HANS LEEGBEURS EN ZIJN EZELTJE.

Landgraaf Lodewijk IV van Thüringen was een vorst, zooals er geen

twee op de honderd gevonden worden. Hij kon vechten als een kemphaan,

en er was nog nimmer een steekspel gegeven waar hij bij was, of hij

wierp alle Ridders uit den zadel en bleef alleen zitten, even als de

kater van Richard Wittington, welke bij den Koning van het onbekende

eiland schoon schip gemaakt had, door binnen het half uur een paar

honderd, misschien wel een paar duizend, muizen opgegeten of op de

vlucht gejaagd te hebben. Rechtvaardig was hij ook, en wie er ook

wat door de vingers zien kon, hij niet. "Wie wat verdient, moet wat

hebben," was hij gewoon te zeggen, en daar iedereen in Thüringerland

dat wist, zorgde men wel geen streken uit te halen. Maar hij was ook

goedhartig, want als hij uitging, had hij altijd de zakken vol klein

geld zitten om dat links en rechts uit te deelen. En dan, hij kon

zoo alleraardigst met de mindere lui omspringen, dat het een lieve

lust was om te zien. Hiervan wil ik u een voorbeeld verhalen.

Eens was het kermis te Eisenach, bij welke stad de Vorstelijke

burcht lag.

"Weet je wat," dacht de Graaf, "ik ga er eens even kijken, wat daar

in de stad zoo al te zien is!"

Hij trok zijn Landgrafelijk pak aan, zette zich op een Landgrafelijk

paard, reed op een Landgrafelijke, dat is zeer deftige wijze naar de

stad, en ieder, die hem voorbijkwam gaf hij een Landgrafelijken groet,

waarmede de luiden zoo in hun schik waren, alsof ze een beurs met

geld gekregen hadden, waarvoor ze wel niemendal koopen konden, maar

dat meer dan voldoende was, om er een vroolijk gezicht voor te krijgen.

Zoodra hij de poort binnenreed, vloog het gerucht van zijn komst nog

veel sneller naar de marktplaats, dan zijn paard er hem heenbracht.

Als ge nu meent, dat er in dien tijd op dezelfde wijze kermis gehouden

werd, als tegenwoordig, dan vergist gij u zeer. Die Lodewijk, weet ge,

regeerde in het hartje der Middeleeuwen, en toen waren de kermissen

slechts groote jaarmarkten, waarop men van rondreizende kramers van

alles en nog wat koopen kon.

Wel waren er goochelaars en kunstenmakers, wel kon men allerlei vreemde

dingen te zien krijgen; maar spellen en draaimolens waren nog niet

bekend, en alleen de kramen vulden de marktplaats, en alle hoekjes,

waar een plekje open was.

Op een der minst bezochte plaatsen stond ook een nederige kramer in

kinder-speelgoed. Den naam van dien man ben ik niet te weten kunnen

komen, en daarom zal ik hem maar Hans Leegbeurs noemen. Veel was er in

zijn kraam niet te zien, en de eenigen, die nog eens kwamen kijken,

waren jongens en meisjes, die al hun kermisgeld reeds aan pepernoten

uitgegeven hadden. Bij Hans Leegbeurs hadden ze het gezicht voor

niemendal, en dat is voor een kind, dat geen cent op zak heeft,

ook nog al wat waard.

Opeens evenwel kwam er onder de uitgespannen zeilen een hoofd kijken,

en toen dat hoofd door het overige gedeelte van het lichaam gevolgd

werd, herkende onze Hans in den bezoeker, den Landgraaf in eigen

persoon.

Nu was het goed, dat Hans geen palen geslikt had en hij zich nog

buigen kon; want dat kwam nu goed te pas.

"Uw alleronderdanigste, gehoorzaamste en nederigste dienaar, Uw

allergenadigste Heer Graaf," sprak Hans met een diepe buiging, die

zijn neus in aanraking bracht met een stokpaard.

"Wat hebt gij daar in uw kraam zooal te koop, vriendschap?" vroeg

Lodewijk.

Weer maakte Hans een diepe buiging en antwoordde: "Ik verkoop

allergenadigste Landgraven, Heer Trommel!"

De man versprak zich en wilde na het maken van een allerdiepste

buiging zijn antwoord verbeteren, doch de Landgraaf viel hem in de

rede en vroeg: "En maakt gij hiermee nogal goede zaken?"

"Neen, allerdoorluchtigste, allergenadigste Heer Graaf! Ik heb maar

heel weinig te doen!"

"En hoe komt dat, vriend?"

"Och, allergenadigste Heer Graaf, dat komt, omdat mijn boeltje zoo

weinig waard is, en ik heb geen geld genoeg om iets meer of iets

beters te koopen! Anders..."

