Het verblijf in de gevangenis had bij Dirk Oudkoop eene heele
verandering te weeg gebracht. Hij was geen jongen meer. Hoewel
nauwelijks 19 jaren oud, was er reeds een zekere ernst over hem
gekomen, die kwalijk paste bij zijn leeftijd. Aan het spel zijner
vroegere kameraden nam hij geen deel meer; hij hield zich steeds op den
achtergrond. Aan alles kon men merken, dat het vonnis hem drukte. Of
het eene verandering ten goede was, zou de tijd moeten leeren. Zijn
gesloten karakter deed weinig dankbaarheid merken jegens degenen,
waaraan hij en zijne moeder verplicht waren, maar evenmin haat jegens
zijne vele vijanden. De dorpelingen vergaten zijn diefstal nog minder
dan hij zelve en lieten niet na hem dit te doen gevoelen.
De burgemeester had hem op verzoek van zijne vrouw en kinderen, van
Toon en kapitein Rondhout, weder in dienst genomen. Hij had geen reden
om er berouw over te hebben, doch ook niet om zich te verheugen. Dirk
deed trouw zijn werk, stoorde zich niet aan de spottende blikken en
vaak kwetsende woorden zijner medearbeiders en ging zwijgend zijn gang.
Van genegenheid jegens zijne weldoeners echter geen spoor.
Evenzoo was hij tegenover Anton, zijn ouden vijand, de redder zijner
moeder. De weinige dagen voor diens vertrek was hij hem steeds uit den
weg gegaan. Of hij zijn best deed den ouden haat tegen den nu nog meer
dan vroeger algemeen beminden jongen te onderdrukken, dan wel of hij
poogde de dankbaarheid te verbergen, die hij jegens den vriend zijner
moeder koesterde, het was niemand duidelijk. Toch scheen het een of het
ander waar te wezen. Anton van zijn kant had geen pogingen tot
verzoening meer in ’t werk gesteld en Roelof evenmin. Het gesprek in de
bakken op het mistige watervlak was reeds lang uit het geheugen
gewischt. „Indien Dirk de aangeboden hulp versmaadde, moest hij het
zelf weten,” redeneerden de jongens. „Zij hadden hun plicht gedaan.”
De herfst ging voorbij en het werd winter. In de Kerstdagen waren alle
vrienden weder bij elkander en vooral Anton, die het verst weg was en
slechts zelden kon thuis komen, smaakte veel genoegen weder te midden
zijner oude kameraads te zijn. De weinige dagen van zijn verlof waren
voor allen feestdagen. De avonden werden doorgebracht in den
familiekring van den burgemeester, op het veer en bij den meester. De
korte dagen waren zij voor een goed deel op het ijs. De lage weilanden
aan de Noord en Noord-Oostzijde van Eethen stonden over eene groote
uitgestrektheid onder water en een ijsvloer er over leverde den
schaatsenrijders prachtige banen. Heel sterk was het ijs wel niet, dat
voor een deel uit bevroren, natte sneeuw bestond en sneeuwijs genoemd
werd, maar het ondergeloopen land leverde ook weinig gevaar op. Er werd
dan ook druk gereden. Van alle kanten kwamen de schaatsenrijders
opdagen en de ijsbaan wemelde van schaatsenrijders en toeschouwers,
groot en klein. De vlaggen op de tentjes wapperden en de eigenaars
maakten goede zaken.
In een dezer tenten of liever achter een scherm op eene bank,—meer
waren die tenten niet,—hadden Anton met zijne kameraads en Stans plaats
genomen om uit te rusten en een kop chocolade te gebruiken. Toevallig
was ook Dirk Oudkoop in de nabijheid. Hij was evenals de anderen op
schaatsen en vermaakte zich alleen, tenminste hij reed en bekommerde
zich niet om de anderen. Het deerde hem blijkbaar niet, dat hier en
daar de uitroep zijne ooren trof: „de Rooie is op ’t ijs! Hoe durft hij
zich te vertoonen!” Terwijl de jongens op de bank zaten, had weder
iemand den treurigen moed om Dirk uit de verte eenige schimpwoorden toe
te roepen. Anton stond op en verzocht den jongeling, dat te laten. Deze
reed een eindje door, draaide zich om en zeide, „dieven en diefjesmaats
hooren niet hier.”
Dat was te veel voor Toon. Hij kon de plotseling opkomende drift niet
meester blijven en vliegt overeind om den belager te achterhalen. Deze
vlucht ijlings over de vlakte, achtervolgd door Anton, ziedend van
toorn. Dirk, die de woordenwisseling niet heeft bemerkt, ziet alleen,
hoe Toon den ander nazit en hoe de drie jongens op de bank evensnel hun
kameraad achteraan rijden. Zij hebben hem in langen tijd zoo driftig
niet gezien. De Rooie kijkt onverschillig toe.
De vluchteling was reeds een heel eind vooruit en daar hij minstens
even goed rijder was als zijn achtervolger, trachtte hij in een grooten
boog de ijsbaan weder te bereiken om zich tusschen de menigte in
veiligheid te stellen. Toon doorziet de taktiek en neemt eene schuine
richting om hem den weg af te snijden. De toorn gaf vleugelen aan zijne
voeten, maar deed hem het gevaar niet zien, waarin hij zich bevond.
Boven eene wetering is eene uitgestrektheid open water, waar hij recht
op af rijdt. Plotseling bemerkt hij het wak, doch het is reeds te laat.
