Nadat Hierges zich tamelijk verzekerd had, dat het water hem niet veel
afbreuk zou doen, als de dijken nog eens doorgestoken werden, begon
hij twee schansen op te richten, waaruit hij de stad liet beschieten.
Nu staan de kerk en toren van Oudewater dicht bij den Hollandschen
IJsel, en Hierges dacht, dat het mogelijk zou zijn, dat hij, den
toren omver latende schieten, gemakkelijk in de stad zou kunnen komen,
als deze in den IJsel viel.
Dat schenen de belegerden ook te begrijpen en daarom ondergroeven ze
het zware gebouw aan de binnenzijde, hopende, dat het dan inplaats
van naar buiten naar binnen vallen zou.
Zoo kwam Zaterdag de zesde van Oogstmaand.
In het kamp van den vijand was nog alles stil en de belegerden, die
niet begrepen waarom het schieten niet voortgezet werd, begonnen half
te hopen, dat er ontzet in aantocht was. Men begaf zich naar den wal
en staarde in de verte. Daar ontstond in het kamp eenige beweging. Een
ruiter te paard naderde langzaam.
"Het is de Heer van Oostrum," mompelde de Baljuw. "Wat zou deze ons
te vertellen hebben?"
Van Oostrum tot voor den wal genaderd sprak: "In naam van den
Landvoogd Don Louis de Requesens vraagt de Legermeester Hierges u,
of ge de stad aan hem wilt overgeven?"
"Onze groetenissen aan uw Legermeester Hierges," sprak de Baljuw,
"en zeg hem, dat wij de stad Oudewater voor den Koning onder de
Landbestiering van den Prins van Oranje bewaren. Indien ge ons
echter drie dagen uitstel en een vrijgeleide geven wilt, dan zullen
we het gevoelen van Zijne Doorluchtigheid, den Prins-Stadhouder,
gaan raadplegen!"
"Wij geven u twee uren om u te bedenken," was het antwoord van den Heer
van Oostrum. Hierop keerde hij zich om en reed naar het kamp terug.
De twee uren van beraad waren spoedig verstreken en eer men nog tot
een besluit gekomen was, opende Hierges zijn batterijen en begon
opnieuw de stad te beschieten.
Zoo fel hadden de batterijen nog niet één keer gewerkt. Daken,
schoorsteenen, muren en oude gebouwen tuimelden naar beneden en heele
brokken van den buitenmuur vielen in de gracht. Meer dan zestienhonderd
kogels waren dien dag in het stadje neergekomen.
De avond viel; maar niemand dacht aan slapen. Den ganschen nacht was
men in de weer om de gaten in den vestingmuur te stoppen. Iedereen
was bezig. Men brak de straten op, bracht het puin der platgeschoten
woningen aan en vulde tonnen met aarde om de aangebrachte bres
te vullen.
Nauwelijks was de volgende morgen aangebroken of de vijand stelde
zich in beweging.
"Moeder, Moeder, ze komen! Kook maar water, ik zal het wel naar den
wal dragen en den Spanjaard op het lijf gieten!" riep Arend, terwijl
hij binnenstoof.
Vrouw van Dam deed zulks. Ze brak de planken uit de bedsteden om maar
een groot vuur te krijgen.
Intusschen kwam de vijand nader, de stormladders werden tegen den
muur geplaatst, de eerste soldaat klom er tegen op en...
"Hier heb je wat!" schreeuwde Arend en smeet een grooten steen op
het hoofd van den moedigen vijand. Deze tuimelde onder een hevig
geschreeuw naar beneden en Arend liep heen om kokend water te halen.
"Water, water!" riep hij.
"Hier, kind! Een emmer vol!" was het antwoord.
Vlug werd de emmer naar den wal gebracht, en....
"Pak aan, je lootje!" schreeuwde Arend, den vollen emmer op een der
bestormers ledig stortende.
Een musketkogel snorde langs zijn ooren.
"Ik sterf! Mannen, houdt stand!" riep Hopman Sante Maria en viel,
door den kogel getroffen, achter Arend neer.
"Sante Maria is dood!" riep nu Arend. "Wreekt hem, mannen, wreekt hem!"
De bestormers hadden het hard te verantwoorden.
Geheele rijen werden van de ladders in de gracht geworpen. Pekkransen,
gesmolten lood, kokend water, gloeiende asch, brandende houten balken,
steenen, zakken met zand, brokken van de muren en musketkogels,
richtten een vreeselijke slachting aan.
"Spanje, Spanje!" klonk het van buiten.
"Vivent les Gueux!" klonk het van binnen.
"Het is met mij gedaan, kameraads," sprak de Onderhopman Dinkwerf,
en stortte doodelijk getroffen neder.
"Berg u, berg u, Hopman," riep Arend tot Hans Munter, op wien een
Spaansch soldaat aanlegde.
Het schot klonk en: "Wel raak, aber nicht dood!" zet Munter in zijn
gebroken taal, en vocht weer als een leeuw tegen den vijand, die
reeds op de wallen stond.
"Vlucht, vlucht naar binnen!" klonk thans een geroep, en mannen,
vrouwen en kinderen snelden van de wallen de stad in.
Maar wat baatte de vlucht?