Hier zweeg Hans, haalde zijn neusdoek uit den zak, maakte andermaal

een buiging en begon zich het angstzweet van het voorhoofd te wisschen.

"Wat wilde je nog meer zeggen?" vroeg de Landgraaf.

"Och, allergenadigste, doorluchtige Heer, ik wilde zeggen, dat het

mij alleen aan geld ontbreekt om goede zaken te maken. Ik ben een

koopman in mijn hart en geboren om verstandig te handelen!"

"Ei! Maar voor hoeveel waarde heb-je hier wel in je kraam? Zeg me

dat zoo ongeveer!"

Hans keek zijn uitstalling eens rond, telde op zijn vingers en

zei eindelijk: "Er is juist voor zes schellingen aan koopwaar,

allergenadigste, doorluchtige Heer!"

De Landgraaf tastte in zijn zak en haalde er zes schellingen uit.

"Hier, kameraad," zei hij, "ik wil met je samen handel doen. Ons

bedrijf-kapitaal is nu twaalf schellingen groot. Handel er mee zoo

goed je kunt. Over een jaar kom je bij mij op den Wartburg. Heb-je

gewonnen, dan deelen wij de winst! Heb-je verloren, welnu, dan is

het nog zoo erg niet. In dat geval wil ik niets van je hebben. En,

opdat je gemakkelijker overal in mijn gebied zou kunnen komen, zal

ik je een vrijgeleide doen bezorgen! Vind-je dat goed?"

"Of ik het goedvind, allergenadigste Heer? Wie zou dat niet

goedvinden?"

"Nu, zeg dan maar hoe je heet, dan zal ik mijn klerk een vrijgeleide

laten schrijven!"

"Ik heet Hans Leegbeurs, allergenadigste Heer!"

"Best! Eer het avond is, zal je een vrijgeleide hebben. Tot vandaag

over een jaar dus! Dag, Hans!"

Met tranen van blijdschap zag Hans den goedgeefschen Landgraaf

achterna, en hij zwoer bij al zijn trommels, stokpaardjes,

vingerhoeden, kortom bij alles wat te zamen zes schellingen waard

was, dat hij eerlijk en trouw zou handelen, zooals dat een goed

koopman betaamt.

Eer het avond was had Hans zijn vrijgeleide, en den volgenden morgen

verliet hij in de vroegte de stad Eisenach, alwaar, zoo hij terecht

meende, zijn geluk begonnen was.

Met behulp van des Graven vrijgeleide en de zes schellingen baar geld,

maakte Hans voortreffelijke zaken, en toen het jaar om was, kwam hij

op den Wartburg aan, om rekening en verantwoording te doen.

Nu zult gij allen zeker denken, dat de Landgraaf onzen Hans alles

schonk, is het niet? Maar dan bedriegt ge u! Neen, Graaf Lodewijk stak

de helft van de winst in den zak en zei: "Nu, tot vandaag over een

jaar! Maak maar weer zulke goede zaken, als in het afgeloopen jaar!"

Hans, die op zijn reizen heel dikwijls op de kasteelen en burchten van

de Edelen des lands geweest was, had ook geleerd sierlijke buigingen

te maken. Hij stak zijn linkerbeen naar achter en zijn rechterarm

naar voren en zei: "Uw allergenadigste Doorluchtigheid zal zien,

dat zij niet te vergeefs den armen Hans Leegbeurs geld gegeven heeft!"

En andermaal ging Hans op reis, en deed zelfs zoo nu en dan wel eens

een paar stapjes buiten Thüringerland, met dat gevolg, dat hij, toen

het tweede jaar om was, bijna onder het gewicht van zijn mars bezweek.

Graaf Lodewijk nam weer heel verheugd zijn aandeel in de winst aan,

en vond het goed, dat Hans een ezeltje kocht om de vracht te dragen.

Eenmaal in het bezit van een ezel zijnde, deed Hans reizen om er van

te schrikken. Hij kwam zelfs te Venetië, en wist daar; door ruilen

en koopen, prachtige en zeldzame voorwerpen machtig te worden.

Thans had hij een mars, als de beste marskramer uit het geheele

Thüringerwald, en besloot hij de terugreis naar zijn Vaderland te

ondernemen.

Onderweg evenwel vernam hij, dat op St. Cecilia, te Würzburg, een

groote mis gehouden werd.

"Weet je wat," zoo sprak hij tot zijn ezeltje, "weet je wat,

grauwtje! Wij gaan naar Würzburg, om op de mis te zijn. Dat kunnen

we juist zoo tusschen neus en ooren meenemen!"

"I-a,--i-a!" balkte de ezel en Hans geloofde, dat hij "ja" zei.

