De lieve Meimaand van het jaar 1619 had, behalve bloemen en groen,
ook nog meer gebracht, namelijk, ontroering in den lande.
Op den 13den dag dezer maand toch was te 's-Gravenhage een grijsaard
onthoofd geworden. Hij was toen bijna 72 jaren oud en had, volgens
zijn eigen zeggen, gedurende veertig jaren het land eerlijk en trouw
gediend.
Die man was Johan van Oldenbarnevelt.
Veel is er ten nadeele van dezen Staatsman aangevoerd geworden,
doch ook veel is er gezegd, dat voor zijn onschuld pleit.
Reeds tweehonderd negen en zeventig jaren zijn na zijn terechtstelling
verloopen, en nog is men het er niet algemeen over eens, of hij
schuldig was of niet.
En als men er nu nog over twist, hoeveel te meer zal men het dan
gedaan hebben kort na zijn dood!
Hierover bekommerden echter de jongens zich niet, die we eenige
dagen na het voorgevallene in 's-Gravenhage, te Leiden, dicht bij de
Hoogewoerds-poort ontmoeten.
Er zijn er vijf. Het zijn jongens uit den nijveren middelstand van
Leidens burgerij.
Met gejaagde blikken zien ze telkens de Hoogewoerd op. Ze schijnen
iemand te wachten.
"Zou hij ons gefopt hebben?" vraagt een gezonde jongen van omstreeks
twaalf jaren, die Cornelis Gerrits heette aan Matthijs, zoon van
Hendrik Matthijsen, den tapper.
"Dan verdient hij toch zulk een pak slaag, als er nog nooit ofte
nimmer een Leidsche jongen een gehad heeft! Wat zeg jij er van?" is
het antwoord, en met dien jij bedoelt Matthijs den grootsten der vijf.
Deze heette Jasper Cornelissen en was de zoon van een welgesteld
broodbakker in de Lange Coppenijnsteeg.
"Ik weet het niet!" bromt deze.
"Hoort hem, hij weet het niet! Wat een leugenaar! Neen, Jasper
Cornelissen heeft gisteren morgen geen kleurpoppekens van hem gekregen,
omdat hij die moeielijke multiplicatie voor hem gemaakt heeft!"
Hij, die dat zegt, is Jan Willemsz. de twaalfjarige zoon van een
schoenmaker. De guit kijkt hem de oogen uit, en Jasper op den
schouder kloppend, herhaalt hij spottend nog eens: "Neen, hij weet
het niet! Och, arme!"
Jasper, die er heusch niet meer van schijnt te weten dan zijn andere
makkers, wordt kwaad, en vraagt aan Cornelis Claesz., wiens Vader een
koopman of comen is: "Zeg, wandelend suikervat, jij zit op school
ook naast hem, en jij weet het zoo goed als ik: Heeft Rembrand ons
wat gezegd?"
"Daar komt hij! Daar komt hij!" roept thans Jan Willemsz. "Jongens,
ziet hem eens loopen! Het is alsof hij een pak slaag denkt te krijgen,
omdat hij zoo laat komt!"
Na dit gezegd te hebben snelt Jan zijn vriend te gemoet en de andere
jongens volgen hem.
"Wat laat, jongens; wat laat; maar ik kan het niet helpen! Ik moest
nog bij Vader in den moutmolen zijn!"
"En mogen we?" vraagt Jasper.
"Ja, tot van avond zes uur! Een kansje, hé!" zegt Rembrand en
wrijft zich vergenoegd in de handen. De andere jongens schijnen
hun ontevredenheid geheel afgelegd te hebben en hollen thans zeer
opgewonden de Hoogewoerds-poort uit.
"Hoe ver is het loopen, Rembrand?" vraagt Cornelis Gerrits.
"Van hier naar Zoeterwoude of van de Weddesteeg?"
"Wel, van hier!"
"Stijf een half uur! Maar als we goed aanloopen, kunnen wij het wel
in vijf minuten minder!"
"Heb jij de strafvragen uit den catechismus al geleerd, Rem?" vraagt
Jasper.
"Ha, ha, die heb ik niet te leeren! Ik ken al de vragen en antwoorden
op mijn duimpje! Maar weet je wel een van allen, waarom Meester
Brandius mij strafwerk gegeven heeft?"
"Welja, voor je babbelen en spelen," zegt Cornelis Claesz.
"Ei, dat denken ze allen; maar ik weet het beter. Heb-je den Meester
al eens gezien, als hij des morgens pas op is en den nachtrok nog
aan heeft?"
"Neen, jij wel?" vraagt Claesz.
"o, Zoo vaak! Zijn tuin komt juist achter ons pakhuis uit, en omdat
ik hem zoo dikwijls en zoo goed gezien heb, heb ik hem op Vaders molen
uitgeteekend op een stukske papier. Toen dat klaar was, schreef ik er
onder: "Dat is nu dat conterfeitsel van Meester Brommius!" ik rolde
het op en smeet het in den tuin!"
"Maar dan weet hij toch niet wie dat gedaan heeft!" zegt Jan
Willemsz. "Je hebt immers nog meer broers en zusters?"
"Of ik! Ik heb nog zes broers en zusters, maar de letterkens, die
ik zet...."
"Ha, ha, zijn mooi schrift heeft hem verklikt! Waarom schrijf je ook
zoo slecht?" roept Jasper.
