Thans was binnen het stadje alles in beweging en in angst; want de
geheele bezetting bestond uit nauwelijks driehonderdvijftig man,
en daar een jaar vroeger de stad voor een groot deel door de pest
ontvolkt was geworden, konden de gewapende burgers ternauwernood
evenveel manschappen halen. Verder had de Prins, of hij, die er voor
zorgen moest, verzuimd een Bevelhebber aan te stellen, zoodat de
Hoplieden Hans Munter, Sante Maria en Marcoult onder elkander moesten
loten wie hunner Bevelhebber worden zou. Het lot viel op Hans Munter,
en, het was nu niet, dat de man bang was of zoo iets, in het geheel
niet; maar hij vocht liever, dan toekijken of alles wel goed ging.
En met zulk een zwakke bezetting ging men de belegering te gemoet!
Het leger van den Spanjaard bestond uit ongeveer elfduizend man,
zoodat het wel te voorzien stond, dat de stad het onmogelijk lang
zou kunnen houden.
Eenige dagen, nadat de stad ingesloten was geworden, werd er
besloten een uitval te doen. Wie de wapenen kon en wilde dragen,
werd aangenomen, zoodat onder de luiden, die uittrokken, ook Dirk
Arendsz. van Dam te vinden was.
Die uitval was nogal gunstig afgeloopen, maar toch besloot men dit
niet al te dikwijls te herhalen, en liever, als het kon, den Prins
om hulp te verzoeken.
Onze van Dam zat al in zijn woning toen de Baljuw Gerard van
Kraeyenstein, met nog een lid van de Vroedschap, de nederige woning,
waarin hij nog nooit een voet gezet had, binnentrad.
Van Dam keek mal op. Zulk voornaam gezelschap had hij nog nimmer
in zijn woning gehad, en hij was er zoo door onthutst, dat hij den
Baljuw de tafel aanbood om er op te gaan zitten.
"Dank-je, dank-je, van Dam," zei Kraeyenstein en lachte fijntjes. "Wij
komen je maar eens even vragen, of je in het belang van onze goede
stad een stout stuk bestaan wilt?"
"Ja, als ik dat kan, dan wil ik zulks wel doen, Heer Baljuw! Mag ik
ook weten, wat het is?"
"Welzeker! Je bent, als onvermoeid visscher, hier met alle weilanden,
slooten en kennepvelden bekend. Je hebt een goeden verrejager en
blijft niet gauw voor een sloot staan! Zou je naar den Prins durven
gaan om Zijne Excellentie den nood der stad te openbaren?"
Van Dam zag zijn vrouw en kinderen even aan en antwoordde na een pooze:
"Ik heb vrouw en kinderen, Heer Baljuw! Als mij eens wat menschelijks
overkomt, wat zal er dan van hen worden?"
"Wij zullen voor hen zorgen! Zij zullen als kinderen van Oudewater
behandeld worden!", zei de Baljuw.
"Dan ga ik, en omdat één misschien de boodschap niet overbrengen zal,
zoo wil ik één mijner bekenden vragen met mij mede te gaan!"
Zoodra de avond gevallen was nam hij afscheid van vrouw en kinderen
en begaf zich met een moedig gezel op weg. Arend bracht hem tot de
IJselpoort en vroeg daar zijn Vader nog eens, of hij ook mede mocht.
"Neen, jongen," zei deze, "als mij eens iets menschelijks overkomen
moest, dan zal jij, als de Heere wil, voor Moeder en broertjes en
zusjes moeten zorgen! Maar, wacht, ik bedenk daar wat. Mochten we het
geluk hebben, ongehinderd door het Spaansche kamp en te Ter Goude te
komen, dan zullen we daar van onze aankomst bericht geven door eenige
vuurpannen op den toren te ontsteken. Zeg dat tegen den Baljuw!"
Nu nam de Vader afscheid en begaf zich heel voorzichtig met zijn
makker op weg.
Het anders zoo rustige Oudewater vertoonde thans midden in den
nacht een ongewone drukte en bedrijvigheid. Daar de bezetting zoo
ongemeen klein was, had men besloten drie poorten met aarde, mest,
steen en andere stoffen te vullen. Zoo won men manschappen uit voor
de wallen. Die poorten nu werden dien nacht gevuld, en dit hield er
zoovelen op de been. Maar, er was meer!