Op hetzelfde oogenblik, dat hij zijne vaart met kracht wil stoppen,
ligt hij kopje onder in het ijskoude water. Hij tracht zich met zwemmen
te redden, doch het broze ijs brokkelt telkens af, als hij zich
vastgrijpt. Neus en mond stoot hij in doodsangst stuk tegen de
ijsbrokken. Zijne inmiddels toegeschoten vrienden zijn onmachtig hem te
helpen. Wel probeeren ze het, maar het mag niet baten. De
schaatsenrijders, die op het geschreeuw van alle kanten komen
aanzetten, beletten hen noodeloos hun leven te wagen. In allerijl
worden middelen beproefd, hier jassen uitgetrokken, daar dassen,
touwtjes en zakdoeken, aaneen geknoopt, doch geen der middelen is
proefhoudend. De krachten beginnen den armen jongen te begeven, een
oogenblik later is hij machteloos. Zijne vrienden zijn wanhopig. Roelof
wil te water maar wordt tegen gehouden.
„Uit den weg, plaats!” klinkt het uit de verte en met een razende
snelheid nadert een jongeling, met een touw om het middel en eene
lange, sterke lijn achter zich aansleepende. „Grijpt het touw,” roept
hij uit, en terwijl eenige toeschouwers hieraan voldoen, vliegt hij
over het broze ijs, plons, juist op de plaats, waar Anton verdwenen is.
Hij komt boven met den drenkeling in de armen. De houders van het touw
trekken aan en zoo blijft de redder met zijn last tegen het ijs gedrukt
boven water. „Niet trekken,” roept hij uit, „de bank! de bank! komen ze
al?” Allen zien om en bemerken twee schaatsenrijders, die vlug naderen
met eene lange bank op de schouders. Deze wordt over het ijs geschoven
naar de drenkelingen, nadat een touw aan een der pooten is vastgemaakt.
De redder brengt met groote moeite den bewusteloozen Toon op de
onderstboven gekeerde bank en deze wordt nu gemakkelijk over het ijs op
het sterkere gedeelte gebracht. Nogmaals wordt de bank half in het wak
geschoven en nu klimt de redder er zelf op.
Toon wordt met een weinig brandewijn bij kennis gebracht en in eene
slede van den eigenaar eener tent zoo spoedig mogelijk naar de
dichtstbijzijnde woning vervoerd. Toen men naar den redder omkeek, was
deze reeds verdwenen.—
„’t Is de Rooie,” roept de door Toon achtervolgde.
„Die zooeven nog door jou werd beschimpt,” voegde Roelof er aan toe. De
andere druipt hierop beschaamd af en Roelof volgt met de beide andere
kameraads zijn vriend.—
Rooie Dirk had Anton gered. In de verte had hij gezien, dat Toon in het
water verdween. IJlings was hij naar de naastbijzijnde tent gereden.
Een paar lijnen los snijden was het werk van een oogenblik. Nog even
keert hij om en roept den eigenaar toe, eene bank te brengen. Deze had
ook reeds van verre het ongeluk aanschouwd en haastte zich de langste
der beide banken aan een paar vlugge rijders te geven, die, zooals we
reeds weten, den voortvliegenden Dirk op den voet volgden.
Zoodra Dirk weder vast ijs onder de voeten had, haastte hij zich uit de
menigte te ontsnappen en naar huis te rijden. Zijne moeder schreide van
vreugde bij het hooren van zijn flink optreden.
Anton was reeds den volgenden dag geheel hersteld. Hij had den nacht op
Vrederust doorgebracht en zoodra des morgens het ontbijt was
afgeloopen, begaf hij zich naar zijn redder.
Vele gewaarwordingen bestormden den Rooie, toen Toon hem met warmte de
hand drukte en dankte voor zijn moed en opoffering. „Laat ons vrienden
zijn, Dirk,” zeide hij, „laat mij u helpen en steunen zoo ge wilt. O,
zeg mij toch, wat kan ik voor u doen?”
„Gij, voor me doen!” antwoordde Dirk, „ge hebt reeds veel meer voor me
gedaan, dan ik ooit zal kunnen vergelden. Mijne moeder hebt ge het
leven gered. Mij hebt ge doen stilstaan op het slechte pad en nu, nu
kan ik misschien terugkeeren en voor goed een ander mensch worden.
„Wilt ge heusch een vriend worden van Rooie Dirk, die u....”
—„Zwijg Dirk, het verledene is vergeten, de toekomst ligt voor ons. Van
nu af zijn we vrienden, voor altijd.”
Den volgenden dag vertrok Anton. Zijn verloftijd was om. Eén vriend
liet hij meer achter, dan hij bij zijne komst had gevonden.
Twee jaren bleef Dirk nog in het dorp, waar hij zich niet meer op zijn
gemak gevoelde. Toen had hij het ongeluk zijne moeder te verliezen.
Weinige dagen na de begrafenis werd huis en erf en het stukje weiland
verkocht. De opbrengst belegde hij in overleg met den burgemeester in
solide fondsen en hij wendde zich tot Anton, die zijn vriend was
gebleven, om raad en steun. Deze deed zijn best hem aan boord van het
schip geplaatst te krijgen, waarop hij zelve voer. Gemakkelijk viel
Toon dit niet, al heeft hij het Dirk nooit verteld. Een mooi
getuigschrift van den heer Van den Oever en de voorspraak van kapitein
Rondhout gaven den doorslag.
Van dit oogenblik af begon voor hem een ander leven. In het dorpje,
waar iedereen hem en zijn verleden kende, gevoelde Dirk zich te veel
onder den druk van het ondergane vonnis om zich vrij te kunnen
ontwikkelen.
Hij werd een flink zeeman en boven al, een trouw vriend voor Anton, die
nu zijn chef was.