"Ik kan die schrijfkunst niet leeren, omdat...."
"Omdat je liever poppekens teekent, hé?" spot Matthijs. "Maar stil,
wie loopt daar voor ons uit? Is dat niet Jakob Isaaksz. van Swanenburg,
de kladschilder?"
"Zeg dat nog eens als je durft," zegt Rembrand en plaatst zich met
gebalde vuisten voor Matthijs.
"Wat zeggen?" vraagt deze onnoozel.
"Dat Swanenburg een kladschilder is!"
"Brrr, wat een bombarie voor zulk een kleinigheid! Mijnentwege is
hij Koning van de heele schildersbent! Kladschilders zoowel als
Meesters! Wat geef ik er om?"
"Ja, jongens, die Swanenburg is Koning der Leidsche schildersbent
en aan hem heeft Rembrand te danken, dat hij nu al voor Meester
Brommius den heelen catechismus uit het hoofd heeft moeten
leeren! Die Swanenburg leert onzen Rem met verf morsen en poppekens
teekenen!" roept Jan Willemsz. En op Rembrand afgaande, vraagt hij
hem lachend: "Is het zoo niet, Rem?"
"Jij kalt als oude, Katwijksche vischvrouwen!" is het antwoord. "Vader
wil een geleerde van mij maken en daarom stuurt hij mij ter schole bij
dien Brommius om Latijn te leeren! Bijlo, een kostelijke broodwinning,
ja, een geleerde! Bah, die mannen worden niet beroemd en lijden
honger!"
"Maar wat wil jij dan worden?" vraagt Cornelis Claesz.
"Ik? Ik wil en ik zal schilder worden, al ging Vaders moutmolen op
den kop staan!"
"Ja, ja, Rem is de Kroonprins der Leidsche schildersbent! Leve de
Kroonprins!" roepen thans de anderen en loopen lachende, joelende
en spelende den ouden Swanenburg voorbij, om in den speeltuin van
Rembrands Vader den middag zoo prettig mogelijk door te brengen.
"Wat die jonge borsten te Zoeterwoude zullen aanvangen?" mompelt
Swanenburg, en het hoofd schuddende, zegt hij: "Ik dacht, dat er
in dien Rembrand een schilder stak, maar, eilaci, daar komt uit
dien knaap geen schilder of geen geleerde. Wild en woest is hij en
als het op guitenstreken aankomt, dan is hij nummer één van alle
straatbengels. Een beetje vroolijk en los, nu, dat kan er bij een
schilder nog door, maar zooals hij... Neen, neen, er komt geen stuk
van hem te recht. Ik zie hem nog als oorlogsmatroos naar zee gaan!"
Zoodra de zes makkers in den speeltuin te Zoeterwoude aangekomen
waren, begonnen ze weer eens te bespreken, wat ze nu eigenlijk daar
buiten spelen zouden, en na veel over- en weerpraten werd er besloten,
dat men verstoppertje of wegkruipertje zou spelen.
Rembrand zelf zou aftellen wie de zoeker zijn zou en begon aldus:
Dau-dau-deeren kwam ik tegen
Op Sint Joris bruggetje,
Met den pappot op haar ruggetje,
Met den potlepel in haar hand;
Zoo kwam Dau-dau-deeren in 't land.
Op hemzelf viel het woordje "land", zoodat hij de zoeker zijn moest.
Er was in den speeltuin ruimte genoeg, en er waren kostelijke plaatsjes
om weg te kruipen.
Op den Leidschen weg kwam een wagen stapvoets aanrijden en zoodra deze
voor het huis was, zou Rembrand beginnen met zoeken. Doodbedaard ging
hij voor het huis op een bank zitten wachten, tot de wagen er zijn
zou. Hij had een stokje in de hand en wroette hiermede in den mullen
grond. Eensklaps viel zijn oog op een stuk houtskool en, daar de wagen
maar langzaam vorderde, nam hij de kool op en begon op den witten
muur te teekenen. Wat teekende hij? Hoe lang was hij er wel mede bezig?
De wagen was misschien al lang en breed in Leiden en nog zaten de
vijf jongens te wachten om gevonden te worden.
Ze hadden er nu wel pret in gehad, dat ze wegkruipen mochten, maar
om nu zóólang te blijven zitten, neen, dat beviel toch niet!
Jasper Cornelissen was de eerste, die het in zijn schuilplaats zoo
begon te vervelen, dat hij het waagde voor den dag te komen.
En geen wonder, waarlijk! Misschien meer dan een uur had hij in een
laag kippenhok gezeten, en had hij zichzelven zooveel geweld moeten
aandoen om er in te kunnen, dat hij zoo stijf was, als een hout,
toen hij er uittrad.
Zijn eerste gang was naar den stapel met takkenbossen. Jan Willemsz.,
een eerste klimmersbaas, had daar een schuilplaats gezocht.
"Psst, Jan, ik ben het, Jasper Cornelissen!"
"Ja, roep maar," dacht Jan, "ik zal wel zorgen, dat ik niet voor den
dag kom!"
Een oogenblik stilte.
"Psst!--psst!"
"Welzeker, Rem, ik zal voor den dag komen, dat kan je begrijpen,"
fluisterde hij daar boven op het hout.
"Psst, Jan, ik ben het, Jasper Cornelissen!"
