"Dat is twee uur! Neen, nog een half uurtje onder de
dekens en dan opstaan! Wat zal Vader gek opkijken,
als deze door hem geroepen wordt. Maar, als hij nog
eens ging slapen!--Neen, niet slapen! Hij zal denken! Ja,
denken! Maar----waaraan? Neen, hij zal tellen! Tellen zoover als hij
kan! Een--twee--drie--vier--vijf--zes--zes--acht! Neen, hij was in de
war! Nog eens van het begin af. Een--twee--tw--drie--vier--wakker--goed
wakker--visch vangen--Paardekoo... acht... vier.... vi.... v.... v...."
Arend slaapt. Het hielp niet, dat hij wakker wilde blijven!
De klok slaat; hij hoort het niet.
De torenwachter blaast----tettere--tettere--tetteretet! Ja, blaas
maar! Je krijgt hem niet wakker!
"Arend, Arend dan!" roept Vader en schudt den knaap eens frisch heen
en weer. "Weet je dan niet, dat we moeten gaan visschen?"
Eindelijk is de knaap goed wakker en weldra aangekleed.
Het ontbijt is gauw genuttigd; het vischgerei is al gereed, en, na
een paar kruiken bier en eenige sneden grauw brood met spek bij zich
gestoken te hebben gaan de visschers op pad.
De bakker schijnt zijn oven aangelegd te hebben; maar geen mensch is
nog te zien.
Om den schildwacht mis te loopen, gaan ze het Biezenpoortje uit.
"Wat denk je, Vader, zou de vangst vandaag goed gaan?" vraagt Arend,
nadat ze een poos stilzwijgend naast elkander voortgewandeld hebben.
"Ik weet het niet, jongen! Het gaat met de visschen als met de
Spanjolen!"
"Hoe dat zoo, Vader?"
"Och, jongen, wat zal ik daarvan zeggen? Een manneken, als jij, die
pas onder en boven de broek uitkomt, moet niet zoo alles haarfijn
willen weten! Kijk maar naar het wurmenbaksken! Straks verlies je
nog al het aas!"
"Jawel, Vader, maar...."
"Och, zwijg, jongen! Durf jij met den verrejager (polsstok) over
deze sloot?"
"Best, Vader!"
"Goed, volg me dan!"
Dirk Arendsz. van Dam sprong er overheen, en, na den stok overgeworpen
te hebben, volgde Arend zijn voorbeeld, en stapte bedaard, doch
ontevreden verder.
"Als Willem Cornelisz. van den Burgemeester en Gerrit Gerritsz. van
den Baljuw geweten hadden, dat ik uit visschen ging, dan zouden ze
vast gevraagd hebben, of ze mee mochten!" begon Arend weer.
"Het is goed, dat ze het niet geweten hebben, jongen! We loopen hier
door den kennep van den Baljuw, en als hij het wist, dan .... niet
vertellen hoor! Wat niet weet, dat deert niet. Mooie kennep, mooi
gewas van het jaar! Als daar het water eens over kwam!"
"Water, Vader? Ik dacht, dat een weinig regen geen kwaad doen zou!"
"Lomperd, wie spreekt er nu van regenwater? Ik niet. Ik bedoel
IJselwater!"
"Willen ze dan het land onder water zetten, Vader?"
"Jongen, jongen, met al dat gevraag kal je me het hoofd heelemaal
van streek! Je kan zwijgen, hé?"
"Ja, Vader, maar waarom vraag je dat zoo?"
"Luister, jongen, luister! We beleven een naren tijd! Weet je nog,
dat we een paar jaar geleden ons aan de zijde van den Prins geschaard
hebben?"
"Jawel, Vader! En kort daarop zijn Cornelis Willemsz. de Lange, onze
Burgemeester, en Job Pieterz. van Hattemer naar Dordrecht gegaan om
daar met Heer Philips van Marnix de zaken te regelen."
"Bijlo, jongen, je weet het, alsof je er bij geweest was! Maar,
na dien tijd, wil ik maar zeggen, doet de Spanjaard alle mogelijke
moeite om terug te krijgen, wat voor zijn neus weggekaapt is! Nu
heeft Hierges, de Spaansche Legeroverste, na Buren ingenomen te
hebben, zijn soldaten in drie hoopen verdeeld. Het eerste gedeelte,
zoo heet het, gaat naar Schoonhoven; het tweede naar Woerkum, en het
derde naar Bommel; maar de man is slim en tracht ons vast te bedotten!"
"o Ja, Vader, hij heeft het op Ter Goude gemunt; onze Baljuw heeft
de Gouwenaars al laten waarschuwen!"
