De Franschen hadden, te midden van allerlei gruwelen, hun Koning,
Lodewijk XVI, op het schavot doen sterven, en vormden thans een
Republiek, die verschrikking over Europa bracht. Wel trachtten de
Vorsten van andere landen dien machtigen stroom des opstands te keeren,
doch geen macht was er tegen bestand.
Overal zwierven de Fransche, Republikeinsche legers rond en, waar zij
heengingen daar lieten ze de droevige sporen van hun verblijf achter.
Zoo naderde ook een leger Sans-culotten,--spotnaam aan de Fransche
soldaten gegeven,--het gebied van den Vorst van Hessen-Kassel, en daar
deze zeer goed begreep, dat hij tegen hen niet bestand was, ontvlood
hij zijn hoofdstad en nam alleen zijn draagbare bezittingen mede.
Maar, waar zou hij deze laten?
Zou hij ze overal medenemen, waar hij henentoog?
Hij wist niet eens, waar hij belanden zou, en of hij op den duur wel
uit de handen der Sans-culotten zou kunnen blijven.
Op zijn vlucht naderde hij de oude stad Frankfort a|d Main.
"Wacht," denkt hij, "in Frankfort woont een Israëlitisch bankier,
van wien ik veel goeds gehoord heb. Als ik mijn kostbaarheden en mijn
geld hem eens in bewaring gaf? Wil hij er den oneerlijken mee spelen
en mij later niets teruggeven, in vrede, als ik dat alles bij mij houd,
verlies ik het toch op den een of anderen dag!"
Hij besloot dus den bankier op te zoeken, en toen hij dezen vond,
stelde hij hem vóór, den schat zoo lang te bewaren tot hij weer in
veiligheid naar zijn Staten kon terugkeeren.
De bankier had er niet veel zin in, doch toen de Vorst bleef aanhouden,
stemde hij eindelijk toe en nam alles in ontvangst, en nauwelijks was
de voortvluchtige Vorst vertrokken, of de bankier begroef de schat,
die eenige millioenen guldens waarde had, in een hoek van zijn tuin.
Kort daarop kwamen de Sans-culotten aan, en, wie er ook van een bezoek
verschoond mocht blijven, al vast niet de Joodsche bankier. Dat deze
dat nu maar zoo bedaard toeliet, zou te veel gezegd zijn, integendeel
hij ging erg te keer en bezwoer hen, dat hij zulke plunderaars, die
een eerlijk man tot den bedelstaf brachten, bij den bevelvoerenden
Generaal zou aanklagen.
De ruwe gasten lachten hem echter wat uit. Ze wisten wel, dat hij
bij den Generaal toch geen hulp vinden zou. Geen kast lieten ze
ondoorzocht. Ze namen alles mee, en toen de bankier in de verte
de trommels van het aftrekkende leger hoorde klinken, dacht hij:
"Mij hebben ze van alles, wat ik had, beroofd; maar de schat van
Zijne Doorluchtigheid is er toch nog!"
De Sans-culotten hadden zoo ongeveer honderdtwintig duizend gulden
van hem meegenomen.
Toen de bankier begreep, dat de plunderaars niet weer zouden
terugkeeren, hervatte hij zijn zaken, en daar hij hiertoe geld noodig
had, nam hij een gedeelte van den verborgen schat.
Om evenwel geen argwaan te wekken, begon hij in het klein, doch
langzamerhand breidde hij zijn handel uit, en maakte zich weldra tot
een der meest bekende en grootste bankiers van Duitschland.
In het jaar 1802 keerde de Vorst naar zijn Staten terug en nam zijn
weg over Frankfort.
Hij zag er tegenop den bankier te bezoeken; want hij begreep wel,
dat, als de Franschen nog iets overgelaten hadden, de eerlijkheid van
den bankier toch niet bestand zou geweest zijn tegen de verzoeking,
dat geld, als het zijne te gebruiken. En als hij dat gedaan had, dan
viel er nog niets aan te doen; want hij had zelfs geen enkel bewijs,
dat de bankier zijn schat in bewaring had.
Toch ging hij er heen, en toen hij in de binnenkamer van den bankier
gekomen was, riep hij op een luchtigen toon, die zooveel zeggen wilde,
als dat hij zich over zijn verlies heengezet had: "Nu ik hier tòch in
Frankfort ben, Mijnheer, is het natuurlijk, dat ik even bij u aankom,
hoewel ik reeds vooraf weet, dat ik toch voor niemendal kom. Hebben
de schelmen alles mee genomen?"
"Geen thaler, Uwe Doorluchtigheid," was het kalme antwoord.