Ja, nu hoorde hij daar in de hoogte toch, dat het Rembrand niet was,
en wat naar den voorkant kruipende, zoodat zijn voorhoofd over den
rand kwam, zei hij: "Hebben ze je ook niet kunnen vinden, zeg?"
"Ik weet het niet," antwoordde Jasper, "maar ik heb hem zelfs niet
gehoord of gezien. Mag ik daarboven bij je komen? Dat is wel zoo
gezellig!"
"Welja, waarom niet? Jongen, men zit hier zoo kostelijk, en in het
midden is een holte, als in een vogelnest, zoodat niemand ons van
beneden zien kan!"
Nu Jasper zoo langs de uitgestrekte takken naar boven klauterde,
kwamen Cornelis Claesz. en Matthijs ook aan.
"Met ons vieren kunnen we er niet op," riep Jan.
"We spelen geen wegkruipertje meer! Ik wed, dat Rembrand en Cornelis
Gerrits aan het knikkeren gegaan zijn. Komt ook maar naar beneden,
dan gaan we samen naar huis!" zei Matthijs. De beide jongens daalden
af en besloten stilletjes het hek uit te gaan, zonder dat die twee
"valsche" jongens, zooals ze Cornelis Gerrits en Rembrand noemden,
hen zien konden.
"Waar ga-je heen?" riep eensklaps Cornelis Gerrits.
De vier knapen stonden, stil en zagen rond.
"Dat is Cornelis, die ons roept!" zei Jasper. "Cornelis, waar zit je
dan toch? Kom voor den dag!"
"Hier onder dit biervat! De knecht heeft mij er onder geholpen! Ja,
ja, ik wist wel een plaatsje, waar ze me niet zouden vinden!"
"Jawel, maar Rembrand heeft ons ook niet gevonden!" hernam Jasper,
"En waarom ga je dan heen?"
"Wel, omdat hij ons maar laat zitten. Wie weet waar hij is! Een mooi
kompeer!" bromde Jan.
Thans besloten ze alle vijf stilletjes heen te gaan; maar toen ze den
hoek omdraaiden, zagen ze eenige mannen en vrouwen uit de stad met
alle aandacht naar iets staan kijken. Swanenburg was er ook bij. Hij
beduidde den jongens door wenken, dat ze zich stil moesten houden en
wees te gelijker tijd op Rembrand, die met de houtskool nog altijd
bezig was met teekenen.
Geen van Rembrands kameraden had echter iets met die menschen te
maken, doch wel met den kleinen teekenaar, die hen alle vijf zoo
leelijk had beet gehad.
"Jij bent ook een lieve jongen," riep Jasper.
"Stil, jongens, stil! Ik moet den arm van den beul nog wat
veranderen!" antwoordde Rembrand en wilde voortgaan. Toevallig keek
hij echter om en zag al die menschen staan.
"Wel, Rembrand, jongen, wat heb je daar geteekend?" vroeg Swanenburg.
"De onthoofding van Oldenbarnevelt, Meester!"
"En wie zijn al die menschen, die daar bij staan?"
"Die daar op dat paard is Zijne Excellentie Prins Maurits, dat is
Prins Frederik en dat is Dominus Bogerman, Meester!"
"Maar, jongen, die Heeren waren er niet bij tegenwoordig! Ik zelf
heb alles gezien, en...."
"Van wien heb je leeren teekenen, manneke?" vroeg een der andere
Heeren.
Het was Coenraed Schilperoort, die dat vroeg, en die met zijn vriend
Arnoudt Elsevier, evenals hij een tamelijk bekend schilder, het werk
van den jongen teekenaar met bewondering gadegeslagen had.
"Van niemand, Sinjeur!" antwoordde Rembrand, die geen der beide
Heeren kende.
"Zoo van niemand! Hoe is je naam?"
"Ik heet Rembrand Hermansz. van Rijn, Sinjeur!"
"Van Rijn? Van Rijn! Is je Vader de moutmolenaar uit de Weddesteeg?"
"Ja, Sinjeur, daar ben ik geboren en daar wonen mijn Ouders ook. Heeft
u een bestelling?"
"En wiens huis ben-je daar nu zoo netjes aan het opknappen?" vroeg
Elsevier.
"Dit is Vaders speeltuin, Heeren, en ik had oorlof om hier met mijn
makkers te spelen!"
"Aardig spelen," bromde Jasper, "Hij laat mij een uur in het kippenhok
en Cornelis Gerrits een uur onder een biervat zitten. Maar wij geven
er de brui van! Ga je mee, jongens? Wat doen wij hier?"
De andere vier volgden hem en lieten Rembrand met de Heeren achter.
Eerst tegen zonsondergang lichtte deze de klink van de bovendeur
van een huis in de Weddesteeg op en trad er binnen om van Harmen van
Rijn een scherpe vermaning op te loopen, welke gewoonlijk eindigde
met de woorden: "Jij zou een kladschilder, een luie taveernelooper,
een toebackdrinker willen worden, he? Maar dat zal nimmer ofte nooit
gebeuren, zoo waar ik Harmen van Rijn heet!"
Drie jaren waren na dit voorval verloopen.
Nog altijd wilde Harmen van Rijn van zijn zoon een geleerde maken. Nog
altijd ging Rembrand ter schole.