Hierop veranderde hij zijn reisplan en juist één dag vóór de beroemde

mis, kreeg Hans de vele torens der bekende stad in het oog. Hij sprong

van blijdschap van den grond, klopte grauwtje op den rug en riep:

"Als we eenmaal deze torens uit het gezicht verliezen, broertje,

dan zal je pakje heel wat lichter geworden zijn!"--

"I-a,--i-a,--i-a,--i-a,"--balkte langoor zoo hard, dat al de

wijngaardeniers, die daar in den omtrek in de wijngaarden aan het

werk waren, van schrik hun arbeid staakten.

In de stad aangekomen, huurde Hans de mooiste en beste plek, die op

de markt te vinden was, en niet één kraam was er, waarin zooveel

omging, als in de zijne. De rijkste heeren en vrouwen kwamen bij

hem koopen, en, keken ze ook al een weinig op den neus, als Hans de

prijzen zijner koopwaar noemde, ze eindigden toch meest altijd met

te betalen, wat hij vroeg.

Onder de lieden, die zich om Hans' kraam verdrongen om te koopen of

om te zien, waren ook eenige Fransche Ridders, die bij den Bisschop

van Würzburg in dienst waren.

Die mannen zagen er in hunne prachtige kleederen uit als Koningen;

maar als ze in dezen tijd geleefd hadden, dan zouden de straatjongens

hen zeker nagejouwd hebben:

"Schrale heeren,

Lange pijpen,

Diepe zakken,

Niets te grijpen!"

Maar in dien tijd waren er nog geen lange pijpen, zoodat ze dit al

vast niet roepen konden, en, of ze inderdaad wat anders geroepen

hebben, dat betwijfel ik; want die Heeren Ridders zouden die lui het

uitjouwen wel verleerd hebben.

"Hoeveel kost deze ring, koopman?" vroeg een.

"Twaalf schellingen, Edele Heer!"

"En wat vraag je voor dit kettinkje?" vroeg de tweede.

"Echt goud, Edele Heer! In Venetië gekocht voor veertien

schellingen! Ik wil u het voor zestien laten!"

"En wat moet ik voor dat spiegeltje geven, zeg?" vroeg weer een derde.

"Als je er mij acht schellingen voor geeft, Edele Heer, dan kan u

het meenemen!"

Toen kwam er een vierde, een vijfde, een zesde, ja, zelfs een

twaalfde. De een vroeg naar dit, de ander naar dat, doch geen van

de lui kocht wat. En daar ze te trotsch waren om te bekennen, dat

ze geen rooden duit opzak hadden, hielden ze zich groot, en zeiden:

"We zullen er eens over denken, koopman!"

Hans vond dat de Heeren wel wat veel tijd noodig hadden om zich te

bedenken; want toen de mis afgeloopen was, en hij reeds alles weer

ingepakt had, waren de Ridders nog niet tot een besluit gekomen,

althans, ze hadden zich nog niet vertoond.

"Nu," bromde Hans, "wat die Heeren niet wilden koopen, zal ik naderhand

wel kwijt raken. Ik heb toch goede zaken gedaan, en als de Genadige

Heer Graaf zijn winst ziet, dan zal hij ook niet weten wat hem

overkomt!" En zich hierop tot zijn ezeltje wendende, vervolgde hij:

"En jij, Grauwtje, je zult ook wel kunnen voelen, dat de vracht minder

is, nietwaar?"

"I-a,--i-a,--i-a!" klonk het antwoord.

Hans kocht voor zijn vierbeenigen vriend een roggebroodje meer dan

gewoonlijk, en toen de ezel dat ophad, aanvaardde Hans den terugtocht.

Vroolijk fluitend liep hij naast zijn ezeltje voort, doch zie, toen

hij een heel eind van de stad verwijderd was, werd hij opeens door

twaalf Fransche Ridders overvallen.

Ze bezetten met hun paarden den weg, en een riep: "Geef den ring,

waarnaar ik gevraagd heb, vent!"

"Voor twaalf schellingen, Edele Heer!" sprak Hans bevend, maar vast

besloten.

"Twaalf stokslagen, lummel!" was het antwoord.

Nauwelijks had de een om den ring gevraagd, of de anderen kwamen

ook en eischten van Hans, dat hij hun op staanden voet geven zou,

waarnaar zij op de jaarmarkt gevraagd hadden.

Hans zag wel in, dat hij in den val was, doch gelukkig herinnerde hij

zich, dat hij nog altijd het geel geworden perkamenten vrijgeleide

van Graaf Lodewijk onder zijn wambuis droeg. Hij haalde het te

voorschijn en zei: "Ik geloof, dat de Edele Heeren niet veel goeds

in den zin hebben; maar ik waarschuw hen. Hier is mijn vrijgeleide

van den allergenadigsten, doorluchtigen Heer Landgraaf Lodewijk IV

van Thüringerland!"