"Ei, wat zoo'n jongske al niet weet! Wil ik je eens wat zeggen,
Arend? Ik geloof dan, dat die slimmerd van een Hierges heel de
wereld om den tuin leidt, en dat hij het op onze goede stad verzien
heeft. De Prins van Oranje weet ook wel, wat hij doet! Waarom heeft
hij Hopman Hans Munter bevolen de klokken uit de torens te Benschop
en andere dorpen hier uit de buurt te laten halen? Om er, als het
nipt en weder nipt, kanonnen van te laten gieten! Zij hebben het niet
gedaan! Weet je waarom? Omdat onze Vroedschap niet gelooven kan, dat de
Spanjaard het op ons verzien heeft! De Prins heeft bevolen de dijken
door te steken! Weet je waarom dat niet gedaan is? Omdat de Baljuw,
de Burgemeester en al die luiden meer van hun kennep houden dan van
de stad. Ze kunnen en willen maar niet gelooven, dat de Spanjool ons
ook te pakken kan krijgen!"
Thans kwamen ze voorbij een boerenhofstede,
"Kan je lezen Arend, wat daar op die poort staat?"
Arend lachte eens en zei: "Ja, Vader, daar staat: KLEYNE WINSTE--GROOT
VERLIES!"
"Ja, ik ken geen a voor een b, maar ik weet, dat die woorden daar staan
moeten. Hoe ze er gekomen zijn, daaraf weet ik niemendal; doch ik vrees
dat het met die van Oudewater gaan zal, als hier geschreven staat:
KLEYNE WINSTE--GROOT VERLIES! Maar stil, hier is een kroosdammetje;
hier zal baars zitten. Maak het tuig gereed. Ik zal langs deze sloot
gaan, dan moet jij die van den weg nemen!"
Geen vijf minuten later waren de twee hengelaars druk aan den gang.
De vangst ging heel langzaam; er scheen weinig baars te zijn of,
als ze er veel was, dan wilde ze niet bijten.
Zoo werd de eene sloot na de andere afgevischt, en soms stonden Vader
en zoon wel een kwartier ver van elkander af.
Het werd middag. Arend was nu achter een boschje in de weide en Vader
stond aan den weg.
"Ik kan er wel bij gaan zitten," bromde Arend. "De vangst gaat
toch niet!"
Nu, dat was waar; doch de brandend heete Julizon en de slechte nacht,
dien hij doorgebracht had, maakten hem slaperig.
De hengelstok lag dan ook weldra op den kant en Arend tusschen
den kennep.
Hij sliep als een roos.
Een half uur had hij zoo gelegen, toen hij door een hevig geschreeuw
gewekt werd.
In het water was een vreeselijk geplons. Een groote baars of snoek had
gebeten, en zwom nu met den hengelstok door het water. Arend stond
op, greep naar den stok, maar.... neen, dat ging niet! Hij zou maar
te water gaan.
De voetstappen naderden. Het was iemand, die hard liep en
"Arend! Arend!" schreeuwde.
"Ja, Vader, maar ik heb aan!" riep Arend.
Daar schoot de Vader om den hoek.
"Ik heb aan Vader! Kijk eens, kijk...."
"Smijt weg, smijt weg den boel! De Spanjool komt!"
"De Spanjool? Maar, Vader, die visch!"
"Kleyne winste, groot verlies! Laat liggen, laat alles maar
liggen! Loop, wat je loopen kunt!"
Vader en zoon gingen thans samen op de vlucht. Visch, bier, broodzak,
hengel en aasbakjes, alles werd achtergelaten. Hier, daar en overal zag
men de verschrikte landlieden uit hunne woningen vluchten, medenemende,
wat niet te zwaar te dragen viel.
Reeds was de Spanjaard hen dicht op de hielen! Geert Woutersz., een
jonge boer, is de achterste. Hij heeft twee paarden voor zijn wagen
gespannen en ziet, dat hij telkens op den Spanjaard verliest. Daar
schiet hem wat te binnen! De weg is zeer smal; de vaart aan beide
kanten breed en diep.--Hij draait den wagen handig dwars over den weg,
snijdt de strengen der paarden door, verzet met reuzenkracht den
geheelen wagen met alles, wat er op is, zoodat hij den weg geheel
en al afsluit, springt op zijn paarden en vlucht, terwijl hij den
Spanjaard toeschreeuwt:
"Komt en volgt me nu na, als je kunt! Nu ben ik ook te paard!"
Zoo vlucht alles naar de stad!
Met hun verrejager hebben Dirk Arendsz. van Dam en Arend den kortsten
weg genomen. Eer één der vluchtende huisluiden Oudewater bereikt heeft,
zijn zij allebei reeds binnen het Biezenpoortje gekomen en brengen
nu door hun geroep: "De vijand komt langs den Damweg van IJselstein
naar Oudewater!" de geheele stad in rep en roer. Ook de vluchtende
huisluiden komen de geschiedenis bevestigen, en.... een etmaal later
heeft Hierges met zijn Spanjaarden het stedeke ingesloten.