Maar wat hij daar deed?
o, Zoo goed als niemendal. Als hij maar een vrij oogenblik had, dan
was hij bij den ouden Swanenburg, die hem leerde teekenen en veel
genoegen in zijn leerling had. Zijn lessen kende hij nooit, doch de
Meester had het al lang opgegeven hem hiervoor te straffen. Het hielp
den goeden man toch niet, tot hij eindelijk besloot den Meester eens
ernstig over Rembrand te onderhouden.
"Nu," zei Harmen ten laatste, "als de borst dan niet leeren wil en
niet leeren zal, dan moet hij maar van het school af en bij mij in
den molen komen! Maar hem schilder doen worden, neen, neen, dat nooit!"
Geen wonder, dat Rembrand dit besluit met heel veel genoegen
vernam. Hij moest op den molen, komen, nu ja, maar wat gaf
dat? Gebeurde het niet vaak, dat zijn Vader en de twee oudere broeders
van Rembrand van de zeven dagen der week door windstilte, geen vier
werkten? Er zou tijd genoeg overblijven om te kunnen teekenen.
Nu, er bleef ook tijd genoeg over, dat bleek weldra; want nog waren
er geen drie maanden verloopen of zijn portefeuille was al vol
teekeningen. De meeste had hij in potlood gemaakt, doch ook enkele
gekleurd.
Eens op een mooien dag in Augustus was Rembrand met zijn
teekengereedschappen den weg naar Woerden op gegaan om daar een mooi
landschapje te vinden, dat hij op papier overbrengen kon.
Hij had reeds meer dan een uur geloopen, toen hij bij de hofstede
Rinenburg kwam en, toen hij zich daar even neerzette om wat uit te
rusten, vond hij, als vanzelf, een allerliefst tafereeltje om na
te teekenen.
Dicht bij hem stond een hooge korenmolen aan den linkeroever van
den Rijn. Op den Rijn zelf voeren eenige tentsnebben, en de paarden,
die tot hiertoe langs deze zijde het trekpad gehouden hadden, moesten
nu in een pont overgezet worden, omdat het trekpad van hier af tot
Leiderdorp aan den linkeroever van den Rijn lag.--Aan dien anderen
oever had men ook het uitgestrekte bosch van Poelgeest, en daar naast
een ruim gezicht op het weiland, dat met vee bezaaid was. Een levendig,
kleurenrijk tafereel was het.
Rembrand had geen schooner landschap kunnen uitdenken om na te
teekenen. Hij opende dan ook terstond zijn portefeuille en zette zich
aan den arbeid.
De zon stak vreeselijk.
Het hinderde onzen Rembrand niet; hij zat onder de schaduw der
hooge iepen.
De weg was kurkdroog en het stof vloog achter de wielen der
boerenwagens op.
Het hinderde Rembrand niet; hij zat aan de zijde van het koeltje,
dat nog eenige verfrissching bracht.
Dikke donderwolken zetten zich onder den wind.
Ze hinderden Rembrand niet, zoolang....
Stil, nu zag hij op!
Een groote wolk verduisterde de zon en het landschap. Nu wist hij
niet recht goed meer waar licht en schaduw vallen moesten. De zon
had het hem aangewezen; maar nu deze achter een wolk wegkroop, wist
hij geen raad. Verdrietig sloeg hij zijn portefeuille toe en wilde
zich verwijderen.
"Komt die wolk ongelegen, jongen?" klonk het eensklaps.
Rembrand zag op en ontdekte een vriendelijk oud heer, die, op een
stok leunend, hem een poos lang had staan aankijken zonder dat hij
er iets van bemerkt had.
"Ja, Sinjeur! ik was zoo mooi op gang en...."
"Ja, kereltje, het is jammer en.... het begint te regenen ook. Moet
je ver loopen?"
"Ik moet naar Leiden, Sinjeur!"
"Wel, dan weet ik wat! Over een paar uren moet ik er ook heen. Je kunt
meerijden! Kom zoolang bij mij op de hoeve; ik woon hier op Rinenburg!"
Rembrand sloeg dat vriendelijk aanbod niet af, en zat weldra in de
ruime binnenkamer van den ouden heer, en terwijl de donder rommelde
en de regen bij plassen neerviel, keerde Rembrand de teekeningen uit
de portefeuille een voor een om en liet ze zijn gastheer zien.
Deze had er weldra een stuk of drie uitgezocht en bij zich gehouden.
"Ben-je al eens in Den Haag geweest, Rembrand?" vroeg de Heer, die
onderzocht had hoe de jonge teekenaar heette.
"Neen, Sinjeur!"
"Dus je weet daar den Kneuterdijk ook niet? Dat spijt me wel
eenigszins!"
Rembrand zette groote oogen op en waagde te vragen: "En waarom spijt
u dat, Sinjeur?"
"Wel, ik heb daar een kennis wonen, die heer veel van teekeningen
en schilderijen houdt, en ik wed, dat je hem deze drie, die ik hier
uitgezocht heb, vast verkoopen kunt!"
"Verkoopen!" Had Vader Harmen hem niet reeds al zoo dikwijls verweten,
dat hij het nooit verder brengen zou dan tot kladschilder, en dat
hij zijn teekeningen toch nooit aan den man zou kunnen brengen?
