II. DE VREES PLOOIDE HET VOORHOOFD.

Thans was binnen het stadje alles in beweging en in angst; want de

geheele bezetting bestond uit nauwelijks driehonderdvijftig man,

en daar een jaar vroeger de stad voor een groot deel door de pest

ontvolkt was geworden, konden de gewapende burgers ternauwernood

evenveel manschappen halen. Verder had de Prins, of hij, die er voor

zorgen moest, verzuimd een Bevelhebber aan te stellen, zoodat de

Hoplieden Hans Munter, Sante Maria en Marcoult onder elkander moesten

loten wie hunner Bevelhebber worden zou. Het lot viel op Hans Munter,

en, het was nu niet, dat de man bang was of zoo iets, in het geheel

niet; maar hij vocht liever, dan toekijken of alles wel goed ging.

En met zulk een zwakke bezetting ging men de belegering te gemoet!

Het leger van den Spanjaard bestond uit ongeveer elfduizend man,

zoodat het wel te voorzien stond, dat de stad het onmogelijk lang

zou kunnen houden.

Eenige dagen, nadat de stad ingesloten was geworden, werd er

besloten een uitval te doen. Wie de wapenen kon en wilde dragen,

werd aangenomen, zoodat onder de luiden, die uittrokken, ook Dirk

Arendsz. van Dam te vinden was.

Die uitval was nogal gunstig afgeloopen, maar toch besloot men dit

niet al te dikwijls te herhalen, en liever, als het kon, den Prins

om hulp te verzoeken.

Onze van Dam zat al in zijn woning toen de Baljuw Gerard van

Kraeyenstein, met nog een lid van de Vroedschap, de nederige woning,

waarin hij nog nooit een voet gezet had, binnentrad.

Van Dam keek mal op. Zulk voornaam gezelschap had hij nog nimmer

in zijn woning gehad, en hij was er zoo door onthutst, dat hij den

Baljuw de tafel aanbood om er op te gaan zitten.

"Dank-je, dank-je, van Dam," zei Kraeyenstein en lachte fijntjes. "Wij

komen je maar eens even vragen, of je in het belang van onze goede

stad een stout stuk bestaan wilt?"

"Ja, als ik dat kan, dan wil ik zulks wel doen, Heer Baljuw! Mag ik

ook weten, wat het is?"

"Welzeker! Je bent, als onvermoeid visscher, hier met alle weilanden,

slooten en kennepvelden bekend. Je hebt een goeden verrejager en

blijft niet gauw voor een sloot staan! Zou je naar den Prins durven

gaan om Zijne Excellentie den nood der stad te openbaren?"

Van Dam zag zijn vrouw en kinderen even aan en antwoordde na een pooze:

"Ik heb vrouw en kinderen, Heer Baljuw! Als mij eens wat menschelijks

overkomt, wat zal er dan van hen worden?"

"Wij zullen voor hen zorgen! Zij zullen als kinderen van Oudewater

behandeld worden!", zei de Baljuw.

"Dan ga ik, en omdat één misschien de boodschap niet overbrengen zal,

zoo wil ik één mijner bekenden vragen met mij mede te gaan!"

Zoodra de avond gevallen was nam hij afscheid van vrouw en kinderen

en begaf zich met een moedig gezel op weg. Arend bracht hem tot de

IJselpoort en vroeg daar zijn Vader nog eens, of hij ook mede mocht.

"Neen, jongen," zei deze, "als mij eens iets menschelijks overkomen

moest, dan zal jij, als de Heere wil, voor Moeder en broertjes en

zusjes moeten zorgen! Maar, wacht, ik bedenk daar wat. Mochten we het

geluk hebben, ongehinderd door het Spaansche kamp en te Ter Goude te

komen, dan zullen we daar van onze aankomst bericht geven door eenige

vuurpannen op den toren te ontsteken. Zeg dat tegen den Baljuw!"

Nu nam de Vader afscheid en begaf zich heel voorzichtig met zijn

makker op weg.

Het anders zoo rustige Oudewater vertoonde thans midden in den

nacht een ongewone drukte en bedrijvigheid. Daar de bezetting zoo

ongemeen klein was, had men besloten drie poorten met aarde, mest,

steen en andere stoffen te vullen. Zoo won men manschappen uit voor

de wallen. Die poorten nu werden dien nacht gevuld, en dit hield er

zoovelen op de been. Maar, er was meer!

