Terwijl iedereen naar het vreeselijk schouwspel stond te kijken,
nam Arend zijn kans waar en liep weg. Maar, waar heen? Naar huis! Ja,
naar huis! Misschien zou hij zijn Moeder vinden! Te vergeefs!
"Je Moeder is bij den koster in de kerk gevlucht; ze is veilig!" zei
een voorbijsnellend man.
"Dan ga ik er ook heen!" riep Arend en snelde naar de kerk.
Te laat! Hij kon niet meer door de Spanjaarden heen. De kerk was
rondom afgezet, want Hierges wilde dat gebouw sparen.
"Je Moeder is niet in de kerk!" zei weer een ander. "Ze is met je
broertjes en zusjes buiten de stad gebracht! Hi-hi-hi--en aan de
Glippers voor een appel en een ei verkocht! Wie wil Simpele Griet
koopen? Toe, Arend, jongen, wij moeten dansen!....
Heysa, vlammeken, lustig op!
Lek...."
Arend rukte zich van de krankzinnige los en besloot nu zijn Moeder
buiten de stad te zoeken.
Maar wie loopt hem daar voorbij? Is dat niet de Baljuw van
Kraeyenstein? Zie, de man doet, alsof hij ook tot de plunderaars
behoort en loopt met dekens en een bed weg!
"Dat zal ik ook doen," denkt Arend en in een omzien is hij een huis
in. Hij stelt zich aan als een halve dolleman, slaat wat kort en klein
en, na een ouden helm opgezet en een kleinen wapenrok aangetrokken
te hebben, neemt hij uit een kast een hoop vrouwenkleeren en loopt
er de straat mee op.
"Zoo, zoo, kameraad, hebde ge den boit al binnen? Een vrouwenhabijt,
'nen schoone boit voor 'nen man, zulle!" roept een Vlaming, die bij
den Spanjaard dient, hem na.
Maar Arend luistert niet naar hem en loopt door.
Weldra is hij in het open veld! Maar overal zijn Spanjaarden, die hun
buit al binnen hebben, en dezen nu onder elkander zitten te verdeelen
of te verdobbelen.
Daar wordt hij aangeroepen.
Arend hoort wel; maar stoort er zich niet aan.
Dat komt den Spanjaard verdacht voor. Een staat op en roept hem nog
eens na.
Arend verdubbelt zijn schreden.
"Een vluchteling! Een heiligschenner! Grijpt hem! Grijpt hem!" klinkt
het thans.
"Schiet den hond neer!" schreeuwt een ander.
De arme jongen voelt een hevige drukking op de schouders en bijna
dadelijk daarop klinkt een schot.
Het is een musketkogel, dien men op hem afzond, maar die in den hoop
rokken gesmoord is.
Nu hoort hij loopen! Men zet hem na!
Voort, voort! De angst geeft hem vleugelen!
Maar stil, daar komt afleiding! Hij snelt den Baljuw voorbij.
Deze wordt door een Duitsch voetknecht tegengehouden; maar van
Kraeyenstein is de man niet om zich door één kerel gevangen te laten
nemen. Hij smijt de dekens neer, werpt zich op den Duitscher en ontrukt
hem zijn hellebaard.--De Duitscher losgelaten zijnde, vlucht naar zijn
makkers en van Kraeyenstein volgt den knaap, die hem nu vooruit loopt.
Het lijkt wel een jacht! De helm, de wapenrok en de vrouwenkleederen
worden Arend te zwaar. Al loopende werpt hij alles af. Hij is thans
bijna geheel buiten adem.
Maar stil, hier is de boerenhofstede met het opschrift: KLEYNE
WINSTE--GROOT VERLIES! Hij kan niet verder meer! Hier zal hij zich
versteken. Het is schemerdonker geworden; misschien dat ze hem
niet meer vinden. Hij kruipt in een hooiberg en hoort den Baljuw
voorbijloopen. Een poosje later komen de Spanjaarden. Hoe gelukkig,
ze zien alleen den Baljuw en loopen hem na. Arend laten ze zitten.