"Verkoopen!" Rembrands oogen straalden van blijdschap en nauwelijks
had hij dat woord gehoord, of hij zei: "Ik ben nooit in Den Haag
geweest en den Kneuterdijk weet ik niet, Sinjeur, maar met vragen
komt men te Rome, zegt mijn petemeu!"
"Nu, als je denkt dat je den weg vinden kunt, dan wil ik je een
briefken aan dien Heer mede geven. Ik weet zeker, dat hij een of twee
van uwe teekeningen koopen zal! Wacht nog maar even, dan zal ik dat
briefken schrijven. Als ik klaar ben, zal het weder opgehelderd zijn
en we kunnen dan samen naar Leiden rijden!"
Een uur later zat Rembrand met de portefeuille op zijn knie voor
zijn Vader in den moutmolen, en trachtte hem duidelijk te maken,
dat Vader Harmen toch wel eens ongelijk kon hebben met in hem niets
beters dan een kladschilder te zien.
Later kwam Moeder er ook bij, en deze sprak mede in het voordeel
van Rembrand.
"Nu," zei Vader Harmen, "als Moeder je ook al gaat helpen, jongen,
dan moet ik het wel opgeven, je kunt morgen naar Den Haag gaan; maar
dat zeg ik je, als je thuis komt, en je hebt geen van die teekeningen
verkocht, dan is het uit ook! Dan wil ik niet meer hebben, dat je ooit
een teekenstift of een penseel in de hand neemt. Ga nu maar heen. Je
hebt dan nu eens voor vandaag en voor morgen je zin!"
Zoodra Vader gezegd had, dat hij heen kon gaan, begaf hij zich met
zijn portefeuille naar meester Swanenburg, en vertelde dezen wat er
gebeurd was.
Toen de avond viel, ging Rembrand naar huis en het laatste woord
van Swanenburg was: "Nu, jongen, je neemt de heele portefeuille, met
alles wat er in is, mee, hoor! En als je weer thuis bent, dan moet
je toch eens gauw bij mij komen; want ik ben brandend nieuwsgierig
waarop dit alles uitloopen zal!"
Den anderen morgen vroeg al stond Rembrand aangekleed beneden.
Zijn goede Moeder scheen hem evenwel vóór geweest te zijn; want zijn
ontbijt stond al kant en klaar, en naast zijn morgenmaal lag nog een
stapel boterhammen met ham en metworst, van wat ben je me!
Rembrand moest op reis, weet ge! De jongen moest naar Den Haag!
Naar Den Haag! Dat wilde toen haast zooveel zeggen als nu van Rotterdam
naar Zwolle.
En dan, wie weet hoe lang hij wel in die groote plaats zou moeten
zoeken, eer hij den Kneuterdijk gevonden had!
En àls hij dien gevonden had, wie weet; of dan die Mijnheer,--hoe
heette die voorname kunstkenner ook weer?--o ja, van der Velden,
wie weet of die Mijnheer van der Velden dan wel thuis zou zijn,
en als hij thuis was, dan kon het toch nog wel gebeuren, dat hij
Rembrand niet dadelijk te woord wilde staan, of lang zoeken moest,
en daarom had zij gezegd: "Rem, hier heb-je vijf boterhammen met ham
en vijf met metworst! Zou-je wel genoeg hebben, zeg?"
"o, Ja, Moeder!"
"Wil ik er nog vijf met kaas bij doen?"
"Dank je, moeder, dank je! Zoo is het al meer dan genoeg!"
"Zal-je niet te veel geld vragen, Rem? Als je maar een gulden of
tien mede brengt, dan zal Vader best in zijn schik wezen, dat heb ik
wel opgemerkt!"
"Ik zou graag vijfentwintig gulden thuis brengen, Moeder!"
"Jongen, jongen, wat ben-je begeerig! Bedenk, wie het onderste uit
de kan wil hebben, die krijgt soms het deksel op zijn neus!"
"Jawel, Moeder! Maar Swanenburg zei....."
"Swanenburg, Swanenburg kan zooveel zeggen! Hoor naar je Moeder,
jongen, en vraag liever te veel dan te weinig, ik wil zeggen,
vraag liever te weinig dan te veel! Misschien mag je later dan nog
terugkomen! Ik zal er nog maar een paar boterhammen met kaas bijdoen,
zal ik?"
Rembrand bedankte zijn zorgvolle Moeder vriendelijk, wenschte haar
"goeden morgen" en begaf zich met een angstig en toch hoopvol hart
op weg.
Met klokslag van negen was hij in het Voorhout.
Hoe menigmaal hij onderweg al een aanspraak verzonnen had, wist hij
niet, maar dat wist hij wel, dat hij nu nog met den mond vol tanden
zou staan, als hij bij den voornamen Heer aankwam.
Daar naderde hem een werkman.
"Och, vriend, kan-je mij ook zeggen waar ergens Mijnheer van der
Velden woont?" vroeg Rembrand.
"Ik ken dien Heer niet!" antwoordde de werkman.
Thans ging Rembrand verder en draaide bij een pomp links om.
Bij een groot heerenhuis stond een deur open, en aan den ingang ervan,
leunde een knecht tegen den post.
Rembrand naderde, groette beleefd en zei: "Och, Sinjeur, kan u mij
ook zeggen, hoe ik loopen moet om op den Kneuterdijk te komen?"
De knecht lachte en sprak: "Ei kameraad, dan behoef je niet ver meer
te loopen! Je bent er net!"