Ga eens even mede naar de wallen en hoor eens, wat daar zoo al

voorvalt.

"Zie je wat, Moeder?"

"Neen, Arend, ik zie niemendal dan de brandende lonten van de

schildwachten in het Spaansche kamp!"

"Wel, vrouw van Dam, hoeveel vuurpannen branden er al op den Goudschen

toren?"

Hij, die dat vraagt is een groote en stevige Stichtenaar, die zijn

fortuin in het Staatsche leger gezocht heeft.

"Eilaci, Melisz., nog geen! Hoe laat is het al? Me dunkt, het is al

lang na middernacht!"

"Half één, Moedertje!"

"Och, dan zal mijn beste Dirk wel omgekomen zijn! Wie weet welk een

akeligen dood hij al gestorven is! Arend, mijn jongen, je hebt geen

Vader meer!"

"Ho, ho, wie klaagt daar steen en been? Ben jij dat vrouw van Dam?"

"Ja, Heer Baljuw! Mijn arme Dirk is dood!"

"Moeder, Moeder, Moeder! Kijk, ginder ver! ik zie licht!" riep Arend.

"Dat is Waarder, dat is Polsbroek, dat is Haastrecht en dat is Ter

Goude!" zei de Baljuw en wees met zijn vinger in het donkere veld en

in de richting van die vier plaatsen.

--"Ja, ja, al weer een licht van Ter Goude! Van harte geluk, vrouw

van Dam! Je man is behouden aangekomen!"

"Goddank!" zuchtte de vrouw.

Intusschen waren er nog veel meer op den wal gekomen, onder anderen

ook "Simpele Griet," een oude vrouw, die niet wel bij het hoofd was,

en dikwijls voorgaf, dat ze vizioenen had.

"Zie je het, Simpele Griet?" vroeg de Stichtenaar.

"Zien, zien, lange slemieris! weet jij, wat ik zie? Niets dan bloed,

bloed! Kijk, daar staan de galgen al, om onze mannen en zoons op te

hangen! Ginder loopen de Spanjolen met hunne hellebaarden en jagen

weerlooze vrouwen en kinderen voor zich uit! En daar, ginds en overal

de roodehaan! Brand, brand!"

"Breng de vrouw weg, zij raast!" beval de Baljuw.

Doch Simpele Griet sprong op, en voor den Baljuw staande, zei ze:

"Ik razen? Ik simpel? Gerrit van Kraeyenstein, wat ik zie, dat zie ik,

wat ik hoor, dat hoor ik! Ik lieg niet! Let op mijn woorden, het loopt

slecht met Oudewater af! Hi-hi-hi! Dat zal een pretje geven! Bij het

eerste brandende huis zal ik staan dansen van pleizier! Hi-hi-hi!"

Thans werd de menigte ook boos en terstond pakten eenigen de

ongelukkige beet en voerden haar, hoewel met veel moeite, weg.

Den volgenden morgen zou men niet gezegd hebben, dat men in een

belegerde stad was. De vreugd lag op ieders aangezicht.

Nu van Dam maar in Ter Goude was, nu zou alles ook goed afloopen. Hij

zou naar den Prins gaan en deze zou hulp verschaffen.

Maar stil, waar gaat die hoop schreeuwende luiden heen?

Het zijn mannen, vrouwen en kinderen uit de stad, die voorafgegaan

en gevolgd worden door een groot deel der bezetting! Is er nu dan al

ontzet in aantocht? Gaan ze de poorten openen om hunne helpers in te

laten of om een uitval te doen? Gaan ze....

Maar dat is de weg niet naar een van de poorten!

Kijk dien Baljuw eens, hoe hij zich door de dolle en woeste menigte

heenwringt! Wat wil die man toch?

Daar zijn ze bij de Roomsche kerk! Ze bonzen en kloppen op de deuren!

De Baljuw springt op een steen, en duidt met teekenen aan, dat hij

wat te zeggen heeft.

Het wordt een oogenblik stil.

