verzoekschrift ter hand te stellen, vrouwtje?" vroeg de Koning.
"Ach, ja, Mijnheer, heel veel belang," zei de vrouw, en deed hem toen
het verhaal, dat ze den portier gedaan had.
"Weet je wat," sprak de Koning, "ga dan maar in het paleis en vraag
den Koning te spreken!"
"Och, dat zou ik wel willen, Mijnheer, maar ik kan mijn kar toch niet
alleen laten staan!"
"o, Dat is niemendal! Ik zal zoo lang bij je kar blijven! Ga maar!" zei
Friedrich Wilhelm lachend.
De vrouw nam dit aanbod met vreugde aan, liep naar het paleis, doch
kwam een kwartier later reeds terug.
"Wel?" vroeg de Koning.
"Ik had het wel gedacht," sprak de vrouw, "de Koning is al uitgegaan,
en nu heb ik het verzoekschrift aan een Heer overgegeven, en die
zei mij, dat het zoo goed was, alsof ikzelve het den Koning terhand
had gesteld!"
"Nu," hernam de Koning, "dan zal het wel terecht komen! Ga dan maar
gerust naar huis!"
"Ik hoop het, Mijnheer, ik hoop het! Maar daar u zoo vriendelijk
geweest is, om op mijn kar te passen, wil ik van mijn kant ook wat
doen! Hier zijn twee groschen voor uw moeite! Koop er wat voor om
het aan uw kinderen te geven!"
De boerin ging vol hoop heen en de Koning zocht von Holleben op. Zoodra
hij deze zag riep hij lachend: "Kijk eens, von Holleben, ik ben al
vroeg aan het verdienen geweest! Ja, ja, de morgenstond heeft goud
in den mond. Vindt ge niet?"
Het verzoekschrift der boerin werd den Koning bij zijn thuiskomst
terstond overhandigd, en toen het na gedaan onderzoek bleek, dat
de boerin waarheid gesproken had, liet hij dadelijk bevel geven,
dat men haar zoon van den dienst vrijstellen zou.
Met een gevoel van iets gedaan te hebben, dat goed was, borg hij het
tweegroschen-stuk in een lade, waarin hij zijn herinneringen bewaarde,
en, te midden van de vele bezigheden, die hij van zichzelven eischte,
vergat hij weldra de geheele geschiedenis.
Een week of vier later zat hij in zijn kabinet weer ijverig te werken,
toen hem door von Holleben bericht werd, dat er beneden een boerin
stond, die hem bepaald verlangde te spreken.
"Ik heb geen tijd," sprak de Koning. "Vraag maar of gij de boodschap
niet aan kunt nemen!"
Von Holleben ging, doch kwam terug en zei: "Sire, het is dezelfde
boerin, die u een week of vier geleden een verzoekschrift aangeboden
en een tweegroschen-stuk gegeven heeft! Zij verlangt u in persoon
te spreken!"
"Nu, laat dan de vrouw hier komen," klonk het bevel.
Eenige oogenblikken later verscheen de boerin in haar Zondagsche
kleeren gedost, met een mand aan haar arm in het vertrek.
Zijne Majesteit zat met den rug naar haar toe, en zonder van zijn
papieren op te zien, vroeg hij, eenigszins kortaf: "Wel, vrouwtje,
wat heb-je nu weer?"
"Sire," sprak de vrouw en kwam beleefd nader, "Sire...."
Thans zag de Koning op, en nauwelijks had de boerin hem in het
aangezicht gezien, of ze gaf een gil van schrik en viel op haar knieën
voor hem neder.
"Wat nu, vrouw?" vroeg Friedrich Wilhelm verwonderd.
"o Sire," stamelde ze, "vergeving, vergeving, ik kende u niet! Ik
dacht dat u een bediende van het Hof was en... en..."
"Nu, en?"
"En ik heb u voor de moeite van op mijn kar te passen, een
twee-groschen-stuk gegeven! Vergeving, vergeving, Sire! Ik wist niet,
dat..."
"Wees gerust, Moedertje, wees gerust! De twee-groschen heb ik in
een lade geborgen om mijzelven nu en dan eens te overtuigen, dat
een Koning niets anders is dan een gewoon mensch. Maar sta nu op,
en zeg mij, wat gij wilt; want ik heb weinig tijd!"
De vrouw stond op en, een hagelwitten doek van haar mand nemende,
liet ze den Koning vier stukjes boter en een paar kazen zien, die ze
tusschen wijngaardbladen netjes ingepakt had, en beleefd vroeg ze of
ze het een en ander, als een bewijs van dankbaarheid, mocht aanbieden.
"Je bent een best wijf," sprak de Koning. "Ja, ik wil gaarne uw
geschenk aannemen, en ik verzeker u, dat ik levenslang zal blijven
denken aan u en uw zoon, die mij zoo duidelijk bewijzen, dat de
eenvoudigste mensch het hartelijkste zijn kan in het betoonen zijner
dankbaarheid!"
Vol vreugde verliet de boerin thans den Koning, en of deze nu nog op
een andere wijze voor haar en haar zoon gezorgd heeft, dat vermeldt de
geschiedenis niet, maar afgaande op het edel karakter van den Vorst,
geloof ik wel, dat hij beiden niet uit het oog verloren zal hebben.