"Wat zegt gij daar?" riep de Vorst. "En in alle couranten stond dat
de Sans-culotten alle kasten en kisten bij u opengebroken en u tot
bedelaar gemaakt hadden!"
"Dat hebben ze ook gedaan, Uwe Doorluchtigheid! Maar ik was dezen
lieden toch nog te slim af. Ik liet hen mijn klein kapitaal stelen
om uw groot te bewaren. Zoo ik ook mijn bezittingen verborgen had,
zouden de roovers vast overal aan het zoeken gegaan zijn en zeker alles
gevonden hebben. Het waren slimme knapen, die Sans-culotten. Enkelen
mijner kennissen en buren hadden alles geborgen, en als die uitgeslapen
schelmen in een groot huis kwamen en niets van waarde vonden, begrepen
zij wel, dat men hen trachtte te misleiden. En hoe legden ze het aan
om de verborgen schatten te vinden? Ze stortten emmers vol water over
de gemetselde vloeren en in de tuinen, en de plaats, waar het water
het eerst in de grond zonk, werd dadelijk opgegraven; want dit was hun
een teeken, dat de grond pas opgedolven, of het metselwerk pas gelegd
was. Ik had, zooals ik uwe Doorluchtigheid reeds gezegd heb, niets van
datgene, wat het mijne was, verborgen. Ze namen dus ook alles mee en
toen ze vertrokken waren, was er geen penning van mijne bezittingen
overgebleven. Toen Frankfort geplunderd was, trokken de roovers af om
elders op dezelfde wijze te werk te gaan. Had ik nu maar geld gehad,
dan zou ik goede zaken gemaakt hebben; want de kooplieden waren om
geld verlegen en boden een hoogen intrest. Maar, ik had geen geld!
Eens echter, dat ik in den tuin liep en mijn gedachten over alles
gaan liet, kwam ik ook in den hoek waar uw schat verborgen lag.
"Als ik dit geld eens gebruikte!" dacht ik.
"Het is het uwe niet! Ge hebt er geen beschikking over!" zei mijn
geweten.
Ik ging naar huis en ontvlood de gevaarlijke plek; maar dat hielp
niet veel, want dag en nacht waren die schatten in mijn gedachten.
Eindelijk werd de verleiding mij te sterk. Ik groef alles op, borg
uw edelgesteenten en gouden sieraden in een ijzeren doos en gebruikte
het losse geld om mijn handel voort te zetten.
Ik was meer dan gelukkig en thans ben ik instaat u niet alleen uw
geld, maar ook vijf percent intrest te geven van den dag af, dat ik
uw geld gebruikt heb!"
"Hartelijk dank, mijn goede vriend," antwoordde de Vorst, "voor de
groote zorg aan mijn geld en mijn kostbaarheden bewezen. Wat den
intrest betreft, dien gij mij geven wilt, houd dien en beschouw hem,
als een vergoeding voor hetgeen de Sans-culotten u ontroofd hebben!"
De oogen van den eerlijken Israëliet glinsterden van vreugd, doch eer
hij hiervoor zijn Vorstelijken geldschieter bedanken kon, vervolgde
deze: "En wat het kapitaal betreft, dat ge zoo uitmuntend beheerd hebt,
ik kan het aan geen betere handen toevertrouwen. Houd het gedurende
twintig jaar tegen een intrest van twee percent onder u! Ik vertrouw,
dat ik er mij niet over beklagen zal, en dat de gelden u tot voordeel
zullen zijn!"
Een eenvoudige schuldbekentenis, dat de bankier dat kapitaal van hem
in gebruik had, was den Vorst voldoende, en toen hij dit in handen had,
vertrok hij.
Gedurende de vergaderingen van de Congres-leden te Weenen in 1814
deed de erkentelijke Vorst alle mogelijke pogingen om te bewerken,
dat de Mogendheden, indien ze een leening wilden sluiten, de voorkeur
zouden geven aan den "eerlijken jood van Frankfort a|d Main".--En
die pogingen werden met een gunstigen uitslag bekroond.
Van dien tijd af steeg het aanzien van den Israëliet dermate, dat hij
weldra de eerste bankier van heel Europa werd. Zonder hem sloot geen
Staat een geldleening.
En zijn naam?
Zijn naam was Mozes Rothschild, en hij was de Stamvader van de Heeren
Rothschild, die thans nog in Weenen, Parijs, Frankfort en Londen leven,
en die met recht den titel van "Geldvorsten" mogen dragen.
Lang niet altijd wordt eerlijkheid zóó beloond; maar toch kan ik u,
mijn jonge vriendjes, gerust den raad geven: "Weest altijd even
eerlijk, als de oude Mozes Rothschild!"