Rembrand keek vreemd op, dat hij zelf den Kneuterdijk had gevonden
en vroeg nu: "Dank u wel vriendelijk, maar kan u me ook zeggen waar
Mijnheer van der Velden hier ergens woont?"
"Je bent toch rondom een geluksvogel," sprak de knecht. "Mijnheer
van der Velden woont hier!"
"En is Mijnheer thuis?"
"Ja, dat tref je ook al! Was je een paar uren later gekomen, dan zou
hij te Delft geweest zijn. Maar wat wil-je nu eigenlijk?"
"Wel, ik wilde Mijnheer spreken! Hier heb ik een briefken! Als ge
dat eens geven wildet!"
"Kom er dan maar in," zei de knecht, "en ga hier maar in deze kamer,
maar...."
De knecht keek naar Rembrands bestoven schoenen.
"Jawel, jawel, ik zal mijn schoenen wel uittrekken!" sprak Rembrand,
zonder het bevel daartoe af te wachten, en trad daarna op zijn kousen
de kamer in.
Of het mooi was in die zaal?
Rembrand had het u niet kunnen zeggen. Hij zag niets van al dat
mooie huisraad, van al dat prachtige goud en zilver en van de vreemde
kostbaarheden. Hij zag alleen de menigte schilderijen, die de wanden
bedekten. Eén onder anderen trof bijzonder zijn aandacht. Het was
een schilderstuk van Aert van Leiden, die in 1564 te Delft verdronk,
en stelde "Salomo's eerste recht" voor.
Nu eens plaatste Rembrand zich in het midden en dan weer rechts van
de schilderij. Nu eens keek hij met de hand boven het oog en dan weer
door de holle hand heen, en hij was bij het bezichtigen zóó opgetogen,
dat hij niets hoorde van hetgeen in de kamer geschiedde.
Een lang, bleek en mager heer, heel eenvoudig gekleed, was met een
dame in de kamer gekomen, en Rembrand zoo druk bezig ziende, opende
hij zachtjes de portefeuille en begon er in te bladeren.
"Hé, Vader, dat is een allerliefst tafereeltje," zei de dame op een
toon van verrassing.
Dat hoorde Rembrand toch, en met een hoogen blos van verlegenheid op
de wangen, trachtte hij eenige woorden te spreken.
De heer en de dame lachten.
"Heb je dat alles zelf gemaakt, jonkman?" vroeg de Heer van der Velden.
"Jawel, Mijnheer! Om Uwe Edelheid te dienen, Mijnheer! Ik zelf alleen,
Mijnheer, heel alleen, Mijnheer!" antwoordde Rembrand erg zenuwachtig
en met tal van allerlei grappige buigingen.
"En wie is je leermeester? Zeker een konstig schilder?"
"O, ja, Mijnheer! De Meester, die me heeft leeren teekenen en
kleurenmengen, is een zeer konstig en vermaard schilder Mijnheer! Hij
heet Jakob Isaaksz. van Swanenburg, Mijnheer!"
"Ik ken hem zelfs niet eens bij naam," sprak thans de dame. "Zijn
vermaardheid zal wel niet verder dan tot Leidens wallen gegaan zijn!"
"Ik heb ook nog nimmer van hem gehoord; maar deze knaap heeft
aanleg. Hij zou het ook zoover zonder meester gebracht hebben!" zei
de Heer van der Velden tot zijn dochter, en zich hierop tot Rembrand
keerende, vroeg hij: "En hoeveel vraag je voor deze teekeningen?"
Rembrand zag, dat ze den Heer bevielen en reeds was hij van plan
om vijfentwintig gulden te vragen, toen hij dacht aan het geen zijn
Moeder hem gezegd had, en daarom zei hij: "Tien gulden, Mijnheer!"
"Heeft Swanenburg je gezegd, dat je dat vragen moet?" vroeg de Heer.
"Neen, Mijnheer, mijn Moeder heeft het gezegd!"
"Zoo, en als je het eens hadt mogen doen, wat zou je dan gevraagd
hebben?"
Rembrand aarzelde te antwoorden, doch op een vriendelijke aanmoediging
der dame bracht hij er hortend en stootend uit: "Vijfentwintig gulden
voor de drie samen, Mijnheer!"
"Het is goed," antwoordde de Heer van der Velden. "Ik zal het geld
gaan halen!"
Eenige oogenblikken daarna kwam hij terug en zei: "Jonkman, ik moet je
wat zeggen. In de teekeningen zijn nog heel wat fouten, en licht en
schaduw deugen even min, als coloriet en perspectief! Als ik nu deze
teekeningen met dertig gulden per stuk betaal, dan is dat te veel;
maar toch doe ik het, in de hoop, dat je met dit geld beginnen zult
bij een zeer bekwaam Meester les te nemen. Je meester Swanenburg moge
een goed mensch zijn, een konstenaar is hij niet, en de regelen van de
konst kent hij ook niet, dat zie ik uit je werk! Als ik je een meester
noemen mag, dan weet ik geen beteren dan Pieter Lastman te Amsterdam,
of Jakob Pinas te Haarlem. Ik heb zes teekeningen van je genomen,
en zes maal dertig maakt honderdtachtig gulden. Zoo ik meen, zal je
dat geld besteden, zooals ik dat wensch, en bij leven en welzijn, hoop
ik vandaag over een jaar je hier weer te zien. Heb je dan mooiere en
betere teekeningen gemaakt dan deze, dan wil ik ze je weer afkoopen;
maar, en ik zeg je, let wel op mijn woorden, denk in vredesnaam niet,
dat je nu al een heele Piet bent, en dat je best van je arbeid leven
kunt; want, als je dat doet, dan word je niets meer dan een pover
kladschilder, en ik trek mijn hand van je af. Leeren, veel leeren
moet je, dan kan, dan zal er iets van je komen, als God het belieft.