Ga eens even mede naar de wallen en hoor eens, wat daar zoo al
voorvalt.
"Zie je wat, Moeder?"
"Neen, Arend, ik zie niemendal dan de brandende lonten van de
schildwachten in het Spaansche kamp!"
"Wel, vrouw van Dam, hoeveel vuurpannen branden er al op den Goudschen
toren?"
Hij, die dat vraagt is een groote en stevige Stichtenaar, die zijn
fortuin in het Staatsche leger gezocht heeft.
"Eilaci, Melisz., nog geen! Hoe laat is het al? Me dunkt, het is al
lang na middernacht!"
"Half één, Moedertje!"
"Och, dan zal mijn beste Dirk wel omgekomen zijn! Wie weet welk een
akeligen dood hij al gestorven is! Arend, mijn jongen, je hebt geen
Vader meer!"
"Ho, ho, wie klaagt daar steen en been? Ben jij dat vrouw van Dam?"
"Ja, Heer Baljuw! Mijn arme Dirk is dood!"
"Moeder, Moeder, Moeder! Kijk, ginder ver! ik zie licht!" riep Arend.
"Dat is Waarder, dat is Polsbroek, dat is Haastrecht en dat is Ter
Goude!" zei de Baljuw en wees met zijn vinger in het donkere veld en
in de richting van die vier plaatsen.
--"Ja, ja, al weer een licht van Ter Goude! Van harte geluk, vrouw
van Dam! Je man is behouden aangekomen!"
"Goddank!" zuchtte de vrouw.
Intusschen waren er nog veel meer op den wal gekomen, onder anderen
ook "Simpele Griet," een oude vrouw, die niet wel bij het hoofd was,
en dikwijls voorgaf, dat ze vizioenen had.
"Zie je het, Simpele Griet?" vroeg de Stichtenaar.
"Zien, zien, lange slemieris! weet jij, wat ik zie? Niets dan bloed,
bloed! Kijk, daar staan de galgen al, om onze mannen en zoons op te
hangen! Ginder loopen de Spanjolen met hunne hellebaarden en jagen
weerlooze vrouwen en kinderen voor zich uit! En daar, ginds en overal
de roodehaan! Brand, brand!"
"Breng de vrouw weg, zij raast!" beval de Baljuw.
Doch Simpele Griet sprong op, en voor den Baljuw staande, zei ze:
"Ik razen? Ik simpel? Gerrit van Kraeyenstein, wat ik zie, dat zie ik,
wat ik hoor, dat hoor ik! Ik lieg niet! Let op mijn woorden, het loopt
slecht met Oudewater af! Hi-hi-hi! Dat zal een pretje geven! Bij het
eerste brandende huis zal ik staan dansen van pleizier! Hi-hi-hi!"
Thans werd de menigte ook boos en terstond pakten eenigen de
ongelukkige beet en voerden haar, hoewel met veel moeite, weg.
Den volgenden morgen zou men niet gezegd hebben, dat men in een
belegerde stad was. De vreugd lag op ieders aangezicht.
Nu van Dam maar in Ter Goude was, nu zou alles ook goed afloopen. Hij
zou naar den Prins gaan en deze zou hulp verschaffen.
Maar stil, waar gaat die hoop schreeuwende luiden heen?
Het zijn mannen, vrouwen en kinderen uit de stad, die voorafgegaan
en gevolgd worden door een groot deel der bezetting! Is er nu dan al
ontzet in aantocht? Gaan ze de poorten openen om hunne helpers in te
laten of om een uitval te doen? Gaan ze....
Maar dat is de weg niet naar een van de poorten!
Kijk dien Baljuw eens, hoe hij zich door de dolle en woeste menigte
heenwringt! Wat wil die man toch?
Daar zijn ze bij de Roomsche kerk! Ze bonzen en kloppen op de deuren!
De Baljuw springt op een steen, en duidt met teekenen aan, dat hij
wat te zeggen heeft.
Het wordt een oogenblik stil.