"Mannen, welk stuk gaat gijlieden aanvangen?" zoo roept hij. "Wat wilt

ge den Spanjaard verbitteren? Waarom zult ge door met hun godsdienst

te spotten ons alle genade voor den voet wegnemen, als het ontzet

niet komt?"

"Het ontzet komt wel!" roept er een.

"Vader heeft de vuurpannen van den toren van Ter Goude ontstoken! Vader

is naar den Prins! Ontzet zal er komen!" schreeuwt Arend, die als een

echte straatjongen, niet graag zien zou, dat men nu naar huis ging,

inplaats van met de Heiligen-beelden een omgang te houden.

"De knaap heeft gelijk! Van Dam zal ons ontzet brengen! Weg met den

Spanjool, en vooruit!" riep de lange Stichtenaar, en liep als een

dolle os tegen de kerkdeur, die eindelijk voor het ruwe geweld der

menigte bezweek.

Thans stroomde de woeste bende binnen. Te vergeefs was het dat mannen,

als Kraeyenstein, hunne stemmen verhieven tegen zulk een schandaal.

"Smijt hem de kerk uit!" schreeuwde een musketier. "Fijnman is bang

voor zijn kennepvelden! Pas op, straks wordt hij nog een Glipper!"

"Neen, ik zal niet tot den Spanjool overloopen," riep de Baljuw bijna

schreeuwend uit. "Ik ben geen Glipper, en ik ben ook niet bang voor

mijn kennepvelden, maar het is schande, dat...."

Zijn stem ging in het woeste getier verloren. De luiden stoven de

kerk uit.

Voorop liep Arend met een Heiligen-beeld en werd gevolgd door knapen,

mannen en vrouwen van allerlei slag, die onder het aanheffen van

een dol geuzenliedeken zich naar den wal spoedden om daar, in het

aangezicht der Spanjaarden, met hun godsdienst den spot te drijven.

De vijand zag maar al te wel, wat men deed, en hij zwoer zich bloedig

te wreken op dien razenden hoop en op ieder, die in Oudewater woonde,

schuldig of onschuldig, dat deed er niet toe.

Hierges en de zijnen hadden ook de lichten van den Goudschen toren

waargenomen, en daar zij wel begrepen, dat de Prins hen niet rustig

zou laten zitten, maar zeker pogingen zou aanwenden om hen, door het

doorsteken van de dijken, te noodzaken voor het water te vluchten,

nam hij het besluit, de belegerde veste hevig te beschieten en dan

stormenderhand in te nemen.

Eer hij daartoe evenwel overging, liet hij door de delvers, van welke

hij vijftien vaandels in zijn leger had, keerkaden opwerpen. En

het zou blijken, dat hij hieraan verstandig gedaan had; want toen

van Dam in Ter Goude aankwam, hadden de Goudenaars wel geweigerd de

dijken door te steken, doch toen de moedige man uit Delft terugkwam,

bracht hij het bevel des Prinsen mede, aan het verzoek van die van

Oudewater gevolg te geven eer het misschien te laat was.

En het was al te laat; want toen de delvers heengingen om de dijken

door te steken, kregen ze bericht, dat Hierges zich achter de

opgeworpen keerkaden veilig verschanst had.

Eenige dagen verliepen, en intusschen zag men binnen de stad al spoedig

in, dat men zich met een doode musch verblijd had, en als ze nu nog

de Roomsche kerk hadden moeten plunderen, dan zouden ze zich zeker

wel tienmaal bedacht hebben, eer ze het deden. Ook begon de bezetting

ontevreden te worden, omdat ze geen soldij ontving, en om hierin zoo

goed mogelijk te voorzien, werden er looden noodmunten van veertig

en twintig stuivers waarde geslagen. Nu en dan liet men ook een duif,

met een briefje onder de pooten wegvliegen, hopende, dat men daarbuiten

toch iets doen zou om de getrouwe stad voor de goede zaak te behouden.

Maar te vergeefs!--Geen ontzet;--geen boodschappen;--geen overstroomde

weilanden en kennepvelden!--

Met iederen dag werd het gevaar grooter;--de vrees plooide het

voorhoofd!

Uit Ouden Tijd · 第 10 / 18 题