De Heer van der Velden liet den verbluften Rembrand zelf de deur
uit, en reeds was deze in het Lange Voorhout toen hij voelde, dat
hij vergeten had, zijn schoenen aan te trekken en zich bedacht, dat
zijn zak met boterhammen nog in de mooie kamer op een stoel lag. Wel
aarzelde hij terug te keeren, maar eindelijk vatte hij moed en liet
opnieuw den klopper op de deur vallen.
De knecht vond er natuurlijk geen zwarigheid in, dat de jongen de
schoenen aantrok en den zoogenaamden "stikkenzak" medenam.
In de volle vreugde zijns harten had hij wel in iederen lindeboom
willen klauteren, en over alle paaltjes heenspringen, doch iets
hield hem tegen, en dat was zijn geld. Hoe zou hij dien schat
thuisbrengen? Als hij onderweg eens aangerand werd?--Wacht, dicht bij
den ingang van het Bosch had hij bij een uitspanning een bolderwagen
zien staan, met het opschrift: "Rijd van Leyden naer Den Haghe,
viese verse." Als hij eens met den wagen medeging? Hij zou dan gauw
en veilig te Leiden komen!
Bij de uitspanning komende, zag hij dat de voerman bezig was de paarden
voor den wagen te zetten en zonder boe of ba te zeggen, klom Rembrand
er in en zette zich in een hoekje. De "stikkenzak" was spoedig open
en terwijl hij aan zijn boterhammen met ham en worst smulde, kwamen
de andere passagiers ook plaats nemen en de groote wagen hoste over
de straatkeien naar Leiden.
De passagiers hadden veel drukte onder elkander, doch Rembrand bemoeide
zich met niemand en zat, na het eten van een paar boterhammen, enkel
maar rond te kijken zonder een woord te spreken.
Het was weer een heete dag, en de weg te lang om door de paarden in
één rit afgelegd te worden, zoodat de voerman, zoodra hij voor de
uitspanning "Het huis Ten Deil" gekomen was, ophield.
De passagiers en de voerman gingen een "potjen bier" drinken, doch
Rembrand bleef zitten.
"Kijk hém daar! Kijk hém daar!" riepen eenige kwâjongens, die er
altijd geweest zijn.
"Wacht, ik zal hem eens met een kluitken uit zijn hoeksken
jagen!" schreeuwde een en smeet een bonk aarde naar den wagen. De
straatjongen was handiger in het kwaad-doen dan in het mikken; want
inplaats van Rembrand te raken, kwam de kluit op één der paarden
terecht. Dit dier verschrikte en ging op den hol, en het andere paard
moest wel volgen, of het wilde of niet.
De wagen gierde links en rechts langs den weg en geen der
voorbijgangers had den moed de woeste dieren tot staan te brengen.
"Help, Help!" gilde Rembrand in duizend angsten.
Te vergeefs, niemand hielp!
Maar de paarden wisten den weg en hun stal ook zonder voerman, of
zoogenaamden wagenaar, te vinden, zoodat de gelukkige, doch doodelijk
verschrikte knaap, eindelijk tot zijn blijdschap zag, dat de woeste
vaart der paarden verminderde. Plotseling hielden ze bij de Witte
poort voor een uitspanning stil. Rembrand wist, dat de bolderwagen hier
altijd afreed en, eer men hem kwam vragen, hoe hij zoo alleen met den
wagen aankwam en waar de wagenaar gebleven was, stapte Rembrand er
uit en baande zich door de toegeschoten nieuwsgierigen een weg naar
zijn huis.
Hoe hij daar ontvangen werd zal ik wel niet behoeven te zeggen. Vader
Harmen had er niets meer tegen dat zijn zoon geen geleerde, maar wel
schilder wilde worden.
Alleen de oude Swanenburg, die meende, dat zijn uil een mooie valk was,
vond het minder aangenaam, dat die Mijnheer van der Velden tot Rembrand
gezegd had, dat hij een anderen leermeester moest zoeken, en toen
de veelbelovende knaap eenige dagen later afscheid kwam nemen, omdat
hij naar Amsterdam ging om de lessen van Pieter Lastman bij te wonen,
zuchtte hij: "Gansbloed, geen profeet is geëerd in zijn Vaderland!"
Een half jaar later echter had Rembrand al een anderen meester
opgezocht en wel Jakob Pinas te Haarlem, doch ook daar bleef hij maar
kort en keerde naar het ouderlijke huis terug. Niet om te luieren
evenwel! Neen, hij legde zich met de borst op de studie toe en vormde
zoo zich zelven tot een der eerste schilders van alle tijden.
We bevinden ons ten jare 1650 op de Sint-Antonie-Breestraat te
Amsterdam, en treden, dicht bij de Sint-Anthonie-sluis een vrij deftig
huis binnen.
In een der groote kamers, die haar vensters tegen het Noorden hebben,
vinden we eenige mannen. Zij zitten op ouderwetsche stoelen en de
bewoner van het huis toont wel, dat hij een groot liefhebber is van
schilderijen en prenten.
Geen wonder, want de bewoner is niemand anders dan Rembrand Harmsen,
bijgenaamd van Rijn. De knaap, die eens door zijn makkers spottend:
"Kroonprins van de schildersbent" genoemd, werd, is een Meester
geworden, die het geheele land door bekend is, ja, de dichter Jeremias
de Decker zong van hem:
"Gelijk voor puik van wijn geen krans en hoeft te hangen,
Van klim-op, altijd groen,
Zoo heeft uw puik-penceel geen' vreemde lofgezangen,
Geen pen-getooi van doen.
Dat braef penceel en hoeft na niemands lof te vragen;
't Is door zich zelf vermaerd,
En heeft zijns Meesters naem misschien zoo wijd gedragen,
Als 't vrije Neêrland vaert."
Die beroemde schilder zit daar in een grooten leunstoel. Zijn lange,
golvende haren door een baret gedekt, hangen op zijn vreemden mantel
neder, en zijn kleine, geestige oogen zien helder op zijn bezoekers
neer.
"Wel, Rem, Rem, wie had dat een dertig jaren geleden durven denken,
dat we elkander hier zouden ontmoeten!" zegt een deftig burger,
die zich noemt Jasper Cornelissen, Mr. broodbakker.
"Ja, en denk je nog wel eens aan die teekening in houtskool op den
witten voorgevel van je Vaders speeltuin? Ze moest de onthoofding
van 's Lands-advocaat beduiden!" spreekt onze oude kennis Matthijs
Hendriks, die nu een groote herberg buiten de Rijnsburger poort te
Leiden houdt.
"Aan die teekening denk ik altijd minder dan aan mijzelven, toen
ik daar meer dan een uur lang onder dat biervat zat," zegt thans de
derde bezoeker, die Cornelis Gerrits heet, en die thans aan de jeugd
"hanenboekskens" en aan de Heeren studenten Grieksche bijbels verkoopt.
"Ja, vrienden, er is sinds dien tijd heel wat gebeurd. Jan Willemsz. en
Cornelis Claesz. zijn al ter ziele. Mijn Ouders en mijn lieve vrouw
Saskia zijn ook al dood, en.... maar stil, de Heer heeft mij wel
zwaar bezocht, maar ook mild gezegend; Zijn naam zij geloofd!" zegt
Rembrand, en opstaande voegt hij zijn drie ouden vrienden toe: "Komt,
gijlieden zijt heden mijn gasten! Gaat eens mede naar de leerkamer
waar mijn discipelen arbeiden!"
Jasper Cornelissen houdt hem echter staande en zijn hand op den
schouder des schilders leggende, zegt hij: "Hoe jammer dat onze twee
profeten dood zijn, Rembrand!"
"Welke profeten?" vraagt Rembrand lachend.
"Wel, Cornelis Claesz. en Jan Willemsz. De eerste zei, dat je Koning
der schildersbent zoudt worden, en de ander noemde je, zoolang je
dat nog niet was, Kroonprins! Weet je dat niet meer?"
"Ja, ik herinner het mij nog wel, maar wat zou dat?"
"Wat dat zou? De profetie is bewaarheid geworden: de Kroonprins werd
een Koning!"
"Ho, ho, al te veel ijdeltuiterij mannen," antwoordt Rembrand en duwt
zijn vrienden thans de ruime werkplaats binnen.
Ja, de zoon van den eenvoudigen moutmolenaar is een Koning geworden,
dat werd hij bijna geheel en al door eigen studie. In geen beschaafd
land der wereld is zijn naam onbekend, en zijn schilderstukken en etsen
zijn duizenden guldens waard. Jammer dat de Koning der Nederlandsche
schilders genoodzaakt was, aan het einde van zijn leven een alles
behalve Koninklijk inkomen te hebben. Niet door brasserij of slecht
levensgedrag, maar door allerlei tegenspoeden werd hij eindelijk
genoodzaakt zijn huis en inboedel voor schuld te verkoopen. Op het
laatst van zijn leven woonde hij in een gering huis op de Rozengracht
tegenover het Doolhof, waar hij in October van het jaar 1669 overleed.
Onder Rembrands schilderijen, die in ons land gebleven zijn, bekleeden
De Nachtwacht en De Ontleedkundige Les de voornaamste plaats. De beide
stukken zijn wereldberoemd, en De Ontleedkundige Les werd in 1828,
op bevel van Koning Willem I, door den Minister van Binnenlandsche
zaken voor twee en dertig duizend gulden gekocht.
Het Vaderland heeft zijn Schilderkoning vereeuwigd door een standbeeld,
dat den 27sten Mei 1852 te Amsterdam onthuld werd.
"Dat is geen bloedig gedenkteeken," sprak onze Koning Willem III,
die bij de onthulling tegenwoordig was, en dat was een goed woord,
gesproken op zijn pas. Want het is een gedenkteeken voor een Koning,
die den roem van Nederland meer verbreid heeft door zijn penseel,
dan menig werkelijk regeerend Vorst den roem zijns lands verbreidde
door zwaard of kanon.