"Mannen, welk stuk gaat gijlieden aanvangen?" zoo roept hij. "Wat wilt
ge den Spanjaard verbitteren? Waarom zult ge door met hun godsdienst
te spotten ons alle genade voor den voet wegnemen, als het ontzet
niet komt?"
"Het ontzet komt wel!" roept er een.
"Vader heeft de vuurpannen van den toren van Ter Goude ontstoken! Vader
is naar den Prins! Ontzet zal er komen!" schreeuwt Arend, die als een
echte straatjongen, niet graag zien zou, dat men nu naar huis ging,
inplaats van met de Heiligen-beelden een omgang te houden.
"De knaap heeft gelijk! Van Dam zal ons ontzet brengen! Weg met den
Spanjool, en vooruit!" riep de lange Stichtenaar, en liep als een
dolle os tegen de kerkdeur, die eindelijk voor het ruwe geweld der
menigte bezweek.
Thans stroomde de woeste bende binnen. Te vergeefs was het dat mannen,
als Kraeyenstein, hunne stemmen verhieven tegen zulk een schandaal.
"Smijt hem de kerk uit!" schreeuwde een musketier. "Fijnman is bang
voor zijn kennepvelden! Pas op, straks wordt hij nog een Glipper!"
"Neen, ik zal niet tot den Spanjool overloopen," riep de Baljuw bijna
schreeuwend uit. "Ik ben geen Glipper, en ik ben ook niet bang voor
mijn kennepvelden, maar het is schande, dat...."
Zijn stem ging in het woeste getier verloren. De luiden stoven de
kerk uit.
Voorop liep Arend met een Heiligen-beeld en werd gevolgd door knapen,
mannen en vrouwen van allerlei slag, die onder het aanheffen van
een dol geuzenliedeken zich naar den wal spoedden om daar, in het
aangezicht der Spanjaarden, met hun godsdienst den spot te drijven.
De vijand zag maar al te wel, wat men deed, en hij zwoer zich bloedig
te wreken op dien razenden hoop en op ieder, die in Oudewater woonde,
schuldig of onschuldig, dat deed er niet toe.
Hierges en de zijnen hadden ook de lichten van den Goudschen toren
waargenomen, en daar zij wel begrepen, dat de Prins hen niet rustig
zou laten zitten, maar zeker pogingen zou aanwenden om hen, door het
doorsteken van de dijken, te noodzaken voor het water te vluchten,
nam hij het besluit, de belegerde veste hevig te beschieten en dan
stormenderhand in te nemen.
Eer hij daartoe evenwel overging, liet hij door de delvers, van welke
hij vijftien vaandels in zijn leger had, keerkaden opwerpen. En
het zou blijken, dat hij hieraan verstandig gedaan had; want toen
van Dam in Ter Goude aankwam, hadden de Goudenaars wel geweigerd de
dijken door te steken, doch toen de moedige man uit Delft terugkwam,
bracht hij het bevel des Prinsen mede, aan het verzoek van die van
Oudewater gevolg te geven eer het misschien te laat was.
En het was al te laat; want toen de delvers heengingen om de dijken
door te steken, kregen ze bericht, dat Hierges zich achter de
opgeworpen keerkaden veilig verschanst had.
Eenige dagen verliepen, en intusschen zag men binnen de stad al spoedig
in, dat men zich met een doode musch verblijd had, en als ze nu nog
de Roomsche kerk hadden moeten plunderen, dan zouden ze zich zeker
wel tienmaal bedacht hebben, eer ze het deden. Ook begon de bezetting
ontevreden te worden, omdat ze geen soldij ontving, en om hierin zoo
goed mogelijk te voorzien, werden er looden noodmunten van veertig
en twintig stuivers waarde geslagen. Nu en dan liet men ook een duif,
met een briefje onder de pooten wegvliegen, hopende, dat men daarbuiten
toch iets doen zou om de getrouwe stad voor de goede zaak te behouden.
Maar te vergeefs!--Geen ontzet;--geen boodschappen;--geen overstroomde
weilanden en kennepvelden!--
Met iederen dag werd het gevaar grooter;--de vrees plooide het
voorhoofd!