Het wordt al donkerder en donkerder en eindelijk hoort hij de
Spanjaarden van hunne vergeefsche jacht vloekende terugkomen. Van
Kraeyenstein is dus gered, en hij.... neen, hij nog niet! Maar,
als het nu heelemaal nacht is geworden en hij is wat uitgerust,
dan hoopt hij toch ook te ontkomen.
Arend strekt zich op het hooi uit en valt in slaap. Hoe lang hij
sliep weet hij niet; maar de haan kraait hem wakker. Hij laat zich
voorzichtig van het hooi glijden en zoekt in het donker den weg
te vinden. Een werfhond komt grommend op hem af en begint hevig
te blaffen. Doodelijk verschrikt springt Arend op den hooiberg
terug. Daar gaat een deur open en een barsche stem roept: "Kssst,
Karo!"--De hond zwijgt, maar springt tegen de schelf op, alsof hij
zeggen wilde: "Hier is de dief!"
"Is daar iemand?" vraagt dezelfde man.
Arend durft niet te zwijgen en zegt: "Ach, ja, een arme vluchteling
uit Oudewater!"
"Kom dan voor den dag!" luidt het bevel, en als Arend hieraan
gehoorzaamd heeft, zegt de ander: "Ik zie, dat je een knaap bent,
en hoewel ik den opstand tegen onzen wettigen Heer en Graaf verfoei,
toch wil ik helpen! Maar kom eerst binnen en eet een stuk brood!"
Arend voldoet hieraan gewillig en eet met een graagte, die bewijst,
dat hij in lang niet zoo kostelijk gegeten heeft. Terwijl hij zoo eet,
doet de boer hem onderscheidene vragen, en als Arend eindelijk zegt,
wie hij is en dat hij zijn Moeder, broertjes en zusjes kwijt is,
zegt de boer: "Bijlo, je bent een zondagskind! Je Moeder is met haar
geheele familie aan mijn zwager Jan Adriaensz. van Montfoort voor zes
onnoozele rijksdaalders verkocht geworden! Want al noem jelui ons ook
Glippers, omdat we den Koning en ons Geloof getrouw gebleven zijn,
toch hebben wij nog wel wat voor jelui over, weet-je!"
De boer wees Arend thans een pad, waarlangs hij gemakkelijk tusschen
de Spanjaarden door in veiligheid kon komen. De verheugde knaap begaf
zich terstond op weg, en kwam in den vroegen morgen in Ter Goude
aan. Zijn Vader was spoedig gevonden, en nog geen week later vond men
in een klein huisje te Montfoort de geheele familie bijeen. Dat er,
al was het armoedig, toch feest gevierd werd, begrijpt ieder.
"We zijn wel gelukkig, als we naar zoovelen van onze kennissen zien,
Dirk!" zei vrouw van Dam.
"Ja, Teuntje, dat zijn we ook! Oudewater weet, dat het de zijde van
den Prins gekozen heeft!"
"Zou je dan denken, dat Hierges en zijn Spanjaarden dáárom alleen
zoo deerlijk huis gehouden hebben?" vroeg Jan Adriaensz.
"Welja, waarom anders?"
"Dat kan je niet weten, van Dam, jij was er niet bij. Maar toen je
in Ter Goude was, hebben die van Oudewater onze kerk geplunderd,
en de beelden der Heiligen op de wallen rondgedragen om ons geloof
te bespotten! Hierges kon zijn soldaten niet tegenhouden, al had hij
het werk van een Engel kunnen doen; de Spanjaarden wilden zich op
die heiligschenners wreken!"
"Dat stond gemeen," zei van Dam. "Ik zeg maar, laat ieder mensen
gelooven, wat hij wil; de godsdienst is geen zaak om er mede te
spotten!"
Arend, die vreesde, dat zijn Vader op de een of andere manier er
achter zou komen, hoe hij een van de belhamels geweest was van die
woeste menigte, begon nog eens zijn eigen vlucht te vertellen en
besloot met te zeggen: "Wie had dat kunnen denken, dat we allen zoo
gespaard zouden blijven!"
Jan Adriaensz. zette zijn hoed op en heengaande zei hij: "Nu vrienden,
veel genoegen en, weest dankbaar voor uwe wondervolle redding, want
gijlieden zijt door het oog van een naald gekropen!"