"Papperlepap," schreeuwde de een, die den ring wilde hebben, "wij

hebben met jouw Landgraaf niets uitstaan!"

"Dat heer kan van onzentwege naar Lapland gaan om sneeuwschoenen te

bestellen!" riep een ander.

Een derde reed vooruit, rukte Hans het vrijgeleide uit de hand,

scheurde het in stukken en gaf onzen Hans zulk een klap met de hand,

die in een ijzeren handschoen stak, dat de arme marskramer bewusteloos

op den grond tuimelde. Toen hij tot zichzelven kwam, was hij zijn mars,

zijn ezel, zijn geldbuidel, ja, alles kwijt!

De arme man! Zoo gezwoegd en gesjouwd te hebben en dan zóó te haring

moeten varen! Het was wat te zeggen!

Met builen, bulten en schrammen bedekt, doch zonder één stuk geld

opzak, kwam Hans voor den Landgraaf en vertelde dezen zijn wedervaren.

"Welnu," riep Lodewijk lachend, "dat is niemendal, vriend!" en

verwijderde zich.

"Dat is niemendal," bromde Hans ontevreden. "Ja, dat kan hij

gemakkelijk zeggen! Hij heeft nog meer schellingen! Maar ik, arme

drommel, wat heb ik? Niets! Het is om uit zijn vel te springen van

kwaadheid! Die leelijke, kale meneeren! Die..."

Maar stil, wat is dat?

Hoor eens welk een leven daar op het voorplein van den Wartburg!

Hoor, de trompet wordt gestoken!

Wapengekletter en krijgsrumoer van alle kanten!

Wat zou er te doen zijn?

Daar treed de Landgraaf weer binnen, maar van top tot teen in het

ijzer.

"Ik heb een bode naar den Bisschop van Würzburg gezonden, Hans

Leegbeurs! Ze zullen ons den ezel en al het gestolene dubbel

teruggeven, of wij halen het aan waarde meer dan honderdmaal terug,"

sprak de Graaf.

Men wachtte een paar dagen; maar wat er kwam, geen antwoord.

Intusschen had Graaf Lodewijk al zijn vazallen te wapen geroepen, en

toen het antwoord wegbleef, trok hij op om het gebied van den Bisschop

van Würzburg te plunderen en te vuur en te zwaard te verwoesten. Hans

Leegbeurs moest mede.

Toen de Bisschop dit ter ooren kwam, zond hij een bode af naar het

leger van den Landgraaf, om te vragen waarom zijn land zoo verwoest

werd.

Graaf Lodewijk was inmiddels reeds Würzburg genaderd toen de bode

bij hem kwam.

"Wat moet gij?" vroeg de Graaf kortaf, want hij was, zooals we reeds

zeiden, zeer dapper en dus niet bang om iemand brutaal te woord

te staan.

"Gij hebt de groeten van Zijne Hoogwaardigheid!"

"Dank u wel! Houd die groeten maar voor u! Zeg maar wat gij komt doen?"

"Zijne Hoogwaardigheid vraagt waarom ge den vrede verstoort,

en moordende, plunderende en brandende in zijn gebied gevallen

zijt?" vroeg de bode.

"Zijne Hoogwaardigheid vraagt naar den bekenden weg!" antwoordde

Lodewijk. "Maar als hij het soms vergeten is, dan wil ik het hem nog

wel eens zeggen. Ik wil mijn ezel terug, en niet alleen mijn ezel,

maar ook al het geld, dat Hans Leegbeurs bij zich had. En als ik

dat over uiterlijk drie uren niet dubbel terug heb, ik bezweer u,

dan blijft er van Würzburg niet één steen op den ander! Zeg dat aan

uw meester! Gij kunt gaan!"

De bode vertrok en in gespannen verwachting bleven de belegeraars

waar zij waren, en zagen uit of de poort niet geopend werd; en de

een of ander niet met het grauwtje aankwam.

Reeds waren er twee volle uren verloopen en nog was niets te zien.

Hier en daar begonnen al toebereidselen gemaakt te worden om storm

te loopen.

Op het onverwachts evenwel ging één der poorten open, en een geheele

schaar Geestelijken en Ridders, met het ezeltje in hun midden, trad

er uit te voorschijn.

Zoodra de stoet genaderd was, sprak de baas van het troepje: "Zijne

Hoogwaardigheid, de Bisschop van Würzburg betreurt het zeer dat uit een

klein misverstand van beide zijden, zulk een bloedige krijg ontstaan

is. Met den meesten spoed heeft hij aan het verlangen van den edelen

Graaf van Thüringerland voldaan! Hij wenscht niets liever dan met hem,

als met een goed broeder en een trouw vriend en bondgenoot te leven!"

Uit Ouden Tijd · 